Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:1999:AE9985

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
10-11-1999
Datum publicatie
08-08-2006
Zaaknummer
9900291
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Pluraliteit van schuldeisers niet relevant bij beantwoording van de vraag of niet kan worden voortgegaan met betalen schulden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof te Leeuwarden

arrest in de zaak van

X.

wonende te P.,

appellant,

hierna ook te noemen: X.

procureur mr B. Delhaye,

advocaat mr W. Chr. de Roos,

Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van 19 oktober 1999 heeft de rechtbank te Groningen het verzoek van X. tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling afgewezen.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 25 oktober 1999, heeft X. verzocht het vonnis van 19 oktober 1999 te vernietigen en opnieuw rechtdoende de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing te verklaren.

Ter zitting van 4 november 1999 is de zaak behandeld.

De beoordeling

1. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder meer overwogen:

"Het criterium dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen is gelijk aan hetgeen de wet stelt als criterium voor faillietverklaring. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank dat als vereiste voor toepassing van de schuldsaneringsregeling pluraliteit van schuldeisers geldt. Aan dat vereiste is in casu niet voldaan."

2. X. stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet voldoet aan het criterium ex art. 284 lid 1 Fw.

X. betoogt dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan het hoofddoel van de schuldsaneringsregeling. In de visie van X. heeft de wetgever de intentie gehad de schuldenaar in bescherming te namen. Daarom heeft de wetgever -aldus X. - in art. 284 lid 1 Fw niet slechts opgenomen dat de schuldsaneringsregeling van toepassing kan worden verklaard op een natuurlijk persoon die verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen, maar tevens op een schuldenaar ten aanzien van wie redelijkerwijs is te voorzien dat deze niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden op grond van laatstgenoemd criterium kan -aldus X. - ook ingeval er slechts sprake is van één schuld toch de toepassing van de schuldsaneringsregeling worden uitgesproken.

3. Uit de Memorie van Toelichting behorend bij het wetsvoorstel tot "wijziging van de Faillissementwet in verband met de sanering van schulden van natuurlijke personen", blijkt dat als hoofddoel van de schuldsaneringsregeling geldt dat kan worden tegengegaan dat een natuurlijke persoon die in een problematische financiële situatie is terechtgekomen tot in lengte van jaren met zijn schulden achtervolgd kan worden.

4. De Minister van Justitie heeft in juli 1999, naar aanleiding van aan hem gestelde kamervragen, onder meer het volgende geantwoord:

"Omdat ten aanzien van het aanvraagcriterium van de- schuldsaneringsregeling niet - zoals op vele plaatsen elders in de derde titel wel is geschied - de regeling bij faillissement of bij surseance van betaling van overeenkomstige toepassing is verklaard, bestaat ook geen noodzaak om het daar gebruikelijke pluraliteitsvereiste ook bij de schuldsaneringsregeling te laten gelden."

5. Gelet op de inhoud van de aanwezige bescheiden en het behandelde ter zitting is komen vast te staan dat X. niet in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen.

Dat brengt mee dat het hof dient te beantwoorden de vraag of redelijkerwijs is te voorzien dat X. niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden.

6. Naar 's hofs oordeel is het, gelet op het doel dat de wetgever met de schuldsaneringsregeling wenst te bereiken en de toelichting die de Minister van Justitie heeft gegeven ten aanzien van de in art. 284 lid 1 Fw neergelegde criteria, bij de beantwoording van voornoemde vraag niet relevant hoeveel schulden X. heeft. Er dient slechts te worden beoordeeld of X. in een zodanig problematische financiële positie is terechtgekomen dat hij tot in lengte van jaren met zijn schulden achtervolgd kan worden.

7. Uit de inhoud van de door X. overgelegde bescheiden en het behandelde ter zitting blijkt onder meer het een lening afgesloten bij de volgende.

In 1986 heeft X. een lening afgesloten bij de ABN/Amrobank met een hoofdsom van ongeveer fl 40.000,-- voor de verbouw van zijn woning. Deze woning is verkocht. De opbrengst uit die verkoop was niet voldoende om de lening af te betalen. In oktober 1999 bedroeg de restant hoofdsom, inclusief rente, nog fl 30.593,--. Er wordt thans door de bank geen rente bijgeschreven, maar niet is aannemelijk geworden, dat de bank van die rente afstand heeft gedaan. Op de lening zijn door X. in de loop der jaren terzake van rente en aflossing bedragen voldaan die, afhankelijk van de hoogte van de inkomsten van X. varieerden van fl 600,-- tot fl 100,-- per maand. Zijn aflossingscapaciteit werd evenwel steeds lager. Thans betaalt X. fl 200,-- per maand af op de lening. Hij zit al 6 jaar in de budgettering.

X. heeft als stadswacht een inkomen van netto fl 1953,-- per maand. Zijn huur bedraagt, na aftrek van huursubsidie, ongeveer fl 600,-- per maand.

8. Uit het voorgaande blijkt dat X. voor zover zijn financiële positie dat toeliet, gedurende een groot aantal jaren rente en aflossing op de door de ABN/Amrobank verstrekte lening heeft voldaan. Dat heeft slechts geleid tot een relatief geringe vermindering van de hoofdsom.

Ook thans is X. . gezien zijn huidige financiële omstandigheden, niet in staat om aan de ABN/Amrobank de lening af te betalen met maandelijkse aflossingsbedragen die ten aanzien van de hoogte daarvan passen bij leningen met een hoofdsom als de onderhavige. Verder is aannemelijk dat de ABN/Amrobank op enig moment weer rente over de hoofdsom in rekening gaat brengen, waardoor het bedrag dat X. aan aflossing kan betalen nog verder zal afnemen.

Het voorgaande brengt mee dat X. in een zodanig problematische financiële situatie is terechtgekomen dat hij tot in lengte van jaren op de onderhavige lening zal moeten afbetalen.

9. Het hof komt, gelet op het vorenstaande, tot het oordeel dat redelijkerwijs is te voorzien dat X. niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden.

10. Het vorenstaande brengt mee dat de gronden voor het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling aanwezig zijn.

Nu voorts niet is gebleken dat één van de in art. 288 Fw limitatief opgesomde afwijzingsgronden zich hier voordoen, zal het hof de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitspreken.

11. Het vorenoverwogene brengt mee dat het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd en dat opnieuw zal worden beslist als na te melden.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw beslissende:

spreekt de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uit.

Aldus gewezen door mrs Boon, voorzitter, Wachter en Kuiken, raden, en uitgesproken door mr Mollema, fungerend-president, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van de heer Terhell als waarnemend griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 10 november 1999.