Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:1999:AA8621

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
17-12-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
942/97
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2000/33.1.5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nr. 942/97 17 december 1999

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen van de belastingdienst te P (: de inspecteur) gedaan op het bezwaarschrift van de belanghebbende tegen de aan hem opgelegde naheffingsaanslag in de belasting op personenauto’s en motorrijwielen.

1. Ontstaan en loop van het geding.

Aan de belanghebbende werd op 22 mei 1996 een naheffingsaanslag in de belasting op personenauto's en motorrijwielen (: BPM) opgelegd betreffende het tijdvak van 29 maart 1991 tot en met 20 maart 1994 op grond van de Wet op de belasting van personenauto's en motor-

rijwielen 1992 (: de Wet).

Op het bezwaar van de belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 14 oktober 1997 de naheffingsaanslag gehandhaafd.

De belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen door middel van een beroepschrift, dat op 25 november 1997 is ingekomen.

Nadat de inspecteur zijn vertoogschrift (met bijlagen) heeft ingezonden, heeft de Voorzitter belanghebbende toegestaan een conclusie van repliek in te zenden waarvan een afschrift aan de inspecteur werd gezonden.

De inspecteur heeft vervolgens een conclusie van dupliek ingezonden waarvan een afschrift aan de belanghebbende werd gezonden.

De zaak is behandeld ter zitting van 27 september 1999 gehouden te Leeuwarden.

Verschenen zijn de gemachtigde van belanghebbende alsmede de inspecteur.

Ter voormelde zitting hebben ieder van partijen de door hen voorgedragen pleitnota overgelegd.

Het gerechtshof heeft op 11 oktober 1999 mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal per aangetekende post, ter post bezorgd op 13 oktober 1999 aan partijen is verzonden.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

Bij brief, ingekomen op 20 oktober 1999, heeft de belanghebbende op de wijze als bedoeld in artikel 17b van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken verzocht vorenbedoelde uitspraak te vervangen door een schriftelijke.

De griffier heeft de belanghebbende per aangetekende post, ter post bezorgd op 25 oktober 1999, gewezen op het verschuldigde griffierecht als bedoeld in lid 2 van voormeld artikel 17b en de belanghebbende heeft vervolgens op 10 november 1999 dat griffierecht voldaan.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

Belanghebbende heeft de, terzake van op een door hem in zijn taxibedrijf gebezigde taxi, betaalde BVB/BPM teruggevraagd.

Hij heeft in een daaraan ten grondslag liggend verzoek verklaard dat de betreffende taxi uitsluitend voor taxivervoer wordt gebruikt. Dit verzoek is gehonoreerd en de betreffende heffing is gerestitueerd. In werkelijkheid werd de taxi ook voor andere (privé) ritten gebruikt.

3. Het geschil.

Te dezen is primair in geschil de vraag of de naheffingsaanslag wel kon worden opgelegd en subsidiair of er terecht een verhoging is opgelegd waarvan de kwijtschelding al of niet terecht is beperkt tot op 50%.

4. De standpunten van partijen.

Verwezen wordt naar de gedingstukken. Partijen hebben ter zitting hun onderscheidene standpunten gehandhaafd. Door partijen werden ter voormelde zitting aan hun standpunten geen nadere gronden aangevoerd.

5. De overwegingen omtrent het geschil.

5.1. Met betrekking tot de ontvankelijkheid:

5.1.1. Ter zitting heeft de inspecteur zijn stelling dat sprake zou zijn van niet-ontvankelijkheid van het beroep wegens het eerder bereikt zijn van een rechtsgeldig compromis, laten varen.

5.1.2. Daaromtrent hoeft het hof derhalve thans geen beslissing te geven.

5.2. Met betrekking tot de enkelvoudige belasting:

5.2.1. In de systematiek van de tot 1 januari 1993 vigerende Wet BVB, alsook onder de nadien geldende wet BPM, is leidend beginsel dat belastbaarheid hoofdregel is en vrijstelling van belasting (zoals de BVB/BPM) de uitzondering.

5.2.2. Dat brengt met zich dat de belastingplichtige die zich op de uitzondering beroept, de bewijslast draagt voor de juistheid van zijn stelling dat hij aan de voorwaarden onverkort voldoet, in casu temeer nu onweersproken vaststaat dat de aan de restitutie ten grondslag liggende verklaring van belanghebbende (ten dele) onjuist is.

5.2.3. Dat betekent dat belanghebbende bij nadere toetsing van een eerder op zijn verzoek verleende teruggave van BVB, aannemelijk dient te maken dat de taxivrijstelling, als door hem verzocht, ook werkelijk van toepassing kan worden geacht.

5.2.4. Ten processe staat vast dat belanghebbende niet meer beschikt over de rittenstaten die horen bij het desbetreffende motorvoertuig waarvoor teruggave van BVB is verleend - deze rittenstaten heeft hij weggegooid - zodat niet aan de hand van redelijk objectiveerbare gegevens kan worden nagegaan of van dat motorvoertuig in het naheffingstijdvak inderdaad niet meer voor privé is gebruik gemaakt dan door belanghebbende wordt verdedigd, terwijl evenmin zekerheid c.q. duidelijkheid meer valt te verkrijgen over de feitelijke verdeling van de in totaal met dat voertuig gereden kilometers over taxiritten, privé-gebruik, en niet-taxivervoer niet zijnde privé-gebruik.

In zoverre heeft belanghebbende de meest voor de hand liggende mogelijkheid om de juistheid van zijn stelling aannemelijk te maken zelf uit handen gegeven.

5.2.5. Ook overigens heeft belanghebbende onvoldoende feiten en omstandigheden in het geding gebracht die, indien vervolgens aannemelijk gemaakt, de juistheid van zijn standpunt aantonen.

5.2.6. Het hof acht daarom belanghebbende in de op hem rustende bewijslast niet geslaagd.

5.2.7. Belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel dient te worden verworpen. Niet aannemelijk is dat het late ingrijpen van de inspecteur middels de onderhavige naheffingsaanslag bij belanghebbende de indruk heeft kunnen wekken dat dit berustte op een bewuste standpuntbepaling van de inspecteur, inhoudende dat de restitutie terecht heeft plaatsgevonden. Noch tijdens het boekenonderzoek in 1994, noch op enig ander moment voorafgaand aan de onderhavige naheffingsaanslag, is de juistheid van de restitutie tussen partijen aan de orde geweest.

5.2.8. Het gevolg daarvan moet zijn dat geconcludeerd moet worden dat de inspecteur terecht en op goede gronden de enkelvoudige BVB heeft nageheven.

5.3. Met betrekking tot de verhoging:

5.3.1. Onweersproken is dat door de administrateur van belanghebbende verzoeken om toepassing van de onderwerpelijke taxivrijstelling in het verleden steeds in dezelfde, ook thans gebruikte formuleringen zijn gedaan.

5.3.2. Vaststaat voorts dat door de inspecteur in het verleden nimmer aanmerkingen zijn gemaakt op de door belanghebbende gehanteerde inrichting en formulering van die verzoeken, zodat in zoverre niet kan worden gezegd dat in het verleden aan belanghebbende de onjuistheid van (delen van) die verzoeken (door de inspecteur aangeduid als conditio sine qua non voor het verkrijgen van teruggave van BVB) reeds duidelijk moet zijn geworden.

5.3.3. Ook overigens heeft de inspecteur geen feiten aangevoerd die in het licht van het sub 5.3.1 en 5.3.2 overwogene voldoende fundament geven aan diens stelling dat het in casu aan opzet of grove schuld aan de zijde van belanghebbende is te wijten dat aanvankelijk te weinig belasting is geheven c.q. de belasting ten onrechte is teruggegeven.

5.3.4. Alsdan is voor het opleggen van een verhoging van pro resto 50 procent van de nageheven enkelvoudige belasting geen plaats.

5.3.5. Andere feiten of omstandigheden die het opleggen van enige verhoging in casu passend of geboden zouden maken zijn aan het hof niet gebleken of anderszins

aannemelijk geworden.

5.3.6. De bestreden uitspraak dient daarom te worden vernietigd.

5.4. Met betrekking tot de proceskosten:

5.4.1. Het hof acht termen aanwezig de inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het beroep heeft moeten maken.

5.4.2. Die kosten berekent het hof op grond van het besluit proceskosten fiscale procedures op f. 2.662,50.

5.4.3. Het hof wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die de kosten heeft te dragen.

6. De beslissing.

Het gerechtshof

vernietigt de uitspraak van de inspecteur,

vermindert de naheffingsaanslag tot een naheffingsaanslag ten bedrage van f. 16.860,-- aan enkelvoudige belasting zonder verhoging, te vermeerderen met de wettelijk verschuldigde heffingsrente,

veroordeelt de inspecteur tot betaling van een tegemoetkoming in de proceskosten ad f. 2.662,50, en

wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de kosten heeft te dragen.

Gelast dat de inspecteur het griffierecht ad f. 80,-- aan belanghebbende vergoedt.

Gedaan op 17 december 1999 door mr. Pruiksma, vice-president, mr. Fransen, raadsheer en dhr. Rood, raadsheer-plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van de griffier Gerrits en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier.

Op 22 december 1999 afschrift aangetekend verzonden aan beide partijen.

De griffier van het Gerechtshof te Leeuwarden.

[Zie ook het arrest HR 35862 (red.)]