Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2000:AA9164

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
22-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
819/98
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2001/7.16

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nummer: 819/98 2000

Uitspraak van het gerechtshof te Leeuwarden, eerste meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z (voorheen: L) tegen de uitspraak van het hoofd van de belastingdienst Ondernemingen Heerenveen (: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1994.

1. Ontstaan en loop van het geding.

1.1. Aan belanghebbende werd op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals deze wet voor het onderhavige jaar gold (: de wet), een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen van f 441.533,-, onder toepassing van het 45%-tarief over een gedeelte van laatstgenoemd bedrag ad f 392.341,-.

1.2. Op het tijdig door belanghebbende ingediende bezwaarschrift heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 4 mei 1998 de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van f 435.533,-, onder toepassing van het onder 1.1. vermelde bijzondere tarief over een bedrag van f 386.341,-..

1.3. Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij beroepschrift (met bijlage) dat op 11 juni 1998 bij de griffie van het hof is ingekomen, welk beroepschrift werd aangevuld bij brief (met bijlage) ingekomen op 12 juni 1998.

1.4. De inspecteur heeft op 5 oktober 1998 zijn vertoogschrift (met bijlagen) ingezonden.

1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van het hof van 23 februari 2000, alwaar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde, alsmede de inspecteur. De zaak is door het hof ter zitting aangehouden om de inspecteur in de gelegenheid te stellen bepaalde bescheiden en een nader door hem te maken berekening over te leggen. Partijen hebben ter zitting aangegeven dat zij in beginsel instemmen met afdoening van de onderhavige zaak zonder nadere mondelinge behandeling. Afgesproken is dat, indien (een van) partijen in een later stadium toch behoefte mocht(en) hebben aan een nadere mondelinge behandeling dit aan het hof zal worden bericht.

1.6. Bij brief ter griffie van het hof ingekomen op 10 maart 2000 heeft de inspecteur een nadere uitleg en berekening gegeven. Daarop heeft de gemachtigde van belanghebbende bij brief ingekomen op 13 april 2000 gereageerd. Geen van partijen heeft verzocht om een nadere mondelinge behandeling op een zitting van het hof.

1.7. Van alle genoemde en hierna nog te noemen bescheiden moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting van het hof staat het volgende als onbetwist, danwel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1.Belanghebbende, geboren op 7 november 1959, heeft tezamen met zijn broer A -beiden als vennoot- de volgende vennootschappen onder firma gedreven:

-vanaf 12 april 1991 een vennootschap onder firma, genaamd B te M;

-vanaf 29 maart 1982 een vennootschap onder firma, genaamd “C” te M, met twee nevenvestigingen genaamd Café-restaurant-bar D te M en E te M.

Tijdens een gesprek door of namens belanghebbende met een medewerker van de belastingdienst is afgesproken dat voornoemde vennootschappen in het kader van de belastingheffing worden aangemerkt als één onderneming.

2.2. Na onenigheid hebben beide firmanten bij notariële akte van 24 februari 1994 -kort samengevat, voor zover van belang- verklaard dat zij voormelde vennootschappen onder firma per laatstgenoemde datum hebben opgezegd, dat de gevoerde ondernemingen worden voortgezet door A, dat alle tot die vennootschappen behorende activa zullen worden toebedeeld aan en overgenomen door A onder de last dat hij alle passiva voor zijn rekening zal nemen, dat het tussen 1 januari 1994 en 24 februari 1994 aan belanghebbende toekomende aandeel in de winst is vastgesteld op f 5.500,- en dat wegens overbedeling door A op laatstgenoemde datum een bedrag van f 450.000,- aan belanghebbende wordt voldaan, in welk bedrag is begrepen het aandeel van belanghebbende in het firmavermogen volgens de door de accountant der vennootschappen per 31 december 1993 op te stellen balans.

In de akte is -kort gezegd- vermeld dat de gemaakte afspraken door de voormalige vennoten ook daadwerkelijk zijn uitgevoerd.

2.3. De inspecteur heeft in het kader van de aanslagregeling voormelde bedragen van f 5.500,- en f 450.000,- betrokken bij de (stakings)winst uit onderneming over onderhavig jaar en het in de aangifte vermelde belastbaar inkomen gecorrigeerd en vastgesteld op f 441.533,-, waarvan hij een bedrag van f 392.341,- heeft belast naar het tarief van 45%. Na bezwaar is het belastbaar inkomen -in verband met een verhoging van de autokostenaftrek met f 6.000,- - nader vastgesteld op f 435.533,-, waarvan een bedrag van f 386.341,- is belast naar genoemd bijzonder tarief.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of er stakingswinst tot belanghebbendes belastbaar inkomen over het onderhavige jaar gerekend dient te worden en indien deze vraag bevestigend beantwoord wordt, of de (stakings)winst uit onderneming door de inspecteur op een juist bedrag is vastgesteld. Daarnaast is de in de aanslag begrepen verhoging van f 250,- in geding.

3.2. Belanghebbende stelt zich -kort gezegd- op het standpunt dat er niet afgerekend hoeft te worden omdat hij de vennootschappen omzet in een andere onderneming. Daarnaast voert hij aan dat de door de inspecteur vastgestelde winst veel te hoog is en dat de inspecteur deze winst onvoldoende heeft onderbouwd. Tenslotte meent hij dat hij geen invorderingsboete verschuldigd is.

De inspecteur meent -kort samengevat- dat er sprake is van staking van belanghebbendes onderneming en dat de winst over het onderhavige jaar, inclusief de stakingswinst, eenvoudig met behulp van de opgemaakte akte is te bepalen. Met betrekking tot de in de aanslag begrepen boete voert hij aan dat deze terecht is opgelegd omdat het gaat om een boete in verband met het niet tijdig indienen van de aangifte.

Voor een uitgebreidere weergave van de argumentaties van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken, waaraan ter zitting geen nieuwe gronden zijn toegevoegd.

4. De overwegingen omtrent het geschil.

4.1. Op grond van de inhoud van de onder 2.2. vermelde notariële akte is het hof van oordeel dat belanghebbende op 24 februari 1994 definitief is opgehouden met het drijven van zijn onderneming, die bestond uit het aan hem toe te rekenen deel van de tot dan toe tezamen met zijn broer geëxploiteerde vennootschappen onder firma. Belanghebbende stelt weliswaar dat hij (de opbrengst van) zijn onderneming (ten dele) heeft omgezet/geïnvesteerd in een andere onderneming, doch deze stelling is niet, althans onvoldoende, onderbouwd en aldus niet aannemelijk geworden.

Het hof gaat er derhalve van uit dat belanghebbende zijn onderneming op 24 februari 1994 heeft gestaakt, zodat in zijn belastbaar inkomen over 1994 de stakingswinst alsmede de door hem in dat jaar behaalde jaarwinst dient te worden betrokken.

Op grond van de inhoud van genoemde akte is het hof van oordeel dat belanghebbende voor het afstoten van de activa en passiva in zijn onderneming -inclusief zijn aandeel in het firmavermogen- een bedrag van f 450.000,- zal ontvangen en naar vaststaat vervolgens ook daadwerkelijk van zijn broer heeft ontvangen. Ter bepaling van de door belanghebbende behaalde stakingswinst dient de fiscale boekwaarde van zijn aandeel in die activa en passiva op het tijdstip van staking in mindering te worden gebracht. Ondanks dat noch de inspecteur noch belanghebbende de jaarstukken van de onderhavige onderneming (over 1993 en 1994) heeft kunnen overleggen, acht het hof -op grond van de zich bij de gedingstukken bevindende gegevens betreffende de fiscale oudedagsreserve (: for) over het jaar 1993, waaruit blijkt dat het fiscale vermogen van belanghebbendes onderneming per 31 december 1993 f 38.655 bedroeg en welke gegevens naar moet worden aangenomen onherroepelijk vaststaan- aannemelijk dat het saldo van de totale fiscale boekwaarde van de activa en passiva in belanghebbendes onderneming per 24 februari 1994 niet meer heeft bedragen dan genoemde f 38.655,-. Het tegendeel is niet aannemelijk geworden. In dit verband acht het hof van belang dat ter bepaling van het ondernemingsvermogen in het kader van de for in aanmerking dient te worden genomen de waarde welke voor het bepalen van de fiscale winst aan het vermogen wordt toegerekend, dat wil zeggen de fiscale boekwaarde van de bezittingen verminderd met de fiscale boekwaarde van de schulden alsmede dat met betrekking tot firmanten voor ieder der firmanten het ondernemingsvermogen afzonderlijk dient te worden bepaald. Niet aannemelijk is geworden dat de inspecteur, door laatstgenoemd bedrag in aanmerking te nemen, de stakingswinst op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Belanghebbendes stelling dat het startkapitaal onbelast dient te blijven snijdt geen hout.

Het hof is overigens niet gebleken dat het belastbaar inkomen en/of de daarin betrokken stakings- en/of jaarwinst op een onjuist -te hoog- bedrag is vastgesteld.

4.2. Kennelijk meent belanghebbende dat de in de aanslag betrokken verhoging van f 250,- betrekking heeft op het niet (tijdig) betalen van belasting. Hij heeft het immers over invorderingsboete en het niet ontvangen van de aanslag. De inspecteur stelt evenwel dat het gaat om een boete die het gevolg is van de omstandigheid dat belanghebbende zijn aangifte niet tijdig bij de belastingdienst heeft ingediend, welke omstandigheid door belanghebbende niet is weersproken. Het hof ziet -gelet op de aanduiding op de bij de stukken gevoegde resultatennota over het jaar 1994- geen reden aan de juistheid van de stelling van de inspecteur te twijfelen. Door belanghebbende zijn naar het oordeel van het hof onvoldoende omstandigheden aangevoerd die er toe leiden dat deze omissie verschoonbaar is te achten. Het opleggen van boete als zodanig alsook de hoogte van de opgelegde boete acht het hof onder voormelde omstandigheden passend.

4.3. Het beroep van belanghebbende is mitsdien ongegrond.

4.4. Er zijn geen termen aanwezig te komen tot een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. De beslissing.

Het hof bevestigt de uitspraak van de inspecteur.

Gedaan op 22 december 2000 door prof mr E. Aardema, vice-president en voorzitter,

mr H.H.A. Fransen, raadsheer, en dhr H. Rood, raadsheer-plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van dhr G.J.M. Gerrits als griffier, en ondertekend door voornoemde voorzitter en voornoemde griffier.

Uitgesproken ter openbare zitting van het hof van 22 december 2000 te Leeuwarden door mr F.J.W. Drion, raadsheer.

Op 29 december 2000 afschrift aangetekend verzonden aan beide partijen.

De griffier van het gerechtshof te Leeuwarden.