Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:1999:AE9986

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
10-11-1999
Datum publicatie
08-08-2006
Zaaknummer
9900277
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGRO:1999:AF0371
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen tussentijdse beëindiging want saniet mocht ervan uitgaan dat curator bij omzetting faillissement in schuldsanering de fraudeschulden aan bewindvoerder heeft meegedeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Het gerechtshof te Leeuwarden

Arrest gewezen inzake:

X.

wonende te P.,

appellant,

hierna ook te noemen: X.

procureur mr P.R. van den Elst,

advocaat mr F.L. van Lelyveld.

Het geding in eerste instantie

Bij vonnis van 5 oktober 1999 heeft de rechtbank te Groningen op voordracht van de rechter-commissaris de toepassing van de schuldsaneringsregeling op X. beëindigd en voorts verstaan dat X. van rechtswege in staat van faillissement verkeert met de aanstelling van mr j. Hielkema tot curator.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 13 oktober 1999, heeft X. verzocht het vonnis van 5 oktober 1999, inhoudende de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling, te vernietigen

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van de overige stukken, waaronder een brief d.d. 26 oktober 1999 van mr van Lelyveld met bijlagen, een faxbericht d.d. 28 oktober 1998 van mr Hielkema met bijlagen, en een faxbericht d.d. 29 oktober 1999 van mevrouw Tap, bewindvoerder, eveneens met bijlagen.

Ter zitting van 2 november 1999 is de zaak behandeld.

De beoordeling

Vaststaande feiten

1. Bij vonnis van 13 juli 1999 van de rechtbank te Groningen is ten aanzien van X. die op dat moment sedert 1996 op eigen aanvraag in staat van faillissement verkeerde, de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard met benoeming van mevrouw Tap tot bewindvoerder.

Bij vonnis van 5 oktober 1999 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling op voordracht van de rechtercommissaris beëindigd op grond van art. 350 lid 3 sub c Faillissementswet (hierna: Fw), te weten het door de schuldenaar niet naar behoren nakomen van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen.

Blijkens de stukken wordt X. verweten dat hij de aard van een tweetal vorderingen, te weten vorderingen uit fraude, niet heeft medegedeeld.

Standpunt X.

2. X. stelt zich op het standpunt dat hem niet kan worden verweten dat hij zijn inlichtingenplicht heeft geschonden nu hij er in zijn visie van uit mocht gaan dat alle informatie uit zijn faillissement, waaronder het karakter der vorderingen, door de curator was overgedragen aan de bewindvoerder.

Voorts stelt X. dat hij niet gehuwd is doch samenwoont dat hij thans een inkomen uit arbeid ontvangt en dat hij zich wil inspannen om met een schone lei opnieuw te kunnen beginnen.

De beoordeling

3. X. heeft, alvorens de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing werd verklaard, geruime tijd in staat van faillissement verkeerd waarbij zijn schulden door de curator in kaart zijn gebracht. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat X. er redelijkerwijs van mocht uitgaan dat alle aan de curator bekende vorderingen en informatie daaromtrent ter kennis van de bewindvoerder zijn gebracht.

4. Het vorenoverwogene brengt mede dat niet gezegd kan worden dat X. schuldsaneringsregeling één of meer van zijn uit de voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren is nagekomen. Voor het overige is niet gebleken van feiten en omstandigheden, die nopen tot een ander oordeel. Derhalve is er geen grond om ten aanzien van X. de toepassing van de schuldsaneringsregeling te beëindigen.

5. De curator heeft opgave gedaan van de door hem gemaakte faillissementskosten. De faillissementskosten komen echter niet voor vergoeding in aanmerking. Immers het vonnis d.d. 5 oktober 1999 van de rechtbank, waarbij op grond van het bepaalde in art. 350 lid 3 aanhef en onder c Fw ten aanzien van X. de toepassing van de schuldsaneringsregeling is beëindigd, is niet in kracht van gewijsde gegaan, zodat X. -gelet op het bepaalde in art. 350 lid 5 Fw- nimmer van rechtswege instaat van faillissement is komen te verkeren.

Slotsom

6. Het vorenoverwogene brengt mee dat het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd en dat opnieuw zal worden beslist als na te melden.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis van 5 oktober 1999 waarvan beroep

en opnieuw beslissende:

weigert de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van X.

Aldus gewezen door mrs Wachter, voorzitter, Drion en van Eck, raden, en uitgesproken door mr Mollema, fungerendpresident, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van de heer Terhell als waarnemend griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 10 november 1999.