Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:1999:AE9979

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
15-09-1999
Datum publicatie
08-08-2006
Zaaknummer
9900241
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGRO:1999:AF0378
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussentijdse beëindiging vanwege onttrekking gelden aan de boedel, ondanks waarschuwingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 15 september 1999

rekestnummer 9900241

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest gewezen inzake:

X.

wonende te P.

appellant,

hierna te noemen X.

toevoeging,

procureur mr H. de Boer,

advocaat mr P.J. Landstra.

Het geding in eerste instantie

Bij vonnis van 24 augustus 1999 heeft de rechtbank te Groningen de op X. bij haar vonnis van 2 maart 1999 van toepassing verklaarde schuldsaneringsregeling op voordracht van de rechter-commissaris beëindigd waardoor X. van rechtswege in staat van faillissement is komen te verkeren.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 1 september 1999, heeft X. verzocht het vonnis van 24 augustus 1999 te vernietigen en opnieuw beslissende X. terug te plaatsen in de schuldsaneringsregeling.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van de overige stukken.

Ter zitting van 9 september 1999 is de zaak behandeld.

De beoordeling

1. De grieven komen op tegen het oordeel van de rechtbank dat op grond van art. 350 lid 3 sub c Faillissementswet (Fw) de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd dient te worden.

2. Vooropgesteld dient te worden dat de schuldsaneringsregeling een regeling is die - onder andere - beoogt dat de schuldenaar na afloop van de schuldsanering niet meer gehouden is zijn dan nog resterende schuldenlast te voldoen. Naar blijkt uit de artt. 288 lid 1 sub b en 350 lid 3 sub c en e Fw dient een schuldsaneringsregeling niet te worden verleend c.q. voortgezet indien blijkt dat de schuldenaar één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt, dan wel tracht zijn schuldeisers te benadelen.

3. Uit de stukken blijkt dat de bewindvoerder bij brief van 9 juli 1999 X. heeft meegedeeld dat het GAK terzake van een nabetaling een bedrag van fl 22.865,57 (per abuis) op zijn bankrekening zou overmaken en heeft hij hem verzocht hiervan geen geld op te nemen aangezien dit bedrag ten goede komt aan de boedelrekening. Ondanks dit verzoek heeft X. (onmiddellijk) dit bedrag van zijn rekening opgenomen en gestort op een bankrekening van zijn vriendin. Door aldus te handelen, heeft bewust en derhalve verwijtbaar gelden onttrokken aan de boedel en daarmee aan het verhaal van zijn schuldeisers. X. heeft derhalve getracht zijn crediteuren te benadelen als bedoeld in artikel 350 lid 3 sub e Fw. Gelet op de bewustheid van het handelen van X. tegen de andersluidende instructie van de bewindvoerder in, is het hof van oordeel dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling dient te worden beëindigd.

4. X. heeft ter zitting verklaard dat hij het door het GAK gestorte bedrag heeft overgemaakt naar een bankrekening van zijn vriendin omdat hij de bewindvoerder niet (meer) vertrouwde en dat hij bij brief van 13 juli 1999 de bewindvoerder van de opname van het geld op de hoogte heeft gebracht. Het hof overweegt dienaangaande het volgende. Nu ingevolge art. 295 lid 1 Fw de boedel mede de goederen omvat die de schuldenaar verkrijgt tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling, behoort het door het GAK betaalde bedrag van fl 22.865,57 tot de boedel. Gelet op het feit dat de bewindvoerder belast is met het beheer en de vereffening van de boedel alsmede de taak heeft toezicht uit te oefenen op de naleving van de verplichtingen die uit de schuldsaneringsregeling voortvloeien, had X. niet zonder toestemming laat staan tegen het andersluidende bericht van de bewindvoerder in, bedoelde handelingen mogen verrichten. In tegenstelling tot wat X. heeft willen betogen is de vermeende vertrouwensbreuk geen reden dat anders te bezien. Ook de latere terugstorting op de rekening van de bewindvoerder maakt het vorenstaande oordeel niet anders.

Slotsom

5. Het vonnis waarvan beroep dient met verbetering van de gronden te worden bekrachtigd.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Aldus gewezen door mrs Boon, voorzitter, Bloem en Miltenburg, raden, en uitgesproken door mr Mollema, fungerend-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van dhr Terhell als waarnemend griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 15 september 1999.