Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2000:ZJ0041

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
20-09-2000
Datum publicatie
17-07-2002
Zaaknummer
WAHV 00-00134
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 00/00134

20 september 2000

CJIB 25987994

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te Utrecht

van 8 mei 2000

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Utrecht niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. In hoger beroep is niet bestreden, dat de betrokkene niet binnen de in art. 11, derde lid, WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie en evenmin dat de betrokkene dit verzuim niet binnen een nader gestelde termijn heeft hersteld.

3.2. In hoger beroep heeft de betrokkene aangevoerd, dat hij ter beschikking is gesteld, dat hij geen inkomen heeft, doch uitsluitend zakgeld ontvangt en dat in zijn geval zekerheidstelling onrechtmatig is.

3.3. Bij brief van 14 december 1999 is betrokkene gewezen op de verplichting vóór de behandeling van het tegen de beslissing van de officier van justitie ingediende beroepschrift door de kantonrechter een zekerheidstelling te betalen ter hoogte van de op de beschikking vermelde sanctie. Bij brief van 25 januari 2000 is hij in de gelegenheid gesteld om alsnog aan die verplichting te voldoen. De betrokkene heeft op laatstgenoemde brief gereageerd. De betrokkene heeft daarin niet aangegeven financieel niet in staat te zijn het bedrag van de zekerheidstelling te voldoen.

3.4. De kantonrechter heeft vastgesteld, dat door betrokkene geen feiten of omstandigheden zijn gesteld op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld, dat, hoewel niet tijdig zekerheid is gesteld, niet-ontvankelijkheid achterwege moet blijven.

3.5. In beginsel is de uitspraak in eerste aanleg het onderwerp van het hoger beroep. Indien betrokkene in reactie op (een van) de hem toegezonden brieven met redenen omkleed zou hebben aangegeven, dat van hem in redelijkheid niet kon worden gevergd, dat hij zekerheid zou stellen tot het van hem verlangde bedrag, had de kantonrechter, tenzij hij het aangevoerde reeds aanstonds onaannemelijk zou hebben geacht, de betrokkene in de gelegenheid moeten stellen op een openbare zitting te worden gehoord omtrent zijn financiële draagkracht. Nu de betrokkene niet te kennen heeft gegeven onvoldoende draagkracht te hebben, heeft de kantonrechter er terecht van afgezien betrokkene op te roepen en derhalve op juiste gronden beslist.

3.6. Weliswaar dient het hoger beroep er (tevens) toe om partijen in de gelegenheid te stellen hun eigen verzuimen te herstellen, maar wanneer zonder meer niet is voldaan aan de (financiële) voorwaarde waaronder de zaak aan de rechter in eerste aanleg kan worden voorgelegd is het - behoudens in geval van bijzondere omstandigheden - in strijd met de beginselen van een goede procesorde dat in appel voor het eerst wordt aangevoerd, dat zekerheidstelling niet kan plaatsvinden op grond van te geringe draagkracht. Immers, ook van een niet professionele procespartij mag worden verwacht dat op de toegezonden brief (of - in geval van verzuim - brieven) wordt gereageerd door ofwel de gevraagde zekerheidstelling te verschaffen ofwel uiteen te zetten, waarom men hiertoe niet kan overgaan.

3.7. Nu in het onderhavige geval niet is uiteengezet waarom - in geval het inderdaad zo geweest zou zijn, dat ten tijde van de toezending van de brieven de betrokkene in de onmogelijkheid verkeerde het van hem gevraagde bedrag aan zekerheidstelling te voldoen - op deze brieven door hem niet is gereageerd met een beroep op zijn draagkracht, zal het hof het verweer, dat betrokkene niet in staat is zekerheid te stellen passeren.

3.8 Het verweer van de betrokkene dat in zijn geval zekerheidstelling onrechtmatig is faalt, nu geen rechtsregel zich verzet tegen het verlangen van zekerheidstelling van een persoon die ter beschikking is gesteld.

3.9 De beslissing van de kantonrechter dient, gelet op het voorgaande, te worden bevestigd.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr Vellinga, vice-president, in tegenwoordigheid van mr Wijma, als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 20 september 2000.