Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2000:ZJ0044

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
20-09-2000
Datum publicatie
17-07-2002
Zaaknummer
WAHV 00-00166
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 4, geldigheid: 2000-09-20
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 5, geldigheid: 2000-09-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Verkeer 2000/74

Uitspraak

WAHV 00/00166

20 september 2000

CJIB 26696939

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te Arnhem

van 25 februari 2000

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Arnhem ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1 Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van fl. 180,-- opgelegd ter zake van 'bij het afslaan niet het tegemoetkomend verkeer voor laten gaan', welke gedraging zou zijn verricht op 11 januari 1999 op de Klapstraat in de gemeente Arnhem.

3.2 De betrokkene heeft aangevoerd, dat hij niet telefonisch of schriftelijk door de politie is geïnformeerd over de gedraging en dat hij niet is staande gehouden door de politie, nadat de gedraging is geconstateerd.

3.3 Art. 5 WAHV bepaalt - voor zover hier van belang - dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Deze bepaling moet aldus worden verstaan dat ingeval zich een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het motorrijtuig, waarmee de geconstateerde gedraging is verricht, voordoet, die bepaling buiten toepassing dient te blijven en de sanctie aan die bestuurder dient te worden opgelegd (HR 1 februari 2000, 1055-98-V).

3.4 Betrokkene bestrijdt niet, dat er, zoals door één der verbalisanten is aangegeven, ten tijde van de constatering van de gedraging geen reële mogelijkheid bestond om hem staande te houden. Van handelen in strijd met art. 5 WAHV is derhalve geen sprake.

3.5 Ingeval van toepassing van art. 5 WAHV kan betrokkene noch aan die bepaling noch aan enige andere rechtsregel het recht ontlenen dat hem onverwijld nadat de gedraging is geconstateerd wordt medegedeeld dat hem terzake daarvan een administratieve sanctie wordt opgelegd. Gelet hierop is het feit dat de politie te Arnhem de betrokkene terzake, hoewel te doen gebruikelijk in een dergelijke situatie, niet heeft geïnformeerd geen reden om de inleidende beschikking te vernietigen.

3.6 De betrokkene heeft verder aangevoerd, dat tussen de bekendmaking van de beschikking en de gedraging bijna vijf maanden zijn verstreken.

3.7 De inleidende beschikking, waarbij ter zake van de op 11 januari 1999 geconstateerde gedraging aan de betrokkene een administratieve sanctie is opgelegd, is aan de betrokkene toegezonden op 5 juni 1999.

3.8 Ingevolge art. 4, tweede lid, WAHV, zoals dit artikel sedert 30 juni 1997 luidt, dient de bekendmaking van de beschikking te geschieden binnen vier maanden nadat de gedraging heeft plaatsgevonden door toezending van die beschikking aan de betrokkene. Gelet op het voorgaande is de inleidende beschikking niet binnen de wettelijke termijn aan de betrokkene toegezonden.

3.9 Overschrijding van de in art. 4, tweede lid, WAHV voorgeschreven termijn behoort slechts dan tot vernietiging van de inleidende beschikking te leiden als de betrokkene door die overschrijding rechtstreeks is geschaad in enig rechtens te respecteren belang, waarvan sprake zal zijn indien de inleidende beschikking de betrokkene eerst bereikt op een zodanig tijdstip dat hij redelijkerwijs niet meer geacht kan worden te kunnen nagaan op welke gedraging die beschikking betrekking heeft, dan wel de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden (HR 10 mei 1994, NJ 1994, 672, VR 1994, 194, HR 6 april 1999, nr. 622-98-V)

3.10 Betrokkene heeft niet aangegeven dat hij door de termijnoverschrijding in enig rechtens te respecteren belang is geschaad, terwijl van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM geen sprake is. De omstandigheid, dat de inleidende beschikking pas na vijf maanden is bekendgemaakt staat derhalve niet aan de rechtsgeldigheid van die beschikking in de weg.

3.11 Tenslotte heeft de betrokkene aangevoerd, dat de verbalisanten in eerste instantie hebben verklaard, dat zij voor de betrokkene moesten remmen om een aanrijding te voorkomen en pas nadien hebben verklaard, dat zij krachtig voor de betrokkene dienden te remmen. De betrokkene stelt zich dan ook op het standpunt, dat de bewoordingen 'krachtig remmen' de basis vormen voor de vaststelling van de overtreding en dat dit niet correct is.

3.12 Het hof ziet in het voorgaande geen aanleiding de inleidende beschikking te vernietigen. Immers, ook indien een bestuurder, die linksaf slaat, dit doet op zodanige wijze dat de bestuurder van een hem tegemoetkomend voertuig genoodzaakt is te remmen, hindert eerstgenoemde bestuurder laatstgenoemde bestuurder en heeft eerstgenoemde bestuurder bij het afslaan het tegemoetkomend verkeer niet voor laten gaan als bedoeld in art. 18 lid 1 RVV1990.

3.13 De beslissing van de kantonrechter dient, gelet op het voorgaande, te worden bevestigd.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr Vellinga, vice-president, in tegenwoordigheid van mr Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 20 september 2000.