Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:AB1487

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
04-05-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/30089
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2001/35.13 met annotatie van Redactie
V-N 2002/9.1.6
FutD 2001-0944
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 99/30089

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen te Heerenveen van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de beschikking vaststelling verkrijgingsprijs van de aandelen van belanghebbende in A B.V. te Z per 1 januari 1997.

1. Ontstaan en loop van het geding

De beschikking vaststelling verkrijgingsprijs van de aandelen van belanghebbende in A B.V. vermeldt een verkrijgingsprijs van f 578.000,--. Daarbij is uitgegaan van een goodwill van f112.500,--.

Na bezwaar heeft de Inspecteur de beschikking gehandhaafd.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 1 maart 2001 te Leeuwarden. Aldaar zijn verschenen en gehoord mr. B, verbonden aan C Belastingadviseurs te L, als gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door de heer D, alsmede mw. E, bijgestaan door de heer F, namens de Inspecteur.

Partijen hebben ter zitting ieder een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota's moet als hier ingelast worden aangemerkt.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende, geboren op 11 oktober 1949, dreef tot en met het jaar 1996 in de vorm van een vennootschap onder firma samen met zijn echtgenote, mw. G, een onderneming.

2.2. De ondernemingsactiviteiten bestonden uit het ontwerpen, produceren en verkopen van designmeubels, alsmede de in- en verkoop van moderne en antieke meubels.

2.3. Op 26 september 1997 sloten de vennoten een voorovereenkomst tot oprichting van een besloten vennootschap. Op 17 december 1997 kwam er een verzoek ex artikel 18 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (: de Wet) bij de Inspecteur binnen. De besloten vennootschap met de naam A B.V. werd op 30 maart 1998 opgericht (: de B.V.).

2.4. De resultaten kwamen vanaf 1 januari 1997 voor rekening van de B.V..

2.5. Bij de bepaling van de verkrijgingsprijs van de aandelen in de B.V. is de Inspecteur uitgegaan van een goodwill van

f 225.000,-- per 1 januari 1997 ofwel per firmant f112.500,--.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is uitsluitend in geschil het antwoord op de vraag of de door de Inspecteur vastgestelde goodwill als niet te laag kan worden beschouwd of dat, zoals belanghebbende bepleit, deze hoger moet worden vastgesteld en wel op

f 1.136.000,-- subsidiair f 1.240.000,-- voor beide firmanten samen.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting geen argumenten toegevoegd.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vaststelling van de waarde van de goodwill op primair f 1.136.000,-- en subsidiair

f 1.240.000,-- voor beide firmanten samen.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. Belanghebbende stelt primair dat uitgegaan moet worden van de "discounted cash flow" methode (: DCF-methode) die in de markt als enig juiste zou worden aanvaard.

De Inspecteur laat in een meer conventionele berekening (zie verweerschrift bladzijde 5 onderste helft en bladzijde 6 bovenste helft) zien dat een goodwill van f 225.000,-- voor beide firmanten samen nog aan de hoge kant zou zijn.

Subsidiair berekent belanghebbende een goodwill van

f 1.240.000,--.

4.2. Het Hof is van oordeel dat de primaire en subsidiaire berekeningen van belanghebbende, wat daar overigens van zij, te veel, immers vrijwel uitsluitend, uitgaan van onzekere factoren in de toekomst, dus na 1 januari 1997.

Reeds daarom verwerpt het Hof deze berekeningen.

De Inspecteur berekent in zijn verweerschrift de goodwill per 1 januari 1997 als volgt.

Winst 1995 f 280.000,-- x 1 = f 280.000,--

winst 1996 f 306.000,-- x 2 = f 612.000,--

winst 1997 f 540.000,-- x 3 = f 1.620.000,--

f 2.512.000,--*) : 6 =

gemiddelde winst (afgerond) f 419.000,--

*) De Inspecteur vermeldt hier kennelijk

per vergissing f 2.602.000,--.

af: arbeidsbeloning voor belanghebbende

en echtgenote samen f 225.000,--

af: rente geïnvesteerd vermogen

10% van f 1.300.000,-- f 130.000,--

overwinst f 64.000,--

rekening houdend met factor 3 komt

de Inspecteur op f 192.000,--

De Inspecteur houdt in deze berekening ook rekening met de winst over 1997 en laat deze zelfs het zwaarst meetellen. Dit is in het onderhavige geval, gezien vanuit belanghebbendes standpunt, gunstig voor de hoogte van de goodwill. Het Hof acht geen reden aanwezig winsten na 1 januari 1997 nog meer te laten meewegen, omdat het er per slot van rekening om gaat wat een willekeurige derde per 1 januari 1997 voor de goodwill zou willen betalen.

Gelet op de onder 2.2 vermelde ondernemingsactiviteiten en de daarvoor vereiste kwaliteiten is naar het oordeel van het Hof een arbeidsbeloning van f 225.000,-- voor belanghebbende en echtgenote samen passend.

Naar 's-Hofs oordeel is bij een onderneming als de onderhavige sprake van conjunctuurgevoeligheid. Als de besteedbare inkomens teruglopen, zal een onderneming in luxueuze goederen daar immers zeker de gevolgen van ondervinden. In verband hiermee is de factor 3 reëel te noemen, alsmede met het oog op het risico, dat gepaard gaat met deze conjunctuurgevoeligheid, het rentepercentage van 10.

Het Hof kiest dan ook voor het uitgangspunt van de Inspecteur.

Hieruit volgt dat een goodwill van f 112.500,-- per firmant

niet te laag is.

4.3. Gelet op het voorgaande is er geen aanleiding de onderhavige beschikking te herzien en dient te worden beslist als volgt.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en evenmin voor een veroordeling van de Inspecteur wegens kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase en de periode daarvoor.

6. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 4 mei 2001 door mr. F.J.W. Drion, voorzitter, mr. J. Huiskes en mr. H.H.A. Fransen, in tegenwoordigheid van mr. M. Hiemstra, griffier, en op die dag in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend aan partijen verzonden op: 9 mei 2001