Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:AB1967

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
01-06-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
397/00
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2001-1119
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nr. 397/00 1 juni 2001

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, vijfde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van

X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van het Centraal bureau motorrijtuigenbelasting te Apeldoorn (: de inspecteur) gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting over het tijdvak 5 december 1998 tot en met 4 december 1999.

1. Ontstaan en loop van het geding.

Aan belanghebbende werd betreffende het tijdvak 5 december 1998 tot en met 4 december 1999 een naheffingsaanslag in het kader van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (: de Wet) opgelegd ten bedrage van

( 2.716,-, inclusief 100% aan boete. Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 7 april 2000 voormelde aanslag gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen door middel van een beroepschrift (met bijlagen), dat op 8 mei 2000 is ingekomen. De inspecteur heeft op 14 augustus 2000 een verweerschrift (met bijlagen) ingezonden.

De zaak is behandeld ter zitting van het hof op 14 maart 2001 gehouden te Assen. Verschenen is de inspecteur. Belanghebbende is ondanks oproeping bij aangetekend schrijven niet verschenen.

Het hof heeft op 28 maart 2001 mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal per aangetekende post, ter post bezorgd op 10 april 2001, aan partijen is verzonden.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

Bij brief, ingekomen op 23 april 2001, heeft

de inspecteur verzocht vorenbedoelde uitspraak te vervangen door een schriftelijke overeenkomstig artikel 27d, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. De inspecteur heeft daartoe op 9 mei 2001 het verschuldigde griffierecht ad ( 315, - voldaan.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken staat het volgende onbetwist, althans onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1. Blijkens kentekenregistratie is belanghebbende houder van een personenauto van het merk Mercedes Benz met kenteken YY-YY-00. Belanghebbende is houder van deze auto sedert 17 oktober 1998, zijnde de datum van afgifte van deel II op zijn naam. De datum van het kentekenbewijs deel I is 5 september 1994.

2.2. Op 11 september 1999 is gebruik van de openbare weg, de Floresstraat te L, met het voormelde voertuig geconstateerd tijdens een voor dat voertuig geldende schorsing als bedoeld in hoofdstuk IV, paragraaf 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (: WVW) vanaf 21 oktober 1998. Belanghebbende heeft voormeld voertuig gestald in een garage aan de Floresstraat te L. Een monteur van deze garage heeft de auto, welke niet voorzien was van een motor, op 11 september 1999 voor een korte tijd op de openbare weg geplaatst.

2.3. Op grond van het voormelde gebruik is op 6 maart 2000 door de inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag ten bedrage van ( 2.716, - opgelegd. Dit bedrag betreft motorrijtuigenbelasting ten bedrage van ( 1.358, - en een boete van 100 procent van voormelde belasting, zijnde ( 1.358, -.

3. Het geschil.

In geschil is de naheffing en de hoogte van de boete.

4. De standpunten van partijen.

Verwezen wordt naar de gedingstukken. De inspecteur heeft ter zitting zijn standpunt gehandhaafd en geen nadere gronden toegevoegd.

5. De overwegingen omtrent het geschil.

5.1. Artikel 1, aanhef en onderdeel a, van de Wet bepaalt dat motorrijtuigenbelasting wordt geheven ter zake van het houden van een personenauto. In artikel 7, eerste lid aanhef en onderdeel a, van de Wet wordt de houder omschreven als degene op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken is gesteld in het kentekenregister als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de WVW. Op grond van het voorgaande en de feiten vermeld onder punt 2.1. is belanghebbende vanaf 17 oktober 1998 belastingplichtig voor de Wet.

5.2. In artikel 19, eerste lid, van de Wet wordt bepaald dat de belasting niet wordt geheven over tijdvakken die aanvangen tijdens een voor dat motorvoertuig geldende schorsing als bedoeld in hoofdstuk IV, paragraaf 6, WVW. Tussen partijen is niet in geschil dat de betreffende personenauto van belanghebbende vanaf 21 oktober 1998 in voorgaande zin geschorst was. Tevens is tussen partijen niet in geschil dat op 11 september 1999 met het voormelde voertuig gebruik is gemaakt van de openbare weg. Op grond van het voorgaande heeft de inspecteur artikel 35, eerste twee leden, van de Wet toegepast en een bedrag van ( 1.358, - nageheven over de periode van 5 december 1998 tot en met 4 december 1999, wat het hof niet onjuist voorkomt. De stelling van belanghebbende dat hem geen verwijt treft aangezien een monteur de personenauto op de openbare weg heeft geplaatst doet aan voorgaande niets af. Voor zover het hof belanghebbende begrijpt dat deze zich beroept op het ontbreken van een motor waardoor niet voldaan wordt aan het begrip motorrijtuig in de zin van de Wet is het hof van oordeel dat een auto door het ontbreken van de motor zijn identiteit als motorrijtuig niet verliest.

5.3. De boete ter zake van het vorenomschreven verzuim is opgelegd conform paragraaf 34 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998.

Belanghebbende stelt dat hem geen verwijt treft aangezien een monteur de betreffende personenauto op de openbare weg heeft geplaatst. Het hof is van oordeel dat op belanghebbende als eigenaar van de personen een zorgplicht rust om maatregelen te treffen waardoor het vorenomschreven verzuim niet plaats zou kunnen vinden. Daarvan is het hof niet gebleken. Van afwezigheid van alle schuld is derhalve geen sprake. Desalniettemin vindt het hof in de onder punt 2.2. (in de mondelinge uitspraak is abusievelijk verwezen naar de overwegingen in 2.3.) weergegeven omstandigheden aanleiding om de boete te matigen tot op een bedrag van ( 300, -.

6. De proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. De beslissing.

Het gerechtshof verklaart het beroep van belanghebbende gedeeltelijk gegrond; en

- vernietigt de uitspraak van de inspecteur; en

- vermindert de onderhavige aanslag tot een aanslag van

f. 1.358,-- aan enkelvoudige belasting en f. 300,-- aan boete; en

- gelast de inspecteur aan belanghebbende het verschuldigde griffierecht ad ( 60, - te vergoeden.

Gedaan op 1 juni 2001 door mr. H.H.A. Fransen, lid van de vijfde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van de griffier mr. K. de Jong-Braaksma en ondertekend door voornoemde raadsheer en door voornoemde griffier.

Op 6 juni 2001 afschrift aangetekend verzonden aan beide partijen.

De griffier van het Gerechtshof te Leeuwarden.