Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:AB0154

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
16-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
113/99
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2001-0382

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nr. 113/99 16 februari 2001

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X BV te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid Ondernemingen van de Belastingdienst te Emmen, vestiging Assen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting met als tijdvak vermeld 1 januari 1995 tot en met 31 december 1995.

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan belanghebbende werd op 25 augustus 1998 een aanslag voor de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) opgelegd te bedrage van ƒ 50.910,-- aan enkelvoudige belasting en ƒ 4.039,-- aan heffingsrente. Op deze aanslag staat als tijdvak vermeld 1 januari 1995 tot en met 31 december 1995.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 15 januari 1999 de aanslag gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een pro-forma beroepschrift, hetwelk op 25 februari 1999 is ontvangen. De motivering van het beroepschrift is op 13 april 1999 ter 's hofs griffie ingekomen.

De inspecteur heeft zijn vertoogschrift op 15 juli 1999 ingezonden.

Vervolgens heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 14 september 2000, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren belanghebbende bij monde van haar directeur de heer A en de inspecteur, bijgestaan door de heer B.

Van alle vermelde (en hierna nog te vermelden) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

Het hof heeft in deze zaak op 28 september 2000 in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 12 oktober 2000, aan partijen is verzonden.

Bij schrijven ingekomen op 6 november 2000 heeft belanghebbende op de wijze als bedoeld in artikel 17b van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken verzocht vorenbedoelde uitspraak te vervangen door een schriftelijke.

Op 21 november 2000 heeft belanghebbende het daartoe

verschuldigde griffierecht ad ƒ 150,= voldaan.

2. De feiten

2.1. De activiteiten van belanghebbende bestaan uit de verkoop van schilderijen, lijsten, spiegels, beelden, meubelen en porselein. Ook worden verkopingen van inboedels voor derden georganiseerd.

Belanghebbende laat in het kader van haar onderneming door schilders in China bekende schilderijen in veelvoud naschilderen. Zij voert deze schilderijen in Nederland in en verkoopt ze aan handelaren.

2.2. Van de schilders in China zijn geen nadere gegevens bekend. Zij signeren de schilderijen niet.

2.3. Belanghebbende is met de vorenomschreven ondernemingsactiviteiten gestart in oktober 1994, als voortzetting van de door haar directeur in 1994 overgenomen en in belanghebbende ingebrachte onderneming. In verband hiermee heeft belanghebbende een eerste -lang- boekjaar gehanteerd dat liep van 1 oktober 1994 tot en met 31 december 1995.

2.4. Bij het samenstellen van de jaarrekening over het -lange- boekjaar dat eindigde op 31 december 1995 bleek dat belanghebbende over dat boekjaar te weinig omzetbelasting had afgedragen. Zij verzocht de inspecteur voor een bedrag van f. 31.005,-- een naheffingsaanslag op te leggen, hetgeen is geschied. Vervolgens bleek belanghebbende dat zij bij de berekening van het vorenstaande bedrag ten onrechte geen rekening had gehouden met enige betalingen, zodat de naheffingsaanslag tot een te hoog bedrag was opgelegd. Op het bezwaar van belanghebbende is die naheffingsaanslag bij uitspraak van 12 mei 1998 verlaagd. In een gesprek tussen belanghebbendes directeur en de heer B van de belastingdienst, gevoerd op 7 mei 1998 deelde de heer B mee dat hij zich nog wilde beraden over het al dan niet opleggen van een (volgende) naheffingsaanslag over de periode 1 oktober 1994 tot en met 31 december 1995 in verband met het door belanghebbende bij verkoop en levering van de schilderijen in rekening gebrachte omzetbelastingtarief van 6%.

2.5. Op 25 augustus 1998 is de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd tot een bedrag van f.50.910,-- aan enkelvoudige belasting en f.4.039,-- aan heffingsrente.

2.6. Op het bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur de naheffingsaanslag gehandhaafd.

2.7. Bij invoer van de schilderijen is omzetbelasting geheven naar het verlaagde tarief van 6%.

2.8. In september 1995 heeft belanghebbende bij de Belastingdienst/Ondernemingen Amersfoort, de toen competente inspecteur, geïnformeerd welk tarief van toepassing was bij verkoop van de schilderijen. Aan belanghebbende is toen meegedeeld dat het normale tarief van toepassing was en dat op verzoek de margeregeling toegepast kon worden.

3. Het geschil en standpunten van partijen

3.1. In geschil is de vraag of de verkoop van de schilderijen in 1994 en in 1995 belast is naar het tarief van 17,5% of naar het tarief van 6%. Belanghebbende meent dat het tarief van 6% toepassing moet vinden. Zij stelt dat de schilderijen moeten worden aangemerkt als kunstvoorwerpen in de zin van post a.29 van Tabel I, behorende bij de Wet.

3.2. Tegen dat standpunt stelt de inspecteur dat zowel voor het jaar 1994 als voor het jaar 1995 niet voldaan wordt aan de eisen van post a.29 van Tabel I.

3.3. Tevens is in geschil de vraag of door de motivering van de uitspraak op bezwaar van 12 mei 1998 van de inspecteur bij belanghebbende rechtens te beschermen vertrouwen is opgewekt met betrekking tot de toepassing van het tarief van 6%, waarop zij zich in rechte kan beroepen. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de inspecteur ontkennend.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1. Op het aanslagbiljet is als tijdvak van naheffing vermeld "1 januari 1995 t/m 31 december 1995". De naheffingsaanslag is echter berekend over de periode 1 oktober 1994 tot en met 31 december 1995.

Het heffingstijdvak maakt een zo essentieel onderdeel van de belastingaanslag uit, dat niet kan worden toegestaan dat belasting, verschuldigd wegens buiten het tijdvak gelegen feiten, in de belastingaanslag worden begrepen, tenzij de vermelding van het heffingstijdvak op het aanslagbiljet op een kenbare vergissing berust.

4.2. Nu belanghebbende zelf aangifte deed naar een lang boekjaar van 1 oktober 1994 tot en met 31 december 1995, het boekenonderzoek met als rapportdatum 17 juli 1998 datzelfde tijdvak omvatte en de gemachtigde van belanghebbende in zijn correspondentie met de inspecteur ook uitgaat van dat tijdvak, moet het ervoor worden gehouden dat de vermelding van het tijdvak van aanslag op het aanslagbiljet op een kenbare vergissing berust. Daar bovendien de inspecteur met de gemachtigde, naar de inspecteur onweersproken heeft gesteld, is overeengekomen dat voor de vermelding op het aanslagbiljet zou worden gelezen "1 oktober 1994 tot en met 31 december 1995" leidt de onjuiste vermelding in het onderhavige geval niet tot nietigheid of vernietiging van de aanslag.

4.3. Ingevolge het bepaalde in artikel 9, tweede lid, aanhef en sub a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (nader: de Wet) bedraagt in afwijking van het (normale) tarief van 17,5 percent de belasting 6 percent voor leveringen van goederen en diensten, genoemd in de bij de Wet behorende tabel I.

Voor het jaar 1994 omvatte post a.29 van tabel I onder letter b: al dan niet ingelijste schilderstukken en tekeningen, welke door kunstenaars zijn vervaardigd.

Voor het jaar 1995 betreft post a.29 van tabel I:

a. kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten, voor zover deze worden ingevoerd;

b. kunstvoorwerpen voor zover deze worden geleverd door 1º de maker of diens rechtverkrijgende onder algemene titel; of 2º een ondernemer, andere dan een wederverkoper, die ingevolge artikel 15, eerste lid, de belasting ter zake van zijn verkrijging volledig in aftrek brengt;

4.4. Belanghebbende, die toepassing van het verlaagde tarief verzoekt, heeft, behoudens het poneren van een algemene stelling dat de chinese schilders als kunstenaars moeten worden aangemerkt, niet met feiten of omstandigheden aannemelijk gemaakt dat de makers van de schilderijen inderdaad als kunstenaars als bedoeld in post a.29 van tabel I moeten worden beschouwd.

Nu de inspecteur zulks gemotiveerd bestrijdt kan voor het tijdvak, voor zover vallende in het jaar 1994, derhalve het verlaagde tarief geen toepassing vinden omdat niet is komen vast te staan dat aan dat vereiste in post a.29 is voldaan.

4.5. Voor het gedeelte van het tijdvak vallende in het jaar 1995 is bepalend, naast de omstandigheid dat belanghebbende niet de maker of diens rechtverkrijgende onder algemene titel is, de vraag of belanghebbende dient te worden beschouwd als wederverkoper.

In artikel 2a van de Wet (tekst 1995) is bepaald dat onder een wederverkoper moet worden verstaan: de ondernemer wiens activiteiten geheel of ten dele bestaan uit de wederverkoop van gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen of antiquiteiten.

Gelet op de activiteiten van belanghebbende, zoals vermeld onder de vaststaande feiten, dient belanghebbende te worden aangemerkt als wederverkoper in vorenbedoelde zin.

4.6. Daar in post a.29 een uitzondering wordt gemaakt voor goederen geleverd door wederverkopers kan mitsdien reeds daarom, daargelaten de vraag of sprake is van kunstvoorwerpen, het verlaagde tarief geen toepassing vinden in het jaar 1995.

4.7. Aan het vorenstaande doet niet af dat bij invoer van de schilderijen het verlaagde tarief wel toepassing heeft gevonden en zulks, naar belanghebbende stelt en met schriftelijke stukken staaft, uitdrukkelijk door de douane is geaccordeerd. Bij invoer wordt in post a.29 van tabel I de uitzondering voor wederverkopers immers niet gemaakt.

4.8. Nu de Belastingdienst/Ondernemingen Amersfoort aan belanghebbende meedeelde dat het algemene tarief van toepassing was en de heer B op 7 mei 1998 aan belanghebbende meedeelde dat hij zich met betrekking tot de tariefstoepassing nog beraadde over het opleggen van een (nadere) naheffingsaanslag, kon belanghebbende niet in redelijkheid aan de uitspraak van 12 mei 1998 op het bezwaarschrift met betrekking tot de naheffingsaanslag ter zake van de suppletieaangifte 1995, noch aan de woorden van de heer B, het vertrouwen ontlenen dat met betrekking tot de tariefstoepassing geen nadere naheffingsaanslag zou worden opgelegd.

5. Conclusie

Het beroep is ongegrond.

6. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

7. De beslissing

Het gerechtshof bevestigt de uitspraak waarvan beroep.

Gedaan op 16 februari 2000 door mrs. Pruiksma, vice-president, als voorzitter, Drion, raadsheer en Wolt, raadsheer-plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van mevrouw mr. De Jong-Braaksma als griffier en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier.

Op 21 februari 2001 afschrift aangetekend verzonden aan beide partijen.

De griffier van het Gerechtshof te Leeuwarden.