Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2000:AD8298

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
10-02-2000
Datum publicatie
22-01-2002
Zaaknummer
24-000821-99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 24-000821-99

Arrest d.d. 10 februari 2000 van het gerechtshof te Leeuwarden, derde meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Groningen d.d. 5 augustus 1999 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op 9 mei 1956 te Curacao,

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in Huis van Bewaring Doetinchem,

Hogenslagweg 8 7009 CD Doetinchem

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman,

mr S.O. Roosjen, advocaat te Groningen.

Het vonnis waarvan beroep.

De arrondissementsrechtbank te Groningen heeft de verdachte bij voormeld vonnis, voor zover aan hoger beroep onderworpen, op tegenspraak wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en een bijkomende straf en heeft voorts beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, een en ander als in het vonnis nader omschreven.

Aanwending van het rechtsmiddel.

De verdachte is d.d. 16 augustus 1999 op de voorgeschreven wijze en tijdig van voormeld vonnis in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft gelet op het onderzoek ter 's hofs terechtzitting van 27 januari 2000 en op het onderzoek in eerste aanleg als voorgeschreven bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering.

Gehoord zijn:

De advocaat-generaal zowel in diens voordracht van de zaak alsook in diens vordering, alsmede de verdachte zo in zijn antwoorden als in de middelen van verdediging door en namens hem aangevoerd.

Omvang van het aangewende rechtsmiddel.

Hoewel het hoger beroep onbeperkt is ingesteld moet aangenomen worden -blijkens de verklaring van de raadsman van verdachte ter 's hofs terechtzitting-, dat het rechtsmiddel niet is gericht tegen de vrijspraak van hetgeen verdachte bij inleidende dagvaarding onder 5 is telastegelegd.

De beslissing op het hoger beroep.

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, voor zover aan hoger beroep onderworpen, vernietigen en in zoverre opnieuw recht doen.

Telastelegging.

Het hof neemt uit het beroepen vonnis over -als voor dit hoger beroep van belang- de daar onder 1, onder 2, onder 3 en onder 4 vermelde inhoud van de inleidende dagvaarding.

Bewezenverklaring.

(zie de aangehechte, uitgestreepte telastelegging)

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1, onder 2, onder 3 en onder 4 meer of anders is telastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie.

Hetgeen het hof als bewezen heeft aangenomen levert respectievelijk op de misdrijven:

feit 1:

afpersing door twee of meer verenigde personen;

feiten 2 en 4 telkens:

diefstal, door twee of meer verenigde personen, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken;

feit 3:

voortgezette handeling van

afpersing door twee of meer verenigde personen

en

diefstal, door twee of meer verenigde personen, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

Strafbaarheid.

Het hof acht verdachte te dezer zake strafbaar, nu ten opzichte van hem geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering.

De rechtbank heeft de verdachte ter zake van vier overvallen veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaren. De verdachte is in hoger beroep gekomen. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot zeven jaren gevangenisstraf.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten, vier overvallen, en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vier gewapende overvallen, feiten die zo ernstig zijn en voor de direct betrokkenenen en de samenleving zo verontrustend dat alleen een vrijheidsbenemende straf in aanmerking komt.

De gewapende overvallen op reisbureaus heeft verdachte samen met een ander gepleegd binnen zeer korte tijdspanne. Bij alle overvallen hebben zij een geldbedrag buitgemaakt.

De overvallen reisbureaus waren (mede) uitgekozen omdat deze over het algemeen (nog) niet tegen overvallen als door verdachte en zijn mededader gepleegd, zijn beveiligd.

Verdachte en zijn mededader hebben bij de overvallen gebruik gemaakt van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en daarmee gedreigd. Aangenomen kan worden dat de slachtoffers van de overvallen ernstig door het gebeurde zijn geschokt, terwijl de ervaring leert dat zij nog lange tijd de nadelige psychische gevolgen zullen ondervinden van wat hun is overkomen.

Het hof rekent verdachte zwaar aan dat hij de overvallen heeft gepleegd kort nadat hij een langdurige gevangenisstraf eveneens terzake van door hem gepleegde overvallen had ondergaan.

Verdachte is eerder veroordeeld voor diefstallen met geweld. Het hof zal dan ook de recidive ten nadele van verdachte meewegen.

Bij de strafoplegging heeft het hof tevens rekening gehouden met het ad informandum gevoegde feit, te weten een poging tot een overval op een reisbureau. Dit feit heeft verdachte ter 's hofs terechtzitting erkend.

Eén en ander brengt het hof tot de conclusie dat een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren als passend moet worden aangemerkt.

Motivering van de beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij].

In eerste aanleg werd de vordering in haar geheel toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van de gehele vordering in hoger beroep voort.

De vordering is van de zijde van verdachte niet weersproken. Derhalve kan deze worden toegewezen in voege als na te melden, met veroordeling van verdachte als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de benadeelde partij [benadeelde partij], één en ander in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, de verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Nu het openbaar ministerie dit heeft gevorderd, zal het hof de toewijzing mede effectueren in de vorm van een schadevergoedingsmaatregel.

Motivering van de beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij].

In eerste aanleg werd de vordering in haar geheel toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van de gehele vordering in hoger beroep voort.

De vordering is van de zijde van verdachte weersproken. De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat de vordering slechts kan worden toegewezen tot f 500,00, nu slechts dit deel van het gevorderde bedrag voortvloeit uit het onder 1 telastegelegde feit.

De vordering behelst deels schade die niet door het bewezenverklaarde feit onder 1 is toegebracht. De benadeelde partij zal voor dat deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Derhalve kan de vordering slechts deels worden toegewezen in voege als na te melden, met veroordeling van verdachte als de - grotendeels - in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de benadeelde partij [benadeelde partij], één en ander in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, de verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Nu het openbaar ministerie dit heeft gevorderd, zal het hof de toewijzing mede effectueren in de vorm van een schadevergoedingsmaatregel.

Toepassing van wetsartikelen.

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 56, 57, 310, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak.

HET HOF,

RECHTDOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, voor zover aan hoger beroep onderworpen, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

verklaart het verdachte als voormeld onder 1, onder 2, onder 3 en onder 4 telastegelegde bewezen en te kwalificeren als voormeld en verklaart deze feiten en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren;

beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

gelast de teruggave aan verdachte van het navolgende inbeslaggenomen voorwerp:

een muts met opdruk "Sanex"

voor zover nog niet teruggegeven;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1, onder 2, onder 3 en onder 4 meer of anders is telastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde partij], gevestigd te [adres], [adres], tot een bedrag van

f. 500,-- (zegge: vijfhonderd gulden);

een en ander in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde partij], gevestigd te [adres], [adres], tot een bedrag van f. 500,-- (zegge: vijfhonderd gulden);

een en ander in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in dat deel van haar vordering waarop hiervóór niet is beslist;

bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partijen gemaakt -tot aan deze uitspraak begroot op nihil- en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van f. 500,--(zegge: vijfhonderd gulden) ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], gevestigd te [adres], [adres], met bevel voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis voor de duur van tien dagen zal worden toegepast;

een en ander in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van f. 500,-- (zegge: vijfhonderd gulden) ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], gevestigd te [adres], [adres], met bevel voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis voor de duur van tien dagen zal worden toegepast;

een en ander in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd;

verstaat dat voldoening aan de verplichtingen tot betaling aan de Staat van voormelde bedragen ten behoeve van de slachtoffers de veroordelingen tot betaling aan de benadeelde partijen van deze bedragen doet vervallen, alsmede dat betaling van voormelde bedragen aan de benadeelde partijen de verplichtingen tot betaling aan de Staat van deze bedragen doet vervallen.

- Dit arrest -

Dit arrest is aldus gewezen door mrs Poelman, raadsheer, als voorzitter, Huisman en Laagland, raden, in tegenwoordigheid van mr Bakker als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2000 door de raadsheer mr Brakenhoff, zijnde mr Laagland voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

type: KB