Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2000:ZJ0077

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
06-12-2000
Datum publicatie
07-06-2002
Zaaknummer
WAHV 00-00174
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 9, geldigheid: 2000-12-06
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d, geldigheid: 2000-12-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 00/00174

6 december 2000

CJIB 29359382

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te Groningen

van 15 mei 2000

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Groningen ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van ƒ240,-- opgelegd ter zake van 'overschrijding van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom (gedragsregel) meer dan 25 km/h en t/m 30 km/h', welke gedraging zou zijn verricht op 29 september 1999 op het Emmaviaduct in de gemeente Groningen

3.2. Betrokkene ontkent niet dat de gedraging is verricht met een motorrijtuig, waarvan het kenteken in het kentekenregister op zijn naam is gesteld, doch vraagt matiging van de opgelegde sanctie, omdat hij - naar hij achteraf ten zeerste betreurt - zich er op 1 juni 1999 toe heeft laten overhalen ten behoeve van een ander het kenteken van het motorrijtuig van die ander in het kentekenregister op zijn, betrokkenes naam te stellen. In dit verband wijst betrokkene er - gestaafd met deugdelijke bescheiden - op, (a) dat hij de naam van die ander inmiddels aan de politie heeft bekend gemaakt, (b) dat die ander inmiddels tegenover de politie afstand heeft gedaan van dat aan die ander toebehorende motorrijtuig, (c) dat de tenaamstelling van het motorrijtuig op grond van art. 40 lid 2 Kentekenreglement met ingang van 6 december 1999 is komen te vervallen, (d) dat de inspecteur van de Belastingdienst/Centraal Bureau Motorrijtuigenbelasting betrokkene met ingang van 1 juni 1999 niet meer als houder van voormeld motorrijtuig aanmerkt en daarom de naheffingsaanslag en de boetebeschikking heeft vernietigd. Voorts wijst betrokkene er op dat hij thans bezig is zijn leven weer op orde te brengen.

3.3. De hiervoor onder a, b, c, en d aangevoerde omstandigheden, alsmede de omstandigheid dat aannemelijk is dat betrokkene thans bezig is zijn leven weer op orde te brengen, brengen mee, dat betrokkene thans in zodanige omstandigheden verkeert, dat het bedrag van de administratieve sanctie moet worden vastgesteld op een lager bedrag, te weten op een bedrag van ƒ120,--. Het hof zal de sanctie met vernietiging van de administratieve beschikking in zoverre vaststellen op dat bedrag.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter en de beslissing van de officier van justitie voor zover daarbij het bedrag van de sanctie in stand is gelaten en verklaart het beroep in zoverre gegrond;

wijzigt het bedrag van de administratieve sanctie in fl. 120,--;

bepaalt dat van hetgeen door de betrokkene op de voet van art. 11 WAHV tot zekerheid is gesteld een bedrag van fl. 120,-- aan deze door de griffier van het kantongerecht wordt gerestitueerd.

Dit arrest is gewezen door mrs Vellinga, vice-president als voorzitter, Kalsbeek en Huisman, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 6 december 2000.