Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2000:ZJ0091

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
21-12-2000
Datum publicatie
31-05-2002
Zaaknummer
WAHV 00-00163
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 00/00163

21 december 2000

CJIB 25730852

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te 's-Gravenhage

van 15 mei 2000

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Bij brief van 7 september 2000 hebben dhr. en mevr. Junior, respectievelijk een schoonzoon en een dochter van de betrokkene verklaard bereid te zijn ter zitting te getuigen.

De zaak is behandeld ter zitting van 7 december 2000. De betrokkene is verschenen. Tevens is verschenen [getuige]. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr I. Verkerk.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van ƒ 180,-- opgelegd ter zake van'niet stoppen voor rood licht bij driekleurig verkeerslich', welke gedraging zou zijn verricht op 7 maart 1999 op de Benoordenhoutseweg met de kruising Jozef Israëlslaan in de gemeente ’s-Gravenhage met het motorrijtuig met het kenteken [nummer] = feitcode R602). Dit kenteken stond ten tijde van de gedraging op naam van de betrokkene ingeschreven in het kentekenregister.

3.2. De betrokkene ontkent dat de gedraging is verricht. Daartoe voert de betrokkene -kort samengevat- het volgende aan. De schoonzoon, de echtgenote en een dochter van de betrokkene reden ten tijde van de gedraging in de auto van de betrokkene, waarmee de gedraging zou zijn verricht. De betrokkene reed tesamen met zijn dochter in een door [getuige] bestuurde auto circa 25 à 30 meter achter die auto. Het was die avond slecht weer, het regende en het was donker. De auto waarin de betrokkene mee reed stopte voor het gele licht. Betrokkenes eigen auto reed toen al ruim op de kruising. Gelet hierop kan de auto waarmee de gedraging zou zijn verricht niet door rood licht gereden zijn. De [getuigen] bevestigen hetgeen de betrokkene aanvoert.

3.3. De gedraging is geconstateerd met behulp van een rood-lichtcamera. De bij de gedingstukken behorende foto’s en de door de verbalisant daarop gegeven toelichting houden in, dat het motorrijtuig met voormeld kenteken door rood licht reed, terwijl het verkeerslicht 1 seconde rood licht uitstraalde.

3.4. In aanmerking genomen de omstandigheden waaronder de waarneming van de betrokkene, zijn dochter en schoonzoon heeft plaatsgevonden, nl. vanuit een rijdende auto, terwijl er, gelet op de weersomstandigheden, sprake was van slecht zicht, bestaat er naar het oordeel van het hof onvoldoende grond om te twijfelen aan de juistheid van de foto, door middel waarvan de gedraging is geconstateerd, en aan de juistheid van de door de verbalisant gegeven toelichting.

3.5. Het hof overweegt voorts dat het in deze zaak niet gaat om de vraag of de auto door rood licht is gereden, maar om de vraag of het desbetreffende voertuig is gestopt voor de stopstreep op het moment waarop het verkeerslicht op rood springt (vgl. HR 4 april 2000, nr. 321-99-V).

3.6. Het hof overweegt verder nog, dat in de apparatuur, waarmee door rood licht rijden wordt geconstateerd, waarborgen zijn ingebouwd om vergissingen te voorkomen.

3.7. Gelet op het vorenoverwogene komt het hof tot de slotsom dat aannemelijk is, dat de gedraging is verricht. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom bevestigen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr Vellinga, vice-president, in tegenwoordigheid van mr Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 21 december 2000.