Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:AB2188

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
15-06-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
624/00
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2001-1202
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nr. 624/00 15 juni 2001

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, vijfde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van de heer X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de afdeling Bestuur- en Managementondersteuning van de gemeente Noordenveld (: het hoofd) gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen ten aanzien van hem genomen beschikking ingevolge de Wet waardering onroerende zaken (: de Wet) gedagtekend 31 maart 2000.

1. Ontstaan en loop van het geding.

Ingevolge de Wet heeft het hoofd op 31 maart 2000 de waarde van de onroerende zaak gelegen aan de a-weg 2 te Z vastgesteld naar de waardepeildatum van 1 januari 1995. Tegen deze beschikking heeft belanghebbende tijdig bezwaar gemaakt. Het hoofd heeft bij de bestreden uitspraak van 10 juli 2000 de waarde in voormelde beschikking gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen door middel van een beroepschrift (met bijlagen) dat op 10 augustus 2000 bij het hof is binnengekomen. Het hoofd heeft op 23 oktober 2000 een verweerschrift (met bijlagen) ingezonden. Het hoofd heeft zijn verweerschrift bij schrijven van 2 maart 2001 aangevuld. Bij het hof is op 5 maart 2001 een schrijven van belanghebbende ingekomen. Afschriften van voormelde stukken zijn verzonden aan partijen.

De zaak is behandeld ter zitting van het hof op 14 maart 2001 gehouden te Assen. Verschenen zijn namens belanghebbende mevrouw A, belanghebbende en namens het hoofd de heren B en C. De heer C is taxateur van het ingenieursbureau D BV. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnotitie overlegd en voorgelezen.

Het hof heeft op 28 maart 2001 mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal per aangetekende post, ter post bezorgd op 10 april 2001, aan partijen is verzonden.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

Bij brief, ingekomen op 26 april 2001, heeft belanghebbende verzocht vorenbedoelde uitspraak te vervangen door een schriftelijke overeenkomstig artikel 27d, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Belanghebbende heeft daartoe op 28 mei 2001 het verschuldigde griffierecht ad ƒ 80, - voldaan.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat tussen partijen het volgende onbetwist, althans onvoldoende betwist, vast:

2.1 Bij beschikking van 31 maart 2000 is door het hoofd ten aanzien van belanghebbende als eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak gelegen aan de a-weg 2 te Z (: de onroerende zaak) de waarde van die onroerende zaak vastgesteld naar de waardepeildatum van 1 januari 1995. De beschikking geldt vanaf 1 januari 2000 en betreft het tijdvak van 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000.

3. Het geschil.

In geschil is het antwoord op de vraag of de waarde naar waardepeildatum van 1 januari 1995 zoals vermeld in de beschikking van 31 maart 2000 op een te hoog bedrag is vastgesteld.

4. De standpunten van partijen.

Belanghebbende beantwoordt de onder punt 3 vermelde vraag bevestigend, het hoofd ontkennend. Ter zitting hebbende partijen hun standpunten gehandhaafd. Voor de onderbouwing van de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken.

5. De overwegingen omtrent het geschil.

5.1 Zoals blijkt uit het bepaalde in de artikelen 17 en 18, eerste lid van de Wet waardering onroerende zaken (: de Wet) wordt de waarde bepaald op een waarde die per 1 januari 1995 aan de onderwerpelijke zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.

5.2. Artikel 19, tweede lid onderdeel b, van de Wet bepaalt dat indien een onroerende zaak in het tijdvak waarvoor de waarde is vastgesteld wijzigt als gevolg van hetzij bouw, verbouwing, verbetering, afbraak of vernietiging, hetzij verandering van bestemming, welke wijziging een verandering in de waarde van ten minste 5 percent met een minimum van ƒ 25.000 ten gevolge heeft dan wel van ƒ 250.000 of meer in afwijking in zoverre van artikel 18, eerste lid, de waarde wordt bepaald naar de staat bij het begin van het kalenderjaar volgende op dat waarin de in de onderdeel b bedoelde feiten geheel of ten delen hun beslag hebben gekregen.

5.3 De door het hoofd aan de onroerende zaak toegekende waarde per waardepeildatum van 1 januari 1995 bedraagt in de onder punt 2.1 vermelde beschikking ƒ 308.000, -. De waarde per waardepeildatum van 1 januari 1995 heeft het hoofd bij eerdere beschikking aanvankelijk op ƒ 224.000, - vastgesteld. Naar aanleiding van de inhoud van het telefoongesprek van 2 juni 1999 met belanghebbende heeft het hoofd besloten om de onroerende zaak opnieuw op te nemen, welke opname in oktober 1999 heeft plaatsgevonden. Bij de heropname in oktober 1999 heeft het hoofd vastgesteld dat het object als woonboerderij moet worden aangemerkt en dat van bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond geen sprake meer was. Hierna heeft het hoofd bij onderhavige beschikking de waarde ad ƒ 224.000, - verhoogd tot ƒ 308.000, -. Het hof begrijpt uit de voormelde gang van zaken dat het hoofd bij de vaststelling van de onder punt 2.1 genoemde beschikking ervan uitgegaan is dat zich een verandering van de bestemming van de onroerende zaak ingevolge artikel 19, tweede lid onderdeel b, van de Wet had voorgedaan, wat een beschikking ex artikel 25 van de Wet rechtvaardigde.

5.4 Belanghebbende stelt, hetgeen niet wordt betwist door het hoofd, dat een verandering van het gebruik door belanghebbende van - de grond van - de onroerende zaak niet heeft plaatsgevonden. Het hoofd stelt ter zitting dat zijn constatering in oktober 1999 van de verandering van de bestemming van de onroerende zaak een wijziging van de eerdere waardevaststelling ad ƒ 224.000, - rechtvaardigde. Ter zitting stelt hij tevens dat de verandering van de bestemming reeds bij de eerste waardevaststelling voor de Wet door hem geconstateerd had moeten worden.

Op grond hiervan staat voor het hof vast dat in het betreffende tijdvak zich niet een verandering van de bestemming van de onroerende zaak heeft voorgedaan. Voor een wijziging van de waardevaststelling ingevolge artikel 19, tweede lid onderdeel b, juncto artikel 25 van de Wet is derhalve geen plaats. Het voorgaande brengt tevens met zich dat ook een herziening van de waarde ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Wet niet op zijn plaats is, nu het hoofd bij het vaststellen van de waarde op ƒ 224.000, -, welke is vermeld in de eerdere beschikking, bekend was met dan wel redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, met de door hem vermeende wijziging van de bestemming van de onroerende zaak.

5.5 Het beroep van belanghebbende treft doel.

6. De proceskosten

Het hof acht termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Het hof veroordeelt het hoofd in de kosten, die belanghebbende in verband met het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten het hof op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht beperkt tot op de reiskosten van de woonplaats van belanghebbende naar de mondelinge behandeling te Assen, zijnde 34 kilometer x ƒ 0,60 = ƒ 20,40. Deze kosten dienen te worden gedragen door de gemeente Noordenveld.

7. De beslissing.

Het gerechtshof verklaart het beroep van belanghebbende gegrond; en

- vernietigt de uitspraak van het hoofd; en

- vernietigt de onderhavige beschikking en

stelt de waarde van de onroerende zaak, a-weg 2 te Z vast op ƒ 224.000, - voor de periode 1997 tot en met 2000; en

- gelast het hoofd aan belanghebbende het verschuldigde griffierecht ad ƒ 60, - te vergoeden; en

- veroordeelt het hoofd tot betaling van een tegemoetkoming van de kosten, die belanghebbende in verband met het beroep op het hof heeft moeten maken, te bepalen op een bedrag van ƒ 20,40 welke kosten dienen te worden gedragen door de gemeente Noordenveld.

Gedaan op 15 juni 2001 door mr. H.H.A. Fransen, lid van de vijfde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van de griffier mr. K. de Jong-Braaksma en ondertekend door voornoemde raadsheer en door voornoemde griffier.

Op 20 juni 2001 afschrift aangetekend verzonden aan beide partijen.

De griffier van het Gerechtshof te Leeuwarden.