Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2000:AA9165

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
22-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
324/98
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2001/390

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nr. 324/98 22 december 2000

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van de X (X - regio Groningen) te Z (: belanghebbende) tegen de uitspraak van het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente De Marne (: B&W), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslagen in de onroerende-zaakbelastingen voor het jaar 1995.

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan belanghebbende werden op 31 december 1996 twee aanslagen in de onroerende zaakbelastingen ter zake van de eigendom en het feitelijk gebruik van de onroerende zaak, zijnde het recreatiegebied A gelegen in de gemeente De Marne, opgelegd. Deze aanslagen hebben betrekking op het jaar 1995. Tegen deze aanslagen is belanghebbende in bezwaar gekomen, welk bezwaarschrift, gedagtekend 12 februari 1997, door B&W is ontvangen op 14 februari 1997.

B&W hebben bij uitspraak van 5 februari 1998 het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een pro forma-beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 3 maart 1998 ter 's hofs griffie is ingekomen. De gronden van het beroep (met bijlagen) zijn op 29 mei 1998 door het hof ontvangen. B&W hebben op 2 november 1998 een vertoogschrift (met bijlagen) ingezonden. Daarna hebben partijen conclusies gewisseld. Belanghebbende heeft op 9 juni 2000 een stuk ingezonden aan het hof, waarvan een afschrift aan B&W is toegezonden met het verzoek om op dit stuk ter zitting te reageren.

Vervolgens heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 19 juni 2000, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren namens belanghebbende de heer mr. B alsmede de door B&W gemachtigde ambtenaar. Van alle vermelde stukken (en hierna nog te vermelden) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

Terstond na de sluiting van de zitting heeft het hof in deze zaak in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 3 juli 2000, aan partijen is verzonden.

Bij schrijven ingekomen op 19 juli 2000 heeft belanghebbende op de wijze als bedoeld in artikel 17b van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken verzocht vorenbedoelde uitspraak te vervangen door een schriftelijke.

Op 7 augustus 2000 heeft belanghebbende het daartoe

verschuldigde griffierecht ad f 150,= voldaan.

2. Feiten

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat tussen partijen het volgende onbetwist, althans onvoldoende betwist, vast:

2.1. Belanghebbende, de X, is genothebbende krachtens zakelijk recht en feitelijk gebruiker van het in de gemeente De Marne gelegen recreatiegebied A, waarvan de waarde tot een bedrag van f 29.330.000,- als heffingsgrondslag in de onderhavige aanslagen is begrepen.

2.2. Die twee op ‚‚n aanslagbiljet verenigde aanslagen dragen als dagtekening 31 december 1996.

2.3. Het door belanghebbende tegen die aanslagen ingediende bezwaarschrift dat als dagtekening 12 februari 1997 draagt, is op 12 februari 1997 per fax ter post bezorgd, en, blijkens schrijven van de gemeente De Marne, op 14 februari 1997 door de gemeente ontvangen.

2.4. B&W hebben dat bezwaarschrift ontvankelijk geacht, en vervolgens de aangevoerde bezwaren ten gronde behandeld.

3. Het geschil en standpunten van partijen

3.1. Belanghebbende is primair -kort gezegd- de mening toegedaan dat het onderhavige terrein op grond van het bepaalde in artikel 4, eerste lid, onderdeel e, van de in het onderhavige jaar geldende Verordening onroerend-goedbelastingen 1995 juncto artikel 220d, eerste lid, van de Gemeentewet is vrijgesteld van belastingheffing, hetgeen B&W bestrijden.

3.2. Subsidiair is belanghebbende -kort weergegeven- van mening dat B&W de heffingsgrondslag op een te hoog bedrag hebben vastgesteld.

Voor de onderbouwing van de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:9 juncto artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (: Awb) geldt een bezwaarschrift als tijdig ingediend indien het binnen een termijn van zes weken na dagtekening van de aanslag ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van die termijn is ontvangen.

4.2. Vaststaat dat de aanslagen waren gedagtekend 31 december 1996, en dat het bezwaarschrift eerst op 12 februari 1997 ter post is bezorgd, derhalve niet binnen de door artikel 6:9, tweede lid, Awb, gestipuleerde termijn.

4.3. B&W hadden daarom het bezwaarschrift wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk dienen te verklaren.

4.4. Ten processe zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die, indien vervolgens aannemelijk gemaakt, verschoonbaarheid van die termijnoverschrijding zouden kunnen opleveren. Met name is daartoe onvoldoende dat een buitendienst van het departement van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (in casu X: X) met de feitelijke behandeling van een in te dienen bezwaarschrift zich diende te belasten, nu volgens een verklaring van een ambtenaar van X ter terechtzitting het bewuste aanslagbiljet reeds begin januari 1997 ten kantore van X was ontvangen, zodat indiening van een (pro forma) bezwaarschrift v¢¢r of op de uiterste datum van 11 februari 1997 ruimschoots tot de mogelijkheden moet hebben behoord.

5. Conclusie

Het hof zal doen hetgeen B&W hebben nagelaten. Daartoe zal de bestreden uitspraak worden vernietigd.

6. Proceskosten

Mede nu de Staat niet om een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken heeft gevraagd, acht het hof geen termen aanwezig voor een zodanige veroordeling.

7. Beslissing

Het hof vernietigt de uitspraak van B&W en verklaart belanghebbende alsnog niet-ontvankelijk in het bezwaar, en gelast B&W aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.

Gedaan op 22 december 2000 door mrs. Pruiksma, vice-president, als voorzitter, Fransen, raadsheer, en Wolt, raadsheer-plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van mevrouw mr. De Jong-Braaksma als griffier en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier.

Op 29 december 2000 afschrift aangetekend verzonden aan beide partijen.

De griffier van het Gerechtshof te Leeuwarden.