Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2000:ZJ0027

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
30-05-2000
Datum publicatie
05-08-2002
Zaaknummer
WAHV 00-00006
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 11, geldigheid: 2000-05-30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 00/00006

30 mei 2000

CJIB 24680302

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te 's-Gravenhage

van 10 januari 2000

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats],

voor wie als gemachtigde optreedt R. Engels,

wonende te 's-Gravenhage.

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

R. Engels, heeft, als gemachtigde van de betrokkene, tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Bij brieven van 25 april 2000 zijn betrokkenes gemachtigde en de advocaat-generaal uitgenodigd om op 16 mei 2000 ter zitting te verschijnen.

Bij faxbericht d.d. 28 april 2000, alsmede bij brief van 26 april 2000, ingekomen ter griffie van het hof op 1 mei 2000, heeft betrokkenes gemachtigde verzocht om de zaak aan te houden. Tevens is verzocht om vergoeding van proceskosten.

Bij brief van 4 mei 2000 heeft de griffier van het hof betrokkenes gemachtigde medegedeeld, dat het verzoek om aanhouding niet wordt gehonoreerd.

Op 15 mei 2000 te 20.05 uur heeft betrokkenes gemachtigde het hof een faxbericht doen toekomen, waarin hij mededeelt niet ter zitting van 16 mei 2000 te zullen verschijnen. Eveneens bij gewone brief d.d. 12 mei 2000, bij het hof ingekomen op 16 mei 2000, heeft betrokkenes gemachtigde medegedeeld niet ter zitting van 16 mei 2000 te zullen verschijnen.

De zaak is vervolgens behandeld ter zitting van 16 mei 2000. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr I. Verkerk. De betrokkene is niet verschenen.

3. Beoordeling van de bestreden beslissing

3.1 In hoger beroep is niet bestreden, dat de betrokkene niet binnen de in art. 11, derde lid, WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie en evenmin dat de betrokkene dit verzuim niet binnen een nader gestelde termijn heeft hersteld.

3.2 De gemachtigde van betrokkene heeft zowel bij de kantonrechter als in hoger beroep aangevoerd -zakelijk weergegeven-, dat geen zekerheid wordt gesteld, omdat het bedrag van de zekerheidstelling, dat in deze zaak fl. 180,-- bedraagt, de door de Hoge Raad in zijn arrest van 28 juni 1994, NJ 1994, 675 (het hof leest: 657) gestelde grens van fl. 150,- te boven gaat.

3.3 Betrokkenes gemachtigde heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld, dat de omvang van het gevraagde bedrag aan zekerheidstelling - fl. 180,-- - gelet op betrokkenes financiƫle omstandigheden een zodanige belemmering oplevert, dat toepassing van het stelsel van zekerheidstelling in het onderhavige geval zou neerkomen op een ontoelaatbare beperking van het in art. 6 EVRM gegarandeerde recht op toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie. Daarbij dient te worden opgemerkt, dat - anders dan betrokkene stelt - in het door betrokkene genoemde arrest geen algemene grens aan de hoogte van de te vragen zekerheidstelling is gesteld, doch is overwogen dat ook in het - hier overigens niet aan de orde zijnde - geval, dat een betrokkene een beroep doet op eerdergenoemde feiten en omstandigheden, een bedrag van fl. 150,-- in het algemeen niet in de weg zal staan aan toegang tot de rechter.

3.4 Uit het vorenoverwogene volgt, dat de kantonrechter het beroep van betrokkene terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De bestreden beslissing dient derhalve te worden bevestigd.

3.5 Het hof acht mitsdien geen termen aanwezig om het verzoek tot vergoeding van proceskosten toe te wijzen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

- bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

- wijst af het verzoek tot vergoeding van proceskosten.

Dit arrest is gewezen door mr Vellinga, vice-president, in tegenwoordigheid van mr Wijma, als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 30 mei 2000.