Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2000:AE9992

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
11-10-2000
Datum publicatie
09-08-2006
Zaaknummer
0000280
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In het feit dat fraude is gepleegd vóór toepassing schuldsaneringsregeling maar besluit terugvordering ná toepassing, ziet Hof geen beëindigingsgrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Het gerechtshof te Leeuwarden

Arrest gewezen inzake:

X.,

wonende te P.,

appellante,

toevoeging,

hierna ook te noemen: X.

procureur mr. P.R. van den Elst,

advocaat mr. G.B. de Jong.

Het geding in eerste instantie

Bij vonnis van 12 september 2000 heeft de rechtbank te Groningen op voordracht van de rechter-commissaris de sedert 16 november 1999 op X. van toepassing zijnde schuldsaneringsregeling beëindigd en voorts verstaan dat X. - zodra voormeld vonnis in kracht van gewijsde is gegaan - van rechtswege in staat van faillissement verkeert met aanstelling van mr. W.Ph. Steenhuisen tot curator.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 20 september 2000, heeft X. verzocht voornoemd vonnis te vernietigen en alsnog te bepalen dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden voortgezet.

Het hof heeft voorts kennis genomen van de inhoud van de overige stukken.

Ter zitting van 5 oktober 2000 is de zaak behandeld.

De beoordeling

De grief komt - zakelijk weergegeven - op tegen het oordeel van de rechtbank dat op grond van artikel 350 lid 3 sub c, sub d en sub e Faillissementswet (hierna: Fw) de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd dient te worden.

Bij vonnis van 16 november 1999 heeft de rechtbank te Groningen het verzoek van X. tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, toegewezen, met benoeming van de heer G.J. Kram tot bewindvoerder.

Bij besluit van 9 februari 2000 is X. door de dienst SOZAWE van de Gemeente Groningen hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de terugbetaling van te onrechte verleende bijstand aan haar partner, de heer Y., over de periode 19 mei 1999 tot en met 30 juni 1999 voor een bedrag van f. 2.429,70.

X. heeft tegen voormeld terugvorderingsbesluit niet binnen de daarvoor gestelde termijn - van zes weken - bezwaar ingediend. Dientengevolge moet het hof uitgaan van de juistheid van voormeld besluit en staat - gelet op het bepaalde in art. 84 lid 2 en lid 3 Abw - vast dat X. hoofdelijk aansprakelijk is voor de fraudeschuld van Y.

Gelet op de omstandigheid dat voormelde fraudeschuld uit een periode vóór het van toepassing zijn van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van X. stamt er mede in aanmerking nemende dat X. pas in februari 2000 met bedoelde hoofdelijke aansprakelijkheid voor de terug betaling van bijstand bekend is geworden, is naar 's hofs oordeel niet komen vast te staan dat X. één of meer van haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren is nagekomen. Dit brengt mede dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van X. niet op grond van art. 350 lid 3 sub c Fw kan worden beëindigd.

Voorts is het hof van oordeel dat niet is komen vast te staan dat X. sedert het van toepassing zijn van de schuldsaneringsregeling - verwijtbaar - bovenmatige schulden heeft doen of laten ontstaan, nu ook ten aanzien van deze beëindigingsgrond als bedoeld in art. 350 lid 3 sub d Fw geldt dat de fraudeschuld reeds vóór het van toepassing zijn van de schuldsaneringsregeling - te weten vóór 16 november 1999 - is ontstaan. Derhalve kan ook op deze grond niet tot beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling worden gekomen.

De toepassing van de schuldsaneringsregeling kan evenmin worden beëindigd op grond van het bepaalde in art. 350 lid 3 sub e Fw, nu het enkele feit dat X. een uitkering krachtens de werkeloosheidswet ontvangt en derhalve geen - hoger - inkomen uit arbeid geniet, zonder meer nog niet meebrengt dat zij haar schuldeisers tracht te benadelen in de zin van voormelde bepaling. Daarnaast is bij gelegenheid van de behandeling ter terechtzitting is opgenomen in het Martini-ziekenhuis te Groningen teneinde aan een hernia te worden geopereerd en dat zij zich bij de uitkerende instantie inmiddels heeft ziekgemeld.

Het vorenoverwogene brengt mee dat het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd en dat opnieuw zal worden beslist als na te melden.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis van 12 september 2000 waarvan beroep;

en opnieuw beslissende:

weigert de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van X.

Aldus gewezen door mrs. Boon, voorzitter, Wachter en Bäuerle-Hetebrij raden, en uitgesproken door mr, fungerend-president, lid van de tweede enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van als waarnemend griffier ter openbare terechtzitting van dit van woensdag 11 oktober 2000.