Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:1999:AE9984

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
10-11-1999
Datum publicatie
08-08-2006
Zaaknummer
9900283
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondanks hoge aflossingscapaciteit, waardoor schulden binnen 3 jaar kunnen zijn afgelost, verzet het belang van de overige crediteuren zich tegen het verzoek van de grootste crediteur tot beëindiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Het gerechtshof te Leeuwarden

Arrest gewezen inzake:

De naamloze vennootschap Postbank N.V.

statutair gevestigd te Amsterdam,

appellante,

hierna ook te noemen: de Postbank,

procureur mr V.M.J. Both,

advocaat mr R.W. de Ruuk,

tegen

X.

wonende te P.,

geïntimeerde,

hierna ook te noemen: X.

niet verschenen.

Het geding in eerste instantie

Bij vonnis van 14 oktober 1999 heeft de rechtbank te Leeuwarden bepaalt dat ten aanzien van X. de toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt voortgezet onder vaststelling van een termijn van drie jaar hiervoor. Tevens heeft de rechtbank het saneringsplan vastgesteld overeenkomstig het aan het proces-verbaal van de verificatievergadering gehechte ontwerp.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 20 oktober 1999 heeft de Postbank verzocht het vonnis van 14 oktober 1999 te vernietigen en opnieuw rechtdoende de schuldsaneringsregeling met betrekking tot X. te beëindigen, kosten rechtens.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van de overige stukken.

Ter zitting van 2 november 1999 is de zaak behandeld. Mr De Rooij, kantoorgenote van mr De Ruuk, en de heer Mennes van de Postbank hebben het beroep toegelicht. De bewindvoerder, mevrouw Postma, is gehoord.

De beoordeling

Procedure

1. Bij vonnis van 17 juni 1999 is de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van X.

Bij brief van 15 september 1999 heeft de Postbank aangegeven dat ten aanzien X. nimmer sprake is geweest van een situatie waarin werd voorzien dat hij niet zou kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden zodat er reden is voor een tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling overeenkomstig het bepaalde in artikel 350 lid 3 sub b Fw.

Op 23 september 1999 heeft de verificatievergadering plaatsgevonden waarbij de Postbank zich heeft uitgesproken tegen voortzetting van de schuldsaneringsregeling aangezien X. naar haar mening in staat is zijn schulden met rente te voldoen.

Ter zitting van 7 oktober 1999 van de rechtbank waar onder meer de voortzetting van de toepassing van de schuldsaneringsregeling is behandeld, heeft de Postbank haar standpunt omtrent de voortzetting van de toepassing van de schuldsaneringsregeling herhaald.

Het uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling

2. Voorzover de Postbank bedoelt te stellen dat X. in strijd met de wettelijke bepalingen door de rechtbank is toegelaten tot de schuidsaneringsregeling, dient deze stelling buiten behandeling te blijven.

3. De wetgever heeft aan schuldeisers als de Postbank uitdrukkelijk - artikel 292 Fw - de mogelijkheid van het instellen van rechtsmiddelen tegen het uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling onthouden. Mede gelet op de in een later stadium van de schuldsaneringsregeling bestaande rechten van de crediteuren en in het bij zonder op na te melden artikel 338 lid 4 Fw, is een beoordeling van voornoemde stelling van de Postbank in dit geding niet aan de orde.

Het verzoek tot beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling

4. Voormelde brief van 15 september 1999 is niet door een procureur ondertekend en kan derhalve niet worden aangemerkt als een verzoek tot tussentijdse beëindiging zoals bedoeld in artikel 350 Fw.

De voortzetting van de schuldsaneringsregeling

5. Op grond van het bepaalde in artikel 338 lid 4 Fw in verbinding met artikel 350 lid 3 Fw kan de rechtbank in dit stadium van de schuldsaneringsregeling ofwel de voorzetting van de toepassing van de schuldsaneringsregeling bepalen ofwel de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigen op een aantal limitatief opgesomde gronden waaronder de in sub b genoemde grond dat de schuldenaar in staat is zijn betalingen te hervatten.

De standpunten

6. De Postbank is van mening dat de schuldsaneringsregeling dient te worden beëindigd aangezien X. in staat is zijn betalingen te hervatten. Zij voert hiertoe aan dat X. een aflossingscapaciteit heeft van fl 1.450,06 per maand. Hiermee zou hij zijn schulden, inclusief de verschuldigde rente, in 34 maanden kunnen betalen. De Postbank wijst er op dat X. ook zelf van mening is dat hij in staat is zijn schulden te voldoen. De Postbank meent dat het handhaven van de schuldsaneringsregeling op grond van de psychosociale omstandigheden van X., zoals de bewindvoerder bepleit, een oneigenlijk gebruik van de schuldsaneringsregeling meebrengt temeer nu curatele dan wel het meerderjarigen-bewind hiervoor de aangewezen voorzieningen zijn.

7. De bewindvoerder heeft ter zitting medegedeeld dat X. zonder professionele hulp niet in staat is c.q. zal zijn een oplossing te vinden voor zijn schulden. Het bestaan van de door de Postbank genoemde aflossingscapaciteit is, aldus de bewindvoerder, onvoldoende voor beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling nu te verwachten valt dat X. door zijn psychosociale problemen niet zelf met de verschillende crediteuren betalingsafspraken kan maken en kan nakomen. De bewindvoerder meent dat het psychosociale aspect in deze onlosmakelijk is verbonden met het financiële aspect en dat daarom de schuldsaneringsregeling, mede in het belang van alle crediteuren, dient te worden voortgezet.

Vaststaande feiten

8. Uit de stukken en de behandeling ter zitting is het volgende gebleken.

De totale onder de schuldsaneringsregeling vallende schuldenlast van X. bedraagt fl 43.045,83 verdeeld over tien crediteuren. De daarvan deel uitmakende vordering van de Postbank, uit hoofde van een aan X. verstrekt consumptief krediet, bedraagt fl 24.903,57.

Gelet op zijn netto inkomen en het vrij te laten deel daarvan heeft X. een aflossingscapaciteit van ruim 1.450,-- per maand welke hem in staat stelt binnen de door de rechtbank vastgestelde duur van de schuldsaneringsregeling van drie jaar voormelde schuldenlast volledig te voldoen.

De beoordeling

9. Vooropgesteld dient te worden dat een rechterlijk oordeel nodig is over het zich voordoen van de beëindigingsgrond dat de schuldenaar in staat is zijn betalingen te hervatten.

10. Uit de mededelingen van de bewindvoerder ter zitting valt af te leiden dat het twijfelachtig is of X. ondanks de bij hem aanwezige aflossingscapaciteit, bij beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling in staat moet worden geacht alsnog met zijn schuldeisers een onderhandse regeling voor het voldoen van zijn schulden te treffen en deze regeling na te komen.

Voortzetting van de toepassing van de schuldsaneringsregeling biedt de crediteuren wel de zekerheid dat de baten, waaronder voornoemde aflossingscapaciteit, in de boedel vallen en dat de uitdelingen daarvan zullen geschieden overeenkomstig het bepaalde in artikel 349 lid 2 Fw naar evenredigheid van ieders - concurrente - vordering.

Gelet op de belangen van alle crediteuren en ter waarborging van de paritas creditorum, acht het hof toezicht en controle door de bewindvoerder op de uitdeling met betrekking tot de verschillende vorderingen gewenst. De omstandigheid dat ook andere, tot op heden niet toegepaste, wettelijke regelingen wellicht tot een vergelijkbaar toezicht en controle kunnen leiden, is onvoldoende om de toepassing van de schuldsaneringsregeling in de onderhavige situatie te beëindigen.

11. Het hof is derhalve van oordeel dat, ondanks de aanwezige aflossingscapaciteit, het belang van de (overige) crediteuren zich verzet tegen beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling in het onderhavige geval. Nu van overige afwijzingsgronden niet is gebleken, heeft de rechtbank terecht de voorzetting van de toepassing van de schuldsaneringsregeling bepaald.

Slotsom

12. Het vorenoverwogene brengt mee dat het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd.

13. Aangezien de Postbank in het ongelijk is gesteld dient de Postbank te worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep welke door het hof aan de zijde van X. worden begroot op nihil.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt de Postbank in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot deze aan de zijde van X. op nihil.

Aldus gewezen door mrs Wachter, voorzitter, Drion en van Eck, raden, en uitgesproken door mr Mollema, fungerende president, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van de heer Terhell als waarnemend griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 10 november 1999.