Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2000:AA8984

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
08-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
1211/98
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nr. 1211/98 8 december 2000

Uitspraak van het gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, na verwijzing bij het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 30 september 1998, nummer

33.602, waarbij op het beroep in cassatie van X te Z de uitspraak van het gerechtshof te Arnhem van 30 juni 1997 betreffende de aan laatstgenoemde voor het jaar 1990 opgelegde aanslag in de zuiveringslasten is vernietigd met verwijzing van het geding naar het gerechtshof te Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van voormeld arrest.

1. Ontstaan en loop van het geding.

Belanghebbende werd voor het onderhavige jaar bij aanslagbiljet, gedagtekend 30 november 1993 door het dagelijks bestuur van het zuiveringsschap Veluwe, thans het waterschap Vallei en Eem te Amersfoort (nader: het dagelijks bestuur) aangeslagen in de zuiveringslasten tot een bedrag van f 86.153,76.

Op het door belanghebbende tegen deze aanslag gemaakte bezwaar heeft het dagelijks bestuur bij uitspraak de aanslag gehandhaafd. Op het beroep van belanghebbende tegen vorenbedoelde uitspraak heeft het gerechtshof te Arnhem bij voormelde uitspraak de uitspraak van het dagelijks bestuur bevestigd.

Op het door belanghebbende ingestelde beroep in cassatie heeft de Hoge Raad bij voormeld arrest de uitspraak van het gerechtshof te Arnhem vernietigd en het geding, gelijk hiervoor omschreven, verwezen naar het gerechtshof te Leeuwarden. Het gerechtshof te Leeuwarden heeft partijen in de gelegenheid gesteld naar aanleiding van de verwijzing van de zaak een memorie in te zenden. De gemachtigde van het dagelijks bestuur en belanghebbende hebben achteenvolgens op 31 december 1998 en 4 februari 1999 een memorie bij de griffie van het gerechtshof te Leeuwarden ingediend. Afschrift van de onderscheiden memories is aan de wederpartij gezonden. Vervolgens heeft de mondelinge behandeling door het gerechtshof te Leeuwarden plaatsgevonden ter zitting van 16 november 2000, gehouden te Leeuwarden, waarbij aanwezig waren belanghebbende, bijgestaan door dhr. A, alsmede de gemachtigde van het dagelijks bestuur, bijgestaan door dhr. B en mw. C. Ter voormelde zitting heeft de gemachtigde van het dagelijks bestuur een pleitnota voorgedragen en overgelegd. Van alle genoemde (en nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten,

Het hof neemt uit de uitspraak van het gerechtshof te Arnhem en uit het arrest van de Hoge Raad over de vaststaande feiten, de overwegingen en de beslissingen, die in cassatie niet of tevergeefs zijn bestreden, dan wel die welke door de Hoge Raad zijn gegeven.

3. Het geschil.

Na verwijzing is nog in geschil het antwoord op de vraag of de door belanghebbende verrichte lozingen een geringere hoeveelheid mest betroffen dan door de AID berekend en in dat verband of er in werkelijkelijkheid minder mest op belanghebbendes bedrijf is geproduceerd dan door de AID is berekend.

4. Het standpunt van partijen.

4.1. Belanghebbende heeft -voor zover te dezen van belang, kort samengevat_ aangevoerd dat de door hem gepleegde lozingen een geringere hoeveelheid mest betroffen dan door de AID berekend doordat de geloosde mest minder geconcentreerd was dan was gemeten en doordat in werkelijkheid minder mest is geproduceerd dan door de AID aan de hand van al jaren achterhaalde normen is berekend. Belanghebbende heeft die stelling onder meer toegelicht door te wijzen op een door het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij uitgevoerd onderzoek. Voorts heeft belanghebbende in dit verband aangevoerd dat ook in 1993, toen niet meer illegaal werd geloosd, volgens een proces-verbaal van de AID 500 m3 te weinig mest zou zijn afgevoerd, hetgeen (eveneens) erop duidt dat minder mest is geproduceerd dan berekend.

4.2. Namens het Dagelijks Bestuur zijn nadere argumenten aangevoerd, zoals verwoord in de ingezonden memorie en de ter zitting van het gerechtshof te Leeuwarden op 16 november 2000 voorgedragen en overgelegde pleitnota. Ter laatstbedoelde zitting is bovendien het hieronder vermelde aangevoerd.

4.3. Voor uitgebreidere argumentaties verwijst het hof naar de gedingstukken.

5. De overwegingen omtrent het geschil.

Door _kort gezegd_ aan de hand van de door belanghebbende bijgehouden mestboekhouding en de ingevolge de Meststoffenwet en de Wet op de bodembescherming gehanteerde forfaitaire normen de totale mestproductie te berekenen en daarop in aftrek te brengen de door belanghebbende afgezette mest ten aanzien waarvan een nota en mestbon bestaat, is naar het oordeel van het hof namens het Dagelijks bestuur aannemelijk gemaakt dat het uit deze, in casu door de AID uitgevoerde, berekening verkregen resultaat in beginsel als redelijke schatting kan dienen van het door belanghebbende geloosde hoeveelheid mest. Ter zitting van het gerechtshof te Leeuwarden heeft de gemachtigde van het dagelijks bestuur niet, althans onvoldoende, weersproken aangevoerd dat verkregen informatie leert dat door de AID ter zake van de jaren 1990 en 1991 in soortgelijke gevallen _bij de bepaling van de hoeveelheid mest- in de praktijk het beleid werd gevoerd dat het op basis van de vorenbedoelde forfaitaire normen bepaalde mestoverschot, met een marge van maximaal 30 percent naar beneden werd bijgesteld, in verband met de in die jaren bestaande onzekerheid en onduidelijkheid ten aanzien van de juistheid van die forfaitaire normen. Bedoelde correctie ten aanzien van de jaren 1990 en 1991 bleek achteraf bezien onnodig te zijn geweest, nu de forfaitaire normen in latere jaren onverkort werden toegepast. Het dagelijks bestuur heeft zich ter zitting van het gerechtshof te Leeuwarden evenwel bereid verklaard de door de AID ten aanzien van de jaren 1990 en 1991 in soortgelijke gevallen gehanteerde correctie, eveneens in de onderhavige zaak ten aanzien van belanghebbende toe te passen. Nu het kennelijk gaat om een vast door de AID gevoerd beleid in vergelijkbare zaken ter zake van onder meer het onderhavige jaar, is het hof met het dagelijks bestuur van oordeel dat belanghebbende in ieder geval in aanmerking dient te komen voor de ingevolge dat beleid toegepaste -hiervoor omschreven- correctie.

De namens het Dagelijks Bestuur vastgestelde geloosde hoeveelheid meststoffen is -ook na toepassing van vorenbedoelde correctie op basis van het door de AID gevoerde beleid- een resultante van voormelde forfaitaire normen. Dit verkregen resultaat is niet zonder meer beslissend, maar kan door belanghebbende worden weerlegd.

Belanghebbende heeft gesteld dat de door hem gepleegde lozingen een geringere hoeveelheid mest betroffen dan door de AID berekend, omdat in werkelijkheid op zijn bedrijf minder mest is geproduceerd dan door de AID aan de hand van al jaren achterhaalde normen is verdedigd.

Ter zitting van het gerechtshof te Leeuwarden heeft belanghebbende nader aangevoerd dat ook na toepassing van vorenbedoelde correctie, de vastgestelde hoeveelheid meststoffen niet in overeenstemming is met de daadwerkelijk door hem geloosde hoeveelheid mest. Er is - zo stelt hij - door hem veel minder mest geloosd. Op belanghebbende rust onder voormelde omstandigheden de bewijslast het door hem gestelde aannemelijk te maken.

Hij heeft in dit verband weliswaar onder meer gewezen op de in een door het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij uitgevoerd onderzoek vermelde resultaten en op een proces_verbaal van de AID waaruit zou blijken dat ook in 1993, toen niet meer illegaal werd geloosd, 500 m3 te weinig mest zou zijn afgevoerd, hetgeen er (eveneens) op duidt dat minder mest is geproduceerd dan berekend, doch hij heeft het door hem gestelde niet, althans onvoldoende, onderbouwd. Afschriften van de door hem genoemde stukken zijn niet overgelegd. Ook overigens heeft hij het door hem gestelde niet aannemelijk gemaakt. De aanslag dient nader als volgt te worden berekend: 773 m3 mest -/- 232 m3 (30%) = 541 m3 x 2,01 v.e./m3 = 1087 v.e. x f 55,44,- (heffingsbedrag per v.e.) = f 60.263,28,-

Het beroep is derhalve ten dele gegrond.

6. De proceskosten.

In de omstandigheden van het geval vindt het hof aanleiding het dagelijks bestuur te veroordelen in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten het hof op grond van het Besluit proceskosten fiscale procedures bepaalt op f. 150,- aan reiskosten.

7. De beslissing.

Het hof

Vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

Vermindert de aanslag tot f 60.263,28

Gelast dat het betaalde griffierecht met betrekking tot de procedure bij het hof ad f. 75,- aan belanghebbende wordt vergoed door het dagelijks bestuur;

Veroordeelt het dagelijks bestuur de kosten aan belanghebbende te vergoeden, die deze heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij het hof, te bepalen op f 150,- ;

Gedaan op 8 december 2000 door mr H.S. Pruikma , vice-president en voorzitter, mrs F.J.W. Drion en H.H.A. Fransen, raadsheren, in tegenwoordigheid van de griffier mw mr M Hiemstra en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier.

Uitgesproken ter openbare zitting van het hof te Leeuwarden op 8 december 2000 door mr Drion, voornoemd.

Op 13 december 2000 afschrift aangetekend verzonden aan beide partijen.

De griffier van het Gerechtshof te Leeuwarden