Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2000:ZJ0076

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
06-12-2000
Datum publicatie
07-06-2002
Zaaknummer
WAHV 00-00097
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 126, geldigheid: 2000-12-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 00/00097

6 december 2000

CJIB 26323982

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te Eindhoven

van 11 april 2000

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

zetelend te [woonplaats],

voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde],

wonende te [woonplaats].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement 's Hertogenbosch gegrond verklaard en de beslissing van de officier van justitie vernietigd. Voorts heeft de kantonrechter het beroep voor het overige ongegrond verklaard en de inleidende beschikking bevestigd. Voorts heeft de kantonrechter het verzoek van betrokkene om de Staat der Nederlanden te veroordelen in de kosten als bedoeld in art. 13a van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften afgewezen.

De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

[gemachtigde] heeft, als gemachtigde van de betrokkene, tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. In het beroepschrift is verzocht de Staat der Nederlanden te veroordelen in de proceskosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van ƒ180,-- opgelegd ter zake van 'niet stoppen voor rood licht bij driekleurig verkeerslicht', welke gedraging zou zijn verricht op 22 april 1999 op de Hurksestraat in de gemeente Eindhoven.

3.2. Tegen voormelde beslissing is beroep ingesteld bij de officier van justitie. Bij beslissing van 18 november 1999 heeft de officier van justitie het beroep ongegrond verklaard.

3.3. Tegen laatstgenoemde beslissing is beroep ingesteld bij de kantonrechter. Op 11 april 2000 heeft de kantonrechter beslist als hiervoor onder 1 weergegeven.

3.4. Namens betrokkene is in de eerste plaats tegen de beslissing van de kantonrechter aangevoerd, dat in strijd met de wet de officier van justitie ter terechtzitting van de kantonrechter werd vertegenwoordigd door een gemachtigde, en dat derhalve de bestreden beslissing niet in stand kan blijven.

3.5. Anders dan betrokkene wil staat art. 126 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie toe, dat de officier van justitie zich ter terechtzitting in een zaak als de onderhavige doet vertegenwoordigen door een andere bij het parket werkzame ambtenaar. Noch de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften in het algemeen noch art. 12 van die wet noch de aard van de bevoegdheid verzet zich tegen uitoefening van de bevoegdheden van de officier van justitie ter terechtzitting in een zaak als de onderhavige door een bij het parket werkzame ambtenaar. Ook het bepaalde in afdeling 10.1.1 Awb vormt daartoe geen beletsel.

3.6. Gelet op het vorenoverwogene en in aanmerking genomen dat de kantonrechter het optreden van mr B. Verkamman als vertegenwoordigster van de officier van justitie als zodanig heeft aanvaard, is er anders dan de gemachtigde van betrokkene wil geen reden te twijfelen aan haar bevoegdheid als zodanig op te treden.

3.7. In de tweede plaats is namens betrokkene - kort gezegd - aangevoerd, dat de inleidende beschikking onrechtmatig is, omdat deze onbevoegdelijk, nl. door het CJIB, is opgelegd en bovendien niet voldoet aan het ministeriële model.

3.8. Het hof begrijpt de stelling van de betrokkene aldus, dat de door het CJIB aan de betrokkene verzonden inleidende beschikking inhoudt dat de sanctie door het CJIB is opgelegd. Naar het oordeel van het hof berust deze stelling echter op een verkeerde lezing van de stukken. Gelet hierop behoeft het verweer , dat het door het CJIB gebruikte model, waarbij in de opvatting van de betrokkene de administratieve sanctie aan de betrokkene is opgelegd, niet in overeenstemming is met de eisen, die daaraan zijn gesteld in de ter zake geldende ministeriële regeling, geen bespreking meer.

3.9. Namens de betrokkene is voorts aangevoerd, dat de gedraging, waarvan namens de betrokkene is gesteld dat deze niet is verricht, niet is bewezen, aangezien deze slechts is geconstateerd door één getuige, te weten de verbalisant. Kennelijk stelt de betrokkene zich op het standpunt, dat de verklaring van één getuige onvoldoende is voor het bewijs van een gedraging als bedoeld in de WAHV. Deze stelling vindt echter geen steun in de WAHV en ook niet elders in het recht.

3.10. Ten aanzien van het verzoek om de Staat der Nederlanden te veroordelen in de proceskosten overweegt het hof als volgt. Ingevolge art. 13a WAHV is de kantonrechter bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij het kantongerecht redelijkerwijs heeft moeten maken. Volgens het arrest van de Hoge Raad d.d. 14 maart 2000, nr. 76-99-V, dient bij de toepassing van deze bepaling uitgangspunt te zijn dat in geval van gegrondverklaring van het beroep van de betrokkene de kantonrechter de officier van justitie veroordeelt in de daarvoor ingevolge het van toepassing zijnde Besluit proceskosten bestuursrecht in aanmerking komende kosten. Indien de kantonrechter in een zodanig geval geen aanleiding vindt tot een dergelijke kostenveroordeling, zal hij die beslissing met redenen dienen te omkleden.

3.11. In aanmerking genomen dat de grond waarop de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie heeft vernietigd een motiveringsgebrek is met betrekking tot een verweer dat vervolgens door de kantonrechter gemotiveerd is verworpen en dat de kantonrechter het beroep voor het overige ongegrond heeft verklaard, is het verzoek om de officier van justitie te veroordelen in de proceskosten terecht afgewezen.

3.12. Het hof acht geen termen aanwezig het verzoek tot vergoeding van kosten in hoger beroep toe te wijzen. De betrokkene wordt immers in het geheel in het ongelijk gesteld.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

- bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

- wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr Vellinga, vice-president, in tegenwoordigheid van mr Wijma, als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 6 december 2000.