Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2000:ZJ0020

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
14-06-2000
Datum publicatie
12-06-2002
Zaaknummer
WAHV 00-00056
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2001, 146

Uitspraak

WAHV 00/00056

14 juni 2000

CJIB 26626429

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te Eindhoven

van 8 februari 2000

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats],

voor wie als gemachtigde optreedt B.W. van Beek, wonende te Eindhoven.

11 RVV 1990

18 RVV 1990

wijziging gedraging

wijziging feitcode

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement 's Hertogenbosch ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie opgelegd van fl 180,-- ter zake van "bij afslaan niet het verkeer naast of links dicht achter zich voor laten gaan" welke gedraging zou zijn verricht op 12 mei 1999 op de Amazonenlaan te Eindhoven.

3.2. De gemachtigde van betrokkene heeft de gedraging ontkend. In zijn beroepschriften voert hij -zakelijk weergegeven - aan dat hij als bestuurder van het voertuig genoemd in de beschikking een voor hem stilstaand voertuig, dat zich als obstakel op de weg bevond, rechts voorbij is gereden en vervolgens linksaf is geslagen.

3.3. In hoger beroep kan van het navolgende worden uitgegaan. De personenauto van de ambtenaar die de administratieve sanctie heeft opgelegd stond tegen de wegas voorgesorteerd op de Amazonenlaan te Eindhoven teneinde op de T-kruising met de Orpheuslaan linksaf te slaan. De gemachtigde van betrokkene is als bestuurder van de in de beschikking vermelde bestelauto, na achter de voorgesorteerde auto eveneens naar links te hebben voorgesorteerd, deze rechts voorbij gereden en daarna linksaf geslagen, terwijl ook de personenauto tevens in beweging was gekomen om zijn weg linksaf te vervolgen.

3.4. Door de gemachtigde van betrokkene is ter ondersteuning van zijn standpunt, dat er sprake was van een "stilstaand obstakel op de weg" achtereenvolgens in de verschillende stadia van de procedure aangevoerd dat de bestuurder van de andere auto "met andere zaken bezig was dan autorijden", dat "feitelijk blijkt, dat hij achter het stuur heeft zitten 'slapen'. Op het moment dat ik hem passeerde schrok hij op en reed door", en dat "terwijl de verkeerssituatie dit ruimschoots toeliet hij niet door reed, het leek alsof de auto te kampen had met pech". Daartegenover heeft bedoelde ambtenaar verklaard, dat hij ter plaatse was gestopt om voorrang te verlenen aan van rechts komend verkeer, rechts ingehaald werd door de gemachtigde van betrokkene, die in plaats van rechtsaf te slaan eveneens naar links afsloeg op het moment, dat hij eveneens zijn weg linksaf vervolgde, waarna hij krachtig moest remmen.

3.5. Het hof is van oordeel dat, in aanmerking genomen, dat bedoelde ambtenaar verklaart (hetgeen namens betrokkene niet is bestreden), dat de verkeerssituatie ter plaatse tot bijzondere zorgvuldigheid noopt, niet aannemelijk is dat de personenauto een - niet aan het verkeer deelnemend - obstakel heeft gevormd, noch dat de gemachtigde dat redelijkerwijs heeft kunnen denken. De lezing van de gemachtigde van betrokkene wordt derhalve van de hand gewezen.

3.6. Met betrekking tot de vraag welke gedragsregel van het RVV 1990 is overtreden overweegt het hof het volgende. De nota van toelichting op artikel 18 van het RVV 1990 vermeldt: "Het bepaalde in artikel 18, eerste lid, wijkt inhoudelijk niet af van de regeling zoals deze ingevolge het RVV 1966 gold.". De nota van toelichting op het met artikel 18, eerste lid, overeenkomende artikel 46 RVV 1966 houdt voor zover hier van belang in: "Wie links of rechts wil afslaan mag het rechtuitgaande verkeer niet hinderen". Artikel 18, eerste lid, RVV 1990 beoogt derhalve niet de verhouding te regelen tussen verkeersdeelnemers, die beiden willen afslaan, zoals in het onderhavige geval.

3.7. Hetgeen feitelijk is geschied, is dat de gemachtigde van betrokkene als bestuurder van de auto van betrokkene de auto van genoemde ambtenaar rechts heeft ingehaald. Aldus heeft hij zich niet gedragen overeenkomstig artikel 11, eerste lid, RVV 1990, dat voorschrijft: "inhalen geschiedt links". Weliswaar bevat lid 2 van dit artikel hierop de uitzondering dat bestuurders die links voorgesorteerd hebben en te kennen hebben gegeven dat zij naar links willen afslaan rechts worden ingehaald, maar in samenhang met het ten aanzien van artikel 18, eerste lid, RVV 1990 overwogene, moet deze uitzondering zo gelezen worden dat rechts inhalen slechts mag geschieden door bestuurders, die niet zelf (eveneens) naar links willen afslaan.

3.8. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat in casu artikel 11, eerste lid, RVV 1990 is overtreden. Deze gedraging is in de bijlage als bedoeld in artikel 2, eerste lid, WAHV opgenomen onder feitcode R326 (niet links inhalen). De hoogte van de daarbij behorende sanctie is gelijk aan die welke is gesteld op de bij feitcode R347B gestelde gedraging. Het hof zal derhalve de inleidende beschikking voor zover daarin de feitcode R347B en als gedraging "bij afslaan niet het verkeer naast of links dicht achter zich voor laten gaan" is opgenomen wijzigen. De omschrijving van de gedraging wordt gewijzigd in: "niet links inhalen" en de feitcode in: R326. Het hof zal voor het overige het beroep ongegrond verklaren.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij de feitcode en de omschrijving van de gedraging in de inleidende beschikking in stand zijn gelaten;

wijzigt, met vernietiging van de inleidende beschikking in zoverre, de feitcode in: R326 en de omschrijving van de gedraging in: "niet links inhalen";

verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Dit arrest is gewezen door mrs Dijkstra, vice-president, als voorzitter, Vellinga, vice-president en Kalsbeek, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 14 juni 2000.