Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2000:ZJ0094

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
21-12-2000
Datum publicatie
23-05-2002
Zaaknummer
WAHV 00-00254
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:7, geldigheid: 2000-12-21
Algemene wet bestuursrecht 6:8, geldigheid: 2000-12-21
Algemene wet bestuursrecht 6:24, geldigheid: 2000-12-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 00/00254

21 december 2000

CJIB 26127771

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te Hilversum

van 19 mei 2000

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 7 december 2000. De betrokkene is verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr I. Verkerk.

3. Beoordeling

3.1. Ingevolge het in art. 14, eerste lid, WAHV in verbinding met het in de art. 6:24, 6:7 en 6:8 Awb bepaalde dient het hoger beroep te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop een afschrift van de bestreden beslissing aan de betrokkene is toegezonden.

3.2. Het beroepschrift is niet gedateerd. Blijkens een daarop gesteld stempel is het beroepschrift op 11 juli 2000 ter griffie van het kantongerecht ingekomen. Aangezien de bestreden beslissing blijkens een daarop gestelde aantekening op 19 mei 2000 aan de betrokkene is toegezonden, is het beroepschrift niet tijdig ingediend.

3.3. Het te dezen toepasselijke art. 6:11 Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3.4. De betrokkene stelt zich op het standpunt, dat in zijn geval er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De betrokkene voert - kort samengevat - aan, dat het hem door omstandigheden is ontschoten tijdig hoger beroep in te stellen. Hij had in de periode waarin hij hoger beroep had moeten instellen nl. herniaklachten. Verder lijdt de betrokkene aan ADHD. In verband hiermee kreeg hij in die periode nieuwe medicijnen, die afgesteld moesten worden.

3.5. De door de betrokkene aangevoerde omstandigheden brengen echter niet mee, dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de betrokkene in verzuim is.

3.6. Gelet op het voorgaande dient de betrokkene in het hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Dit arrest is gewezen door mr Vellinga, vice-president, in tegenwoordigheid van mr Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 21 december 2000.