Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:AB1959

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
01-06-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
787/98
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nr. 787/98 1 juni 2001

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, vijfde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van

X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid Particulieren van de Belastingdienst te Hengelo, vestiging Zwolle (: de inspecteur) gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1996.

1. Ontstaan en loop van het geding.

Aan belanghebbende werd over het jaar 1996 een aanslag voor de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (: de Wet) opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen van

ƒ 13.232, -. Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 23 april 1998 voormelde aanslag gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen door middel van een beroepschrift (met bijlagen), dat op 13 mei 1998 is ingekomen. De inspecteur heeft op 2 november 1998 een vertoogschrift (met bijlagen) ingezonden. Op 16 november 1999 heeft belanghebbende het hof een schrijven (met bijlage) doen toekomen. De zaak is behandeld ter zitting van het hof op 13 juli 2000 en op 17 januari 2001 gehouden te Assen. Op beide zittingen is verschenen belanghebbende, bijgestaan door zijn echtgenote, alsmede de inspecteur, die op 17 januari 2001 werd bijgestaan door een medewerker van zijn eenheid. Na de zitting van 13 juli 2000 heeft de inspecteur op 6 september 2000 het hof nadere schriftelijk informatie verstrekt conform het ter zitting van 13 juli 2000 gedane verzoek van het hof. Belanghebbende heeft hierop gereageerd middels schrijven ingekomen op 3 oktober 2000 en op 20 december 2000. Ter zitting van 17 januari 2001 heeft de inspecteur een opstelling van teruggaven inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 1993 tot en met 1996 aan het hof overlegd.

Het hof heeft op 31 januari 2001 mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal per aangetekende post, ter post bezorgd op 12 februari 2001, aan partijen is verzonden.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

Bij brief, ingekomen op 22 februari 2001, heeft belanghebbende verzocht vorenbedoelde uitspraak te vervangen door een schriftelijke overeenkomstig artikel 17b van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Belanghebbende heeft daartoe op 18 april 2001 het verschuldigde griffierecht ad ƒ 150, - voldaan.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat het volgende onbetwist, althans onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1 Belanghebbende heeft in de jaren vóór 1987 ten onrechte bijstand genoten van de gemeente Z. Bij beschikking van de Kantonrechter te L, welke beschikking is bevestigd door de rechtbank L, is de daaruit voortvloeiende vordering van de gemeente bepaald op f 121.204,54, vermeerderd met de wettelijke rente. De maandelijkse inhouding door de gemeente op de uitkering van belanghebbende ten bedrage van f 105 ter voldoening aan de openstaande vordering, is in de betreffende aangiften van belanghebbende steeds aangemerkt als negatief loon en door de inspecteur als zodanig geaccepteerd.

Op 23 januari 1990 zijn de executoriale titels betekend door de gerechtsdeurwaarder en vervolgens heeft hij twee keer een openbare verkoop van de aan belanghebbende toebehorende goederen gehouden. De opbrengsten van de onderscheiden verkopen in 1990 en 1991 bedroegen respectievelijk f 53.011,60 en

f 44.143,58. De opbrengsten van deze verkopen zijn van de uitstaande vordering afgeboekt.

2.2 De inspecteur heeft beide uit de verkopen verkregen bedragen en de daarop volgende afboeking op de vordering aangemerkt als terugbetaling van ten onrechte genoten inkomsten.

2.3 De inspecteur heeft - kort gezegd - het bedrag van (afgerond) f 53.011 verrekend in 1990 (f 14.259, -) alsmede op grond van artikel 51 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (middels de zogenaamde carry-back of carry-forward) met de positieve inkomens over de jaren 1987 (15.000), 1988 (f 9.201), 1989 (f 10.135) en 1992 (f 3.804). In verband met een door de inspecteur gemaakte rekenfout is een deel van de

f 53.011 -groot f 612- aanvankelijk niet verrekend.

2.4 Het bedrag van (afgerond) f 44.143 heeft de inspecteur - kort samengevat - verrekend in 1991

(f 13.118) en (middels carry-forward) met de (resterende) positieve inkomens over 1992 (f 9.890), 1993 (f 15.292) en 1994 (f 5.843).

2.5 In verband met een door de gemeente Z bij de ontvanger van de belastingdienst gelegd executoriaal derdenbeslag, is door de ontvanger in januari 1995 overgegaan tot uitbetaling van de uit de verliesverrekeningen over de jaren 1987 tot en met 1993 voortvloeiende teruggaven -van in totaal f 16.292- aan de gemeente Z. De gemeente heeft dit bedrag met de openstaande vordering verrekend.

Het bedrag van f 16.292 is door de inspecteur eveneens aangemerkt als negatief inkomen en vervolgens verrekend met het positieve inkomen over 1995 (f 13.324) en (middels carry-back) met het resterende positieve inkomen over 1994 (f 2.968).

2.6 Het onder 2.3 vermelde bedrag van f 612 had nog kunnen worden verrekend met het resterende positieve inkomen over 1994, doch de inspecteur heeft dit bedrag om praktische reden met het inkomen over 1996 verrekend.

Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar in zijn aangiftebiljet een bedrag van f 5.000 aan onverrekende verliezen vermeld. De inspecteur heeft een bedrag van

f 4.388 gecorrigeerd.

2.7 Bij beschikking van 17 september 1999 heeft de inspecteur in verband met een omissie van zijn kant -het belastbare inkomen was weliswaar correct vastgesteld doch er was onvoldoende terug gegeven- zorggedragen voor een nadere teruggave over het jaar 1993.

2.8 In het jaar 2000 is de inspecteur middels de advocaat van belanghebbende ter kennis gekomen dat de gemeente Z belanghebbende in 1990 f 1000 leenbijstand heeft verstrekt in de vorm van overdracht aan belanghebbende van zijn in beslag genomen inboedel. De terugbetaling heeft de inspecteur aangemerkt als negatief loon en, hoewel het positieve inkomen over 1994 daarvoor nog ruimte bood, verrekend met het positieve inkomen over 1996. Deze teruggaaf is gerealiseerd bij de ambtshalve vermindering met de dagtekening 13 juli 2000. Het belastbaar inkomen over het jaar 1996 is uiteindelijk vastgesteld op f 12.232.

3. Het geschil.

In geschil is het antwoord op de vraag of de verrekening van de uit de executoriale verkopen verkregen bedragen met de schuld van belanghebbende aan de gemeente Z dan wel andere omstandigheden tot een lager belastbaar inkomen over het onderhavige jaar leiden dat de inspecteur voorstaat. Deze vraag beantwoordt belanghebbende bevestigend, de inspecteur ontkennend.

4. De standpunten van partijen.

Verwezen wordt naar de gedingstukken.

5. De overwegingen omtrent het geschil.

5.1 Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur, gelet op de voormelde feiten, het belastbare inkomen over het jaar 1996 (uiteindelijk) niet op een te hoog bedrag vastgesteld. Het tegendeel is niet aannemelijk geworden.

Voor zover belanghebbendes bezwaren zijn gericht tegen het uitbetalen van de teruggaven ter zake van de verliesverrekening aan de gemeente Z, kunnen deze bezwaren in de onderhavige belastingprocedure niet aan de orde komen.

5.2 Het belastbaar inkomen dient derhalve te worden verminderd tot f 12.232.

6. De proceskosten

Gelet op de omstandigheid dat de inspecteur pas in de beroepsfase middels belanghebbendes advocaat kennis heeft gekregen van (de achtergrond van) de verstrekte leenbijstand en hij de aanslag vervolgens ambtshalve heeft verminderd, acht het hof geen termen aanwezig te komen tot een veroordeling in een tegemoetkoming van proceskosten in de onderhavige beroepszaak.

7. De beslissing.

Het hof vernietigt de uitspraak van de inspecteur; en

vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van f 12.232, - en

gelast de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht aan hem te vergoeden.

Gedaan op 1 juni 2001 door mr. H.H.A. Fransen, lid van de vijfde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van de griffier mr. K. de Jong-Braaksma en ondertekend door voornoemde raadsheer en door voornoemde griffier.

Op 6 juni 2001 afschrift aangetekend verzonden aan beide partijen.

De griffier van het Gerechtshof te Leeuwarden.