Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2000:ZJ0053

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
29-09-2000
Datum publicatie
12-06-2002
Zaaknummer
WAHV 00-00148
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:5
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 11
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2001, 37
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 00/00148

29 september 2000

CJIB 22440376

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te Leeuwarden

van 16 juni 2000

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 18 september 2000. De betrokkene is verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr Van der Hoek.

3. Beoordeling

3.1. Ingevolge art. 11, eerste lid, WAHV wordt een bij de officier van justitie ingediend beroepschrift door deze aan het kantongerecht ter kennis gebracht binnen zes weken nadat de indiener zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de sanctie dan wel de termijn daarvoor is verstreken.

Het derde lid van art. 11 WAHV houdt in dat:

- de zekerheid wordt gesteld bij het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden (CJIB), hetzij door middel van de aan de betrokkene toegezonden accept-giro, hetzij anderszins door storting op de rekening van het CJIB;

- de officier van justitie de indiener van het beroepschrift na de ontvangst ervan wijst op de verplichting tot zekerheidstelling en hem meedeelt dat de zekerheid dient te geschieden binnen twee weken na de dag van verzending van deze mededeling;

- indien de zekerheidstelling niet binnen deze termijn is geschied het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3.2. Een redelijke uitleg van deze wetsbepaling brengt mee dat de voorgeschreven mededeling van de officier van justitie tenminste moet inhouden dat op grond van een wettelijk voorschrift (art. 11 WAHV) zekerheid dient te worden gesteld voor de betaling van de opgelegde sanctie en dat het bedrag van de zekerheidstelling gelijk is aan het bedrag van die sanctie, en voorts de wijze waarop en de termijn waarbinnen zekerheid dient te worden gesteld, alsmede dat wanneer tijdige zekerheidstelling achterwege blijft het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Ten aanzien van die aan betrokkene te verstrekken informatie kan niet worden volstaan met verwijzing naar hetgeen is vermeld op de achterzijde van de inleidende beschikking.

3.3. Bij de stukken van het geding bevinden zich de in de bestreden beslissing bedoelde mededelingen omtrent de zekerheidstelling, te weten een brief van 10 maart 2000 en een brief van 3 april 2000 van de officier van justitie aan de betrokkene. Geen van beide brieven kan echter worden aangemerkt als een mededeling als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV, omdat de brief van 10 maart 2000 als aanvang van de termijn waarbinnen zekerheid dient te zijn gesteld de dag van dagtekening vermeldt en voorts in de brief van 3 april 2000 in het geheel geen termijn is vermeld waarbinnen zekerheid dient te zijn gesteld. Dit brengt mee dat het in de bestreden beslissing besloten liggend oordeel van de kantonrechter dat is voldaan aan voormeld wettelijk voorschrift niet juist is.

3.4. In zijn mondelinge toelichting ter ’s hofs terechtzitting heeft de betrokkene doen blijken de informatie omtrent de zekerheidstelling te hebben begrepen, maar niet van plan te zijn te voldoen aan de voor de ontvankelijkheid van het beroep bij de kantonrechter door de wet gestelde voorwaarde.

3.5. Nu betrokkene blijkens het vorenoverwogene aldus niet in een rechtens te respecteren belang is geschaad door de omstandigheid, dat de ingevolge artikel 11, derde lid, WAHV aan betrokkene verstrekte informatie ten aanzien van de (aanvang van) de termijn waarbinnen zekerheid dient te zijn gesteld niet juist is, vergt die enkele omstandigheid niet dat betrokkene met vernietiging van het vonnis van de kantonrechter een nieuwe termijn wordt gesteld waarbinnen hij alsnog zekerheid kan stellen.

3.6. In strijd met art. 6:5, eerste lid, Awb is het beroepschrift bij het kantongerecht niet ondertekend en bevat het niet de naam van de indiener. Voorts bevat het beroepschrift in strijd met het in artikel 6, tweede lid, WAHV juncto artikel 9, derde lid, WAHV niet de geboorteplaats, het geboortejaar en de geboortedatum van de indiener, noch zijn giro- of bankrekeningnummer. De griffier van het kantongerecht heeft de betrokkene bij brief van 15 maart 2000 daarop gewezen en deze in de gelegenheid gesteld bedoelde verzuimen binnen twee weken na de dagtekening van die brief te herstellen, onder mededeling van de gevolgen van het niet tijdig herstellen van deze verzuimen. De betrokkene heeft nagelaten binnen de gestelde termijn alsnog deze verzuimen te herstellen.

3.7. Niettemin komt de bestreden beslissing, gelet op het navolgende, niet voor bevestiging in aanmerking.

3.8. Het tweede lid van art. 13 WAHV schrijft voor dat de beslissing van de kantonrechter op een openbare terechtzitting wordt uitgesproken.

3.9. De bestreden beslissing houdt in dat deze is uitgesproken op 16 juni 2000. Bij de stukken van het geding bevindt zich niet een proces-verbaal waaruit kan volgen dat de uitspraak is gedaan op een openbare terechtzitting. Het voorschrift met betrekking tot de openbaarheid van de uitspraak is voor een goede rechtspleging van zo wezenlijke betekenis dat de niet-naleving daarvan leidt tot nietigheid van de betreffende beslissing.

3.10. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter zou behoren te doen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in zijn beroep.

Dit arrest is gewezen door mr Dijkstra, vice-president, in tegenwoordigheid van mr Vlietstra, als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 29 september 2000.