Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:AB1781

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
18-05-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
762/00
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2001-1025
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nr. 762/00 18 mei 2001 Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, derde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid Particulieren van de Belastingdienst te Leeuwarden (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1999.

1. Ontstaan en loop van het geding

Belanghebbende werd voor het jaar 1999 in de inkomsten-belasting/premie volksverzekeringen aangeslagen naar een belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomsten-belasting 1964, gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold, (hierna te noemen: de Wet) van ƒ 39.760, -.

Op het bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 27 september 2000 de aanslag gehandhaafd. Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 16 oktober 2000 is ingekomen. De inspecteur heeft zijn verweerschrift (met bijlagen) op 27 december 2000 ingezonden. Belanghebbende heeft daarop een conclusie van repliek (met bijlagen) ingezonden. Van de conclusie van repliek werd een afschrift gezonden aan de inspecteur, die daarop een conclusie van dupliek (met bijlagen) inzond.

De conclusie van repliek werd door belanghebbende aangevuld bij schrijven gedagtekend 23 februari 2001 en 7 maart 2001, waarvan een afschrift werd gezonden aan de inspecteur. Vervolgens heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 10 april 2001, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig was de inspecteur. Belanghebbende is met kennisgeving niet verschenen.

Van alle vermelde (en hierna nog te vermelden) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken staat het volgende tussen partijen als onbetwist, althans onvoldoende betwist, vast:

2.1 Belanghebbende, geboren op 3 januari 1932 en gescheiden van mevrouw A, ontvangt op zijn bankrekening in het onderhavige jaar in totaal ƒ 31.270,80 netto van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (: ABP). De aan zijn gewezen echtgenote toegekomen alimentatie bedraagt

ƒ 13.973, -. voor welke betaling het ABP zorg draagt door deze in te houden op de netto-inkomsten van belanghebbende.

2.2 Belanghebbende doet aangifte voor de inkomstenbelasting/

premie volksverzekeringen 1999 naar een belastbaar inkomen ten bedrage van ƒ 15.744, -. Hij geeft op als inkomsten uit vroegere arbeid een bedrag van ƒ 29.332, -, daarbij vermeldend dat dit een nettobedrag betreft. Ter zake van de inkomsten met betrekking tot de eigen woning geeft hij ingevolge artikel 42a van de Wet een bedrag van ƒ 1.404, - aan. Als betaalde alimentatie brengt hij voorts een bedrag van ƒ 13.937, - in aftrek op het zuivere inkomen.

2.3 De inspecteur corrigeert de voormelde aangifte in die zin dat hij als inkomsten uit vroegere arbeid een bedrag van

ƒ 53.348, - hanteert, welk bedrag overeenkomt met de door het ABP als inhoudingsplichtige verstrekte jaaropgaaf. In de onderhavige aanslag neemt de inspecteur het bedrag van

ƒ 1.404, - over van de aangifte en stelt hij het belastbaar inkomen vast op ƒ 39.760.

2.4 In zijn verweerschrift stelt de inspecteur dat in plaats van

ƒ 1.404,- een bedrag van ƒ 1.400, - in aanmerking genomen had moeten worden als inkomsten uit vermogen. Met deze stelling stemt belanghebbende in.

3. Het geschil en standpunten van partijen

3.1 In geschil is de vraag of het door belanghebbende in 1999 ontvangen bedrag van het ABP ad ƒ 31.270,80 netto als inkomsten uit vroegere arbeid aangemerkt kan worden, welke vraag belanghebbende in zijn beroepschrift en zijn daarop volgende schrijven herhaaldelijk bevestigend beantwoordt. Zijn motivering daarvoor is dat hij "geen keus heeft", hetgeen hij niet nader motiveert. De inspecteur bestrijdt de stelling van belanghebbende en stelt dat uitgegaan moet worden van het bruto-bedrag van ƒ 53.348,--.

3.2 Ter zake van de hoogte van het huurwaardeforfait verschillen partijen niet meer van mening.

Vooreerst en vooraf

In zijn schrijven van 23 februari 2001 doet belanghebbende een verzoek tot uitstel van de mondelinge behandeling. Zijn motivering van het verzoek is als volgt:

"De motivering luidt aldus conform art. 8:56 AWB, dat de door belanghebbende ingeschakelde getuige pas in het begin van het jaar 2002 tot zijn beschikking staat. Tevens heeft belanghebbende géénzins de tijd om op dinsdag 10 april 2001 om 10.10 uur aanwezig te zijn ingevolge van drukke werkzaamheden, welke werkzaamheden de hoogste prioriteit hebben. Het genoemde tijdstip van 10.10 uur des voormiddags is naar inzicht van belanghebbende onjuist vastgesteld en derhalve verzoekt hij het Gerechtshof dit tijdstip te willen wijzigen in 2.10 uur des namiddags bij voorkeur in de maand mei van het jaar 2002."

Omtrent dit verzoek oordeelt het hof als volgt:

Naar het oordeel van het hof betreft het geschil een relatief eenvoudige zaak. Waarop het getuigenbewijs betrekking heeft is door belanghebbende niet omschreven. Tevens is niet door hem aangegeven wie als getuige moet worden gehoord. Aan het niet-omschreven aanbod tot getuigenbewijs gaat het hof derhalve voorbij. Voorts heeft belanghebbende geen concrete omstandigheden aangevoerd, waaruit gewichtige redenen voortvloeien die een uitstel van de mondelinge behandeling zouden kunnen rechtvaardigen. Op grond van voorgaande wordt het verzoek tot uitstel afgewezen.

4. Rechtsoverwegingen

4.1 Ingevolge artikel 22, eerste lid, onderdeel a, zijn de inkomsten uit arbeid alle niet als winst uit onderneming aan te merken voordelen die worden genoten als loon uit dienstbetrekking, waarbij ingevolge het tweede lid van voormeld artikel de begrippen loon en dienstbetrekking worden opgevat overeenkomstig de wettelijke bepalingen betreffende de loonbelasting uitzonderingen daargelaten.

Artikel 10, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 bepaalt dat loon is al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten. Uit de feiten maakt het hof op dat belanghebbende in het onderhavige jaar van het ABP loon uit vroegere dienstbetrekking geniet.

4.2 Blijkens artikel 28, eerste lid, onderdelen d en e, van de Wet op de loonbelasting 1964 is de inhoudingsplichtige gehouden volgens bij ministeriële regeling te stellen regels aan de inspecteur en aan de werknemer opgave te verstrekken van het in het kalenderjaar door de werknemer genoten loon, van de ingehouden belasting en van andere gegevens welke van belang kunnen zijn voor de heffing van de inkomstenbelasting. Deze jaaropgaaf is aan belanghebbende en aan de inspecteur verstrekt. De juistheid van de gegevens vermeld op de aan de inspecteur en aan belanghebbende verstrekte jaaropgaaf is tussen partijen niet in geschil. Op grond van voorgaande is het hof van oordeel dat een bedrag van ƒ 53.348, - als inkomsten uit dienstbetrekking in aanmerking moet komen. In zoverre is het beroep ongegrond.

4.3 Voor zover belanghebbende een beroep doet op rechtens te beschermen vertrouwen opgewekt door de hoogte van teruggaven, welke betrekking hebben op de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 1994 tot en met 1997, heeft hij niet gesteld en niet aannemelijk gemaakt dat deze een bewuste standpuntbepaling van de inspecteur betreffen omtrent de hoogte van de inkomsten uit dienstbetrekking.

4.4 De inspecteur stemt in met de hoogte van het huurwaardeforfait ad ƒ 1.400, -. Het belastbaar inkomen van belanghebbende voor het onderhavige jaar dient derhalve vastgesteld te worden op een bedrag van ƒ 39.756, -.

Het beroep is gedeeltelijk gegrond.

5. Conclusie

Het beroep van belanghebbende treft gedeeltelijk doel.

6. Proceskosten

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, daar van dergelijke kosten niet is gebleken.

7. De beslissing

Het hof verklaart het beroep van belanghebbende gegrond; en

vernietigt de uitspraak op bezwaar ten dele; en

stelt het belastbaar inkomen vast op ƒ 39.756, -; en

gelast de inspecteur het griffierecht ad ƒ 60, - aan belanghebbende te vergoeden.

Gedaan op 18 mei 2001 door mr. Huiskes, raadsheer, plaatsvervangend lid van de derde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mevrouw mr. De Jong-Braaksma als griffier en ondertekend door voornoemde raadsheer en door voornoemde griffier.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 mei 2001 te Leeuwarden door mr. Drion, raadsheer.

Op 23 mei 2001 afschrift aangetekend verzonden aan beide partijen.

De griffier van het Gerechtshof te Leeuwarden.