Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:AB1964

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
01-06-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
318/99
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nr. 318/99 1 juni 2001

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen van de belastingdienst te Emmen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde naheffingsaanslag in de loonbelasting voor het jaar 1991.

1. Ontstaan en loop van het geding.

Aan belanghebbende werd voor het jaar 1991 een naheffingsaanslag in de loonbelasting opgelegd tot een bedrag van f.67.321,31 aan nageheven enkelvoudige belasting, f.20.225,-- aan heffingsrente en f.67.321,-- boete.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 22 april 1999 de aanslag gehandhaafd.

Bij het in die uitspraak vervatte kwijtscheldingsbesluit heeft de inspecteur de verhoging gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak (en het daarin vervatte kwijtscheldingsbesluit) in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 1 juni 1999 is ingekomen.

Nadat de inspecteur zijn vertoogschrift (met bijlagen) heeft ingezonden, heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 22 februari 2001, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbende en de inspecteur.

Ter voormelde zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

Van alle genoemde stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Het geschil.

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd.

3. De standpunten van partijen.

Belanghebbende heeft op gronden, gelijk vervat in zijn beroepschrift en voormelde pleitnota, het standpunt ingenomen dat de naheffingsaanslag ten onrechte aan hem is opgelegd, daar niet hij maar de vennootschap onder firma V.o.f.Recreatieoord Camping A de inhoudingsplichtige was, gelijk ook in het rapport naar aanleiding van een door de belastingdienst ingesteld boekenonderzoek vermeld.

De inspecteur heeft op gronden, gelijk weergegeven in zijn vertoogschrift, met dit standpunt van belanghebbende ingestemd en meegedeeld dat de aanslag alsnog is verminderd tot nihil.

De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat aan belanghebbende van de vermindering nog geen bericht is gezonden, zodat hij ervan uitgaat dat die vermindering nog niet is gerealiseerd.

4. De overwegingen omtrent het geschil.

4.1 Nu partijen alsnog eenparig zijn in hun standpunt dat de naheffingsaanslag ten onrechte aan belanghebbende is opgelegd, en het hof niet is gebleken dat dit standpunt onjuist zou zijn, terwijl tevens niet is gebleken dat de aanslag inmiddels tot nihil is teruggebracht, dienen de bestreden uitspraak en de aanslag te worden vernietigd.

4.2 Het beroep is derhalve gegrond.

4.3 In de omstandigheden van het geval vindt het hof aanleiding op grondt van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken de inspecteur te veroordelen in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten het hof op grond van het Besluit proceskosten fiscale procedures bepaalt op f.710,-- en welke kosten dienen te worden gedragen door de Staat der Nederlanden.

5. De beslissing.

Het hof

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak van de inspecteur en de naheffingsaanslag;

veroordeelt de inspecteur de kosten aan belanghebbende te vergoeden, die deze heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, te bepalen op f.710,-- ;

wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten dient te dragen;

bepaalt dat het betaalde griffierecht ad f.85,-- aan belanghebbende wordt vergoed door de inspecteur.

Gedaan op 1 juni 2001 door mr. Pruiksma, vice-president als voorzitter, mr. Drion en mr. Fransen, raadsheren, in tegenwoordigheid van de griffier Gerrits en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juni 2001 te Leeuwarden door mr. Drion.

Op 6 juni 2001 afschrift aangetekend verzonden aan beide partijen.

De griffier van het Gerechtshof te Leeuwarden.