Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:AB2142

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
03-05-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
755/00
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2001/1144
FutD 2001-1184
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

enkelvoudige belastingkamer

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

3 mei 2001

nummer : 755/00

belanghebbende : X

te : Z

tegen : het hoofd van de afdeling financiën van de gemeente X (: het hoofd)

aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaarschrift

naheefingsaanslag : parkeerbelasting

datum/tijd/kenteken : 9-8-00/11:27/YY-YY-00

mondelinge behandeling : op 19 april 2001 te Leeuwarden door prof. mr. Aardema, vice-president, in tegenwoordigheid van dhr. Gerrits als griffier

verschenen : de gemachtigde van het hoofd bijgestaan door dhr. A, adjunct-directeur B b.v. terwijl belanghebbende, hoewel opgeroepen per aangetekende brief, niet is verschenen

geschilpunt : rechtsgrond naheffingsaanslag

Beslissing: Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Rechtsoverwegingen:

1. Belanghebbendes auto met het bovengenoemde kenteken stond op voormeld tijdstip in de a-straat te L geparkeerd.

2. Bij controle bleek niet dat de belanghebbende de op grond van de artikelen 1 tot en met 5 (+ tarieventabel) van de op de artikelen 219 en 225 van de Gemeentewet berustende Verordening parkeerbelastingen 1999 van de gemeente L (: de Verordening) verschuldigde parkeerbelasting op de in artikel 6, eerste lid van de Verordening vermelde tijd en wijze had betaald.

De parkeercontroleur constateerde dat er geen parkeerkaartje achter de voorruit was geplaatst.

3. De belanghebbende weerspreekt dat niet doch hij stelt - kort weergegeven - dat hij ontheffing had van het betalen van parkeergeld om reden dat aan hem een parkeervergunning was verstrekt; zijnde een zgn. bezoekersvergunning.

4. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt met zich mee, dat het hoofd tegenover de betwisting door belanghebbende zijn stelling, dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, aannemelijk maakt.

5. Het hoofd heeft onder meer aangevoerd:

a. dat onder andere de zgn. bezoekersvergunning wordt afgegeven;

b. dat op laatstbedoelde vergunningen geen kentekens van auto's worden vermeld en in verband daarmee geen kentekenregistratie wordt bijgehouden;

c. dat in dezen een vergunning bestemd voor meerdere auto's is afgegeven;

d. dat een auto wordt gecontroleerd door twee parkeercontroleurs die het dashboard, de hoedenplank en - voor zover mogelijk - ook overigens de auto inwendig controleren;

e. dat die controleurs geen parkeervergunning in belanghebbendes auto hebben waargenomen.

6. De belanghebbende maakt, tegenover de onder de gegeven omstandigheden door het hof geloofwaardig geachte verklaringen van het hoofd, met hetgeen hij aanvoert niet aannemelijk, dat op voormeld tijdstip de desbetreffende parkeervergunning zichtbaar achter de voorruit van de auto was geplaatst dan wel elders in de auto aanwezig was.

7. Op door de B b.v. afgegeven parkeervergunningen bestemd voor meerdere auto's zijn niet de kentekens van de desbetreffende auto's vermeld, terwijl voorts noch door de Parkeercombinatie noch door het hoofd op dit punt een kentekenadministratie wordt bijgehouden.

Deze omstandigheden brengen met zich mee, dat een houder van een dergelijke vergunning, zoals het hoofd terecht stelt, met het ná het opleggen van een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting tonen van die vergunning niet onomstotelijk aantoont dat voor het desbetreffende voertuig voorafgaand aan het parkeren belasting is betaald. De afgegeven vergunning kan immers ten tijde van de controle zijn geplaatst in een ander voertuig, waarmee eveneens wordt geparkeerd op een parkeerplaats waarvoor parkeerbelasting verschuldigd is. Deze omstandigheden brengen met zich mee, dat belanghebbendes verwijzing naar de bezoekersvergunning hem niet kan baten.

8. Het hoofd heeft gelet op het hiervoren overwogene aannemelijk gemaakt dat de onderhavige naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Aldus vastgesteld en in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2001 te Leeuwarden.

Gedaan door prof. mr. Aardema, vice-president, lid van de eerste enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van dhr. Gerrits als griffier.

De griffier lid van deze kamer

J.M. Gerrits prof. mr. Aardema