Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2000:ZJ0063

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
08-11-2000
Datum publicatie
02-07-2002
Zaaknummer
WAHV 00-00266
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 00/00266

8 november 2000

CJIB 27090133

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te Utrecht

van 16 augustus 2000

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Utrecht niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. De kantonrechter heeft, uitgaande van zijn - in hoger beroep niet bestreden - vaststelling dat de betrokkene niet binnen de in art. 11, derde lid, WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie en dat de betrokkene evenmin binnen een nader gestelde termijn dit verzuim heeft hersteld, het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard.

3.2. Betrokkene heeft in haar nadere toelichting op het beroepschrift - onder

meer - aangegeven niet in staat te zijn om de zekerheid te betalen, omdat zij hoge ziekenhuiskosten heeft ten gevolge van haar handicap.

3.3. Bij brief van 2 februari 2000 is betrokkene gewezen op de verplichting vóór de behandeling van het tegen de beslissing van de officier van justitie ingediende beroepschrift door de kantonrechter een zekerheidstelling te betalen ter hoogte van de op de beschikking vermelde sanctie. Bij brief van 8 mei 2000 is zij in de gelegenheid gesteld om alsnog aan die verplichting te voldoen. Op geen van beide brieven is door betrokkene gereageerd.

3.4. De kantonrechter heeft vastgesteld, dat door betrokkene geen feiten of omstandigheden zijn gesteld op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld, dat, hoewel niet tijdig zekerheid is gesteld, niet-ontvankelijkheid achterwege moet blijven.

3.5. In beginsel is de uitspraak in eerste aanleg het onderwerp van het hoger beroep. Indien betrokkene in reactie op (een van) de haar toegezonden brieven met redenen omkleed zou hebben aangegeven, dat van haar in redelijkheid niet kon worden gevergd, dat zij zekerheid zou stellen tot het totale van haar verlangde bedrag, had de kantonrechter, tenzij hij het aangevoerde reeds aanstonds onaannemelijk zou hebben geacht, de betrokkene in de gelegenheid moeten stellen op een openbare zitting te worden gehoord omtrent haar financiële draagkracht. Nu de betrokkene niet in antwoord op de haar gezonden brieven te kennen heeft gegeven onvoldoende draagkracht te hebben heeft de kantonrechter er terecht van afgezien betrokkene op te roepen en derhalve op juiste gronden beslist.

3.6. Weliswaar dient het hoger beroep er (tevens) toe om partijen in de gelegenheid te stellen hun eigen verzuimen te herstellen, maar wanneer zonder meer niet is voldaan aan de (financiële) voorwaarde waaronder de zaak aan de rechter in eerste aanleg kan worden voorgelegd is het - behoudens in geval van bijzondere omstandigheden - in strijd met de beginselen van een goede procesorde dat in appel voor het eerst wordt aangevoerd, dat zekerheidstelling niet kan plaatsvinden op grond van te geringe draagkracht. Immers, ook van een niet professionele procespartij mag worden verwacht dat op de toegezonden brief (of -in geval van verzuim- brieven) wordt gereageerd door ofwel de gevraagde zekerheidstelling te verschaffen ofwel uiteen te zetten, waarom men hiertoe niet kan overgaan.

3.7. Nu in het onderhavige geval niet is aangevoerd of aannemelijk is geworden, dat betrokkene de brieven van 2 februari 2000 en 8 mei 2000 niet heeft ontvangen, noch is uiteengezet waarom - in geval het inderdaad zo geweest zou zijn, dat ten tijde van de toezending van de brieven de betrokkene in de onmogelijkheid verkeerde het totale van haar gevraagde bedrag aan zekerheidstelling te voldoen - op deze brieven door haar niet is gereageerd zal het hof het verweer, dat betrokkene niet in staat is zekerheid te stellen passeren en de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr Kalsbeek, raadsheer, in tegenwoordigheid van mevrouw Bons, als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 8 november 2000.