Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2000:ZJ0009

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
07-06-2000
Datum publicatie
13-06-2002
Zaaknummer
WAHV 00-00074
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 9, geldigheid: 2000-06-07
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2001, 6

Uitspraak

WAHV 00/00074

7 juni 2000

CJIB 26897258

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te Rotterdam

van 11 februari 2000

betreffende

[ B.V. ] (hierna te noemen: betrokkene),

zetelend te [vestigingsplaats],

voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

S.J.J.I. van Driel heeft, als gemachtigde van de betrokkene, tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling van de bestreden beslissing

3.1. Bij inleidende beschikking is aan de betrokkene een administratieve sanctie van ƒ 180 opgelegd ter zake van :"Andere richting volgen dan voorsorteerstrook-richting", welke gedraging zou zijn verricht op 17 maart 1999 op de Stadionweg te Rotterdam.

3.2. Namens betrokkene is in het beroepschrift gesteld, dat betrokkene de gedraging niet ontkent, maar dat in de omstandigheden van het geval de oplegging van een administratieve sanctie achterwege had moeten blijven dan wel dat een aanzienlijk lagere sanctie had moeten worden vastgesteld. Daartoe wordt namens betrokkene aangevoerd, dat de situatie ter plaatse in verband met wegwerkzaamheden erg onoverzichtelijk was, dat de bestuurster van de auto, waarvan het kenteken op naam van betrokkene stond, slechts af en toe ter plaatse reed terwijl de situatie regelmatig gewijzigd werd, dat zij daardoor niet tijdig ontdekte dat zij niet in de rijstrook voor rechtsafslaand verkeer maar in de rijstrook voor doorgaand verkeer stond, en dat de chauffeur van een vrachtauto haar uitdrukkelijk de gelegenheid bood van rijstrook te wisselen, zodat door het wisselen van rijstrook geen gevaarlijke situatie ontstond.

3.3. Artikel 78 RVV 1990 luidde ten tijde van de gedraging: Bestuurders van een motorvoertuig die op een kruispunt een bepaalde richting willen volgen moeten gebruik maken van de voorsorteerstrook waarin deze richting wordt aangegeven.

3.4. De Nota van toelichting bij die bepaling luidt:

"Met deze tekst wordt gepoogd het hoofd te bieden aan de problemen die bij de toepassing van artikel 123 van het RVV 1966 zijn gerezen. Zo besliste de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 10 april 1979 dat de vraag of nabij een

kruispunt van rijstrook mag worden gewisseld en een andere richting mag worden gevolgd dan die aangeduid door in een rijstrook gestelde pijlen regeling vindt in andere wettelijke voorschriften dan artikel 123 van het RVV 1966. Met de nieuwe tekst wordt bereikt dat de bestuurder die van voorsorteerstrook wisselt daarop kan worden aangesproken zelfs al is ter plaatse geen doorgetrokken streep toegepast. In dergelijke gevallen kan van de bestuurder immers niet worden gezegd dat hij bij het volgen van een bepaalde richting van de voorsorteerstrook gebruik heeft gemaakt omdat hij deze pas op een later moment is gaan berijden. Hiermee wordt een rustig verkeersbeeld bevorderd. Op kruispunten met voorsorteerstroken moeten bestuurders van de voorsorteerstrook die op hun richting betrekking heeft gebruik maken. Het ergerlijke rijstrook wisselen kan hiermee worden beperkt. Overigens verhindert de bepaling niet dat een bestuurder die constateert dat hij het onjuiste voorsorteervak berijdt de juiste rijstrook opzoekt, voor zover hij daarmee de veiligheid niet in gevaar brengt. Pas in dergelijke gevallen is politieoptreden gewenst".

3.5. Uit de omstandigheid dat de Nota van toelichting louter het wisselen van rijstrook kenschetst als rijgedrag dat "ergerlijk" is, kan worden afgeleid dat het in art. 78 RVV 1990 neergelegde gebod mede is gegeven met het oog op het afwezig zijn en blijven van enige ergernis bij ieder van de overige weggebruikers en dat het aldus de verkeersveiligheid dient. Voorts is van belang dat art. 78 RVV 1990 noch enige andere bepaling van het RVV 1990 een uitzondering bevat op het aldaar gegeven gebod, in het bijzonder niet de uitzondering dat de veiligheid

van het verkeer niet in gevaar is gebracht. Een en ander brengt mee dat een in strijd met dat artikel verrichte gedraging op zichzelve reeds het opleggen van een administratieve sanctie kan rechtvaardigen, ook in het geval dat door de gedraging de veiligheid van het verkeer niet in gevaar is gebracht.

3.6. De twee slotzinnen van de Nota van toelichting moeten aldus worden begrepen dat de politieambtenaar in de bijzondere omstandigheden van het geval - zoals wanneer een bestuurder van rijstrook wisselt omdat hij zich bij vergissing in het verkeerde voorsorteervak bevindt - en onder de voorwaarde dat de veiligheid van het verkeer niet in gevaar is gebracht, aanleiding kan vinden om optreden achterwege te laten en geen administratieve sanctie op te leggen. (HR 19 november 1996, VR 1997, 110).

3.7. Aldus is de vraag aan de orde of de door betrokkene aangevoerde omstandigheden van zodanig gewicht zijn, dat deze het opleggen van een administratieve sanctie niet billijken dan wel dienen te leiden tot het vaststellen van een lager bedrag van de administratieve sanctie. Met het oog op die vraag is het volgende van belang.

3.8. Blijkens de toelichting van de verbalisant op de beschikking, zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB heeft de bestuurder bij het verwisselen van rijstrook de tussen de voorsorteervakken gesitueerde doorgetrokken streep overschreden.

3.9. Art. 76 RVV 1990 luidt thans (Besluit van 16 november 1994, Stb. 815):

Een doorgetrokken streep heeft de volgende betekenis:

a. indien de streep zich bevindt tussen rijstroken dan wel op paden, met verkeer in beide richtingen: bestuurders mogen de streep niet naar links overschrijden en zich niet links van de streep bevinden, tenzij aan de rechter zijde van de doorgetrokken streep een onderbroken streep is aangebracht;

b. indien de streep zich bevindt tussen rijstroken dan wel op paden, voor verkeer in één richting: bestuurders mogen de streep niet overschrijden, tenzij tussen de bestuurder en de doorgetrokken streep een onderbroken streep is aangebracht.

3.10. De Nota van toelichting op de huidige tekst van art. 76 RVV 1990 houdt onder meer in: "Uit onderdeel b vloeit voort dat bestuurders bij een doorgetrokken streep tussen rijstroken in één richting, niet van rijstrook mogen wisselen. Bestuurders op de rechter rijstrook mogen dus niet naar de linker rijstrook om vervolgens linksaf te kunnen slaan; bestuurders op de linker rijstrook mogen ook niet naar de rechter rijstrook om vervolgens rechtsaf te kunnen slaan."

3.11. Gelet op het met het oog op een veilige en vlotte verkeersafwikkeling gegeven stringente verbod van art. 76 RVV 1990 zijn de door betrokkene aangevoerde omstandigheden niet van zodanig gewicht, dat deze het opleggen van een administratieve sanctie niet billijken dan wel leiden tot het vaststellen van een lager bedrag van de administratieve sanctie.

3.12. Derhalve dient de bestreden beslissing te worden bevestigd.

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mrs Vellinga, vice-president als voorzitter, Dijkstra, vice-president, en Kalsbeek, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr Wijma, als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 7 juni 2000.