Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2000:AE9991

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
16-06-2000
Datum publicatie
08-08-2006
Zaaknummer
0000152
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toewijzing ondanks dat betrokkene als statutaire bestuurder van een door haar zoon opgerichte B.V. aan algemene volmacht had gegeven aan haar zoon en niets wist van hetgeen zich afspeelde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Het gerechtshof te Leeuwarden

arrest gewezen inzake

X.,

wonende te P.,

appellante, hierna te noemen: X.,

procureur mr P.R. van den Elst,

advocaat mr J.J.L.M. Johannink.

Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van 13 april 2000 heeft de rechtbank te Leeuwarden de voorlopige toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van X. onder benoeming van mr P.S. van Zandbergen, advocaat en procureur te Buitenpost, tot bewindvoerder.

Bij vonnis van 18 mei 2000 heeft de rechtbank te Leeuwarden het verzoek van X. om de toepassing van de (definitieve) schuldsaneringsregeling uit te spreken, afgewezen.

Het geding in hoger beroep

Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 24 mei 2000 heeft X. verzocht het vonnis van 18 mei 2000 te vernietigen en opnieuw beslissende alsnog de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van de overige stukken.

Ter zitting van 8 juni 2000 is de zaak behandeld. De raadsman van X. heeft een toelichting gegeven. X. en de bewindvoerder zijn gehoord.

De beoordeling

1. X. heeft verzocht, de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken als bedoeld in artikel 284 Faillissementswet (hierna Fw).

2. De rechtbank heeft de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen. In de beslissing waar van beroep heeft de rechtbank geoordeeld dat aannemelijk is dat X. niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden dan wel dat er gegronde vrees bestaat dat X. tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling haar schuldeisers zal trachten te benadelen.

3. X. stelt dat zij niets wist van hetgeen zich afspeelde binnen de vennootschap waarvan zij statutair bestuurder was. Zij meent daarom dat zij te goeder trouw is geweest ten aanzien van de schuld aan (de curator van) Y.-BV. X. wijst er op dat zij (in feitelijke zin) nimmer leidinggevende is geweest en daartoe ook niet in staat is geweest, zodat aldus X. evenmin sprake kan zijn van onbehoorlijke taakvervulling en het houden van onvoldoende toezicht (in feitelijke zin).

4. Uit de stukken en de behandeling ter zitting is het volgende gebleken.

X. is statutair directeur van Z.-Beheer BV. X. had als statutair directeur aan haar zoon ten behoeve van de uitoefening van de onderneming van Z.-Beheer BV een algemene volmacht verleend. De feitelijk bestuurder van deze vennootschap is/was haar zoon.

Zowel Z.-Beheer BV als de zoon van X. is betrokken (geweest) bij faillissementen van een aantal andere ondernemingen waaronder de - na aankoop door Z.-Beheer BV - gefailleerde Y.-BV.

Een van de schulden van X. betreft een dading overeengekomen in een procedure betreffende bestuurders aansprakelijkheid tegen Z.-Beheer BV, X. en haar zoon in het faillissement van Y.-BV. Zowel Z.-Beheer BV als de zoon van X. is in staat van faillissement verklaard.

In het faillissement van Z.-Beheer BV is mr P.S. van Zandbergen, de bewindvoerder, aangesteld als curator.

5. De bewindvoerder heeft ter zitting medegedeeld X. niet actief betrokken is geweest bij de bedrijfsvoering van Z.- Beheer BV en uitsluitend als statutair directeur van Z.-Beheer BV overeenkomstig artikel 2:248 BW (wellicht) formeel aansprakelijk kan worden gehouden voor schulden van Z.-Beheer BV. De bewindvoerder heeft voorts aangegeven er op te vertrouwen X., indien toegelaten tot de schuldsanering, de afspraken met de bewindvoerder zal nakomen.

6. Ter zitting heeft X. medegedeeld niet meer te zullen meewerken aan (toekomstige) ondernemingsactiviteiten van haar zoon.

7. Gelet op de stukken en de behandeling ter zitting, in het bijzonder de verklaringen van de bewindvoerder en X., is het hof van oordeel dat X. , indien toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling naar behoren zal naleven en dat er geen reden is te veronderstellen dat X. haar crediteuren zal (trachten te) benadelen.

8. Het vorenstaande brengt mede dat zich in het onderhavige geval geen grond voordoet waarop het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling - overeenkomstig het bepaalde in artikel 288 lid 1 Fw - imperatief dient te worden afgewezen. in het bijzonder is niet gebleken dat gegronde vrees bestaat dat X. tijdens de toe passing van de schuldsaneringsregeling zal trachten haar schuldeisers te benadelen en haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen.

9. Gelet op de stukken en de behandeling ter zitting, is het hof, mede bezien in het licht van de doelstelling van de wet om aan een natuurlijk persoon eenmalig de kans te geven een nieuwe start te maken, voorts van oordeel dat sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden X. - zo zij al ten aanzien van het ontstaan van haar schuld aan Y.-BV niet te goeder trouw is geweest - niettemin toch dient te worden toegelaten tot de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling.

10. Het hof is ook overigens niet gebleken van feiten en omstandigheden die aan toewijzing van het inleidend verzoek van X. in de weg staan.

11. Gelet op het vorenstaande dient het vonnis waarvan beroep te worden vernietigd en dient het verzoek de (definitieve) toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken alsnog te worden toegewezen.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

spreekt uit de (definitieve) toepassing van de schuldsanering ten aanzien van X. voornoemd.

Aldus gewezen door mrs Boon, voorzitter, Wachter en Kuiken, raden, en uitgesproken door mr Boon, fungerend president, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Robben als waarnemend griffier ter bijzondere openbare terechtzitting van dit hof van vrijdag 16 juni 2000.