Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2000:ZJ0061

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
31-10-2000
Datum publicatie
02-07-2002
Zaaknummer
WAHV 00/00175
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 00/00175

31 oktober 2000

CJIB 23758005

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te Winschoten

van 24 januari 2000

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

zetelend te [woonplaats],

voor wie als gemachtigde optreedt J.H. Swartjes, wonende te Kolham.

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Groningen ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter beroep in cassatie ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep. Bij de nadere toelichting op het beroep is verzocht om een behandeling ter zitting.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 17 oktober 2000. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr Dijkstra. De betrokkene is niet verschenen.

3. Beoordeling

3.1. Op 1 januari 2000 is in werking getreden de Wet van 28 oktober 1999 tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie en van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (hierna te noemen: de Wet), strekkende tot vervanging van de mogelijkheid van beroep in cassatie door de mogelijkheid van hoger beroep, alsmede het aanbrengen van enige andere wijzigingen (Stb. nr. 469). Vanaf voormelde datum kan ingevolge artikel 14 , eerste lid, WAHV tegen de beslissing van het kantongerecht hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden , indien de opgelegde sanctie bij die beslissing meer bedraagt dan ƒ 150,-- of indien de betrokkene niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet of niet tijdig stellen van zekerheid als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV.

3.2. De overgangsbepaling bij de Wet luidt - voor zover hier van belang -:

'Artikel III

1. Voor de mogelijkheid om beroep in cassatie in te stellen tegen een uitspraak van de kantonrechter die voor of op de dag van inwerkingtreding van deze wet is gedaan, blijft het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing.

2. Voor de behandeling van het beroep in cassatie dat voor de datum van inwerkingtreding van deze wet is ingesteld, dan wel met toepassing van het eerste lid na de dag van inwerkingtreding is ingesteld, blijft het recht zoals dat gold voor het tijdstip van toepassing.'

3.3. Nu de beslissing van de kantonrechter is genomen na de dag van inwerkingtreding van de Wet is in het onderhavige geval de Wet van toepassing zoals deze geldt vanaf 1 januari 2000. Omdat bij deze Wet het rechtsmiddel van cassatie is vervangen door het rechtsmiddel van hoger beroep bij het gerechtshof te Leeuwarden, zal het door betrokkene ingestelde beroep in cassatie dan ook worden verstaan als hoger beroep bij dit hof.

3.4. Blijkens de initiële beschikking bedraagt de aan de betrokkene opgelegde sanctie ƒ 80,--. Daar ingevolge art. 14 WAHV - voor zover hier van belang - alleen hoger beroep openstaat , indien de opgelegde sanctie bij die beslissing meer bedraagt dan ƒ 150,--, staat voor betrokkene geen hoger beroep open.

3.5. De gemachtigde van de betrokkene heeft in zijn nadere toelichting op het beroep aangevoerd -zakelijk weergegeven - dat het niet relevant is dat de regels inmiddels zijn veranderd en dat hij niet aanneemt dat in een eenmaal gestarte wedstrijd nieuwe spelregels van toepassing zouden zijn die lopende de wedstrijd worden gemaakt. Hij zou dan immers door de traagheid van Justitie onevenredig nadeel ondervinden.

3.6. De opvatting van betrokkene met betrekking tot het in de onderhavige zaak toepasselijke recht vindt noch in de hiervoor aangehaalde overgangsbepaling noch anderszins steun in de wet. Anders dan betrokkene wil is hem niet door traagheid van justitie een rechtsmiddel ontnomen. Hij heeft immers zelf verzocht om aanhouding van de behandeling van de zaak die aanvankelijk op 22 november 1999 zou plaatsvinden.

3.7. De gemachtigde van de betrokkene heeft voorts gesteld dat in de uitspraak van de kantonrechter nadrukkelijk de mogelijkheid van hoger beroep genoemd wordt en dat betrokkene als vaststaand aanneemt dat de kantonrechter op de hoogte was en is van de geldende regels en dat hij de kantonrechter aldus begrijpt dat naar diens opvatting de Wet zoals deze thans luidt niet van toepassing is op lopende zaken, aangevangen voor 1-1-2000. Deze stelling berust op onjuiste lezing van de zinsnede onder de beslissing van het kantongerecht te Winschoten, nu daarin immers niet staat vermeld dat - zoals in de door betrokkene voorgestane lezing het geval zou moeten zijn - beroep in cassatie kan worden ingesteld maar hoger beroep.

3.8. Het vorenoverwogene brengt mee, dat betrokkene niet ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Dit arrest is gewezen door mr Vellinga, vice-president, in tegenwoordigheid van mr Vlietstra, als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 31 oktober 2000.