Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:1997:AA4422

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
10-10-1997
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
461/93
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 1997/4290, 2.3
V-N 1998/7.1.7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nr. 461/93 10 oktober 1997

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, eerste meervoudige belastingkamer, op het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het hoofd van het douanedistrict te P (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de uitnodiging tot betaling van omzetbelasting (nader: OB) en bijzondere verbruiksbelasting personenautomobielen (nader: BVB) over de periode van 1986 tot en met 1989, onder nummer D 0000000.

1. Ontstaan en loop van het geding.

Aan belanghebbende werd met dagtekening 19 maart 1991 een uitnodiging tot betaling van OB en BVB uitgereikt van respectievelijk f.48.791,-- en f.251.036,-- tot in totaal f.299.827,--.

Op het bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 17 februari 1993 de uitnodiging tot betaling verminderd met een bedrag van f.16.089,-- aan OB en f.83.259,-- aan BVB ofwel totaal f.99.348,-- tot f.200.479,--.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 13 april 1993 is ingekomen, en aangevuld bij brief (met 26 bijlagen) van 16 augustus 1993.

Nadat de inspecteur zijn vertoogschrift (met bijlagen) had ingezonden, heeft de Voorzitter belanghebbende toegestaan een conclusie van repliek in te zenden, welke conclusie van repliek ter 's hofs griffie is ingekomen op 25 februari 1994 en waarvan een afschrift werd gezonden aan de inspecteur.

De inspecteur heeft vervolgens een conclusie van dupliek ingezonden, welke conclusie van dupliek ter 's hofs griffie is ingekomen op 2 juni 1994 en waarvan een afschrift werd gezonden aan belanghebbende.

Vervolgens heeft de eerste mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 7 november 1994, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbende, zomede de inspecteur.

Door de gemachtigde van belanghebbende is ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

Het hof heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 14, lid 1, aanhef en onderdeel 2, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken aan de inspecteur verzocht nadere inlichtingen te verstrekken, hetgeen is geschied bij schrijven (met bijlage) van 24 april 1995, waarvan een afschrift aan de gemachtigde van belanghebbende is gezonden.

De gemachtigde heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, daaromtrent van zijn gevoelen doen blijken bij schrijven van 27 juni 1995, waarvan een afschrift is gezonden aan de inspecteur.

De zaak is opnieuw mondeling behandeld ter zitting van 11 januari 1996, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbende en B, zijnde de inspecteur, hoewel behoorlijk opgeroepen, toen niet verschenen.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1 Op naam van X werden in de periode van 1986 tot en met 1989 personenauto's, hoofdzakelijk van het merk Mercedes Benz, geïmporteerd.

2.2 Deze auto's waren veelal voorzien van extra accessoires zoals getint glas, radio, antenne, rolnetten, rechterbuitenspiegel, enzovoort. Belanghebbende heeft bij een belangrijk deel van deze auto's bij invoer niet alle accessoires aangegeven.

2.3 Naar aanleiding van een onderzoek van de FIOD/Douanerecherche bij belanghebbende in het jaar 1990 is f.299.827,-- bij haar nageheven terzake van niet bij invoer aangegeven accessoires. De door de naheffing bestreken periode loopt van 24 maart 1986 tot en met 22 september 1989.

2.4 Belanghebbende en de inspecteur hebben getracht een compromis te sluiten aangaande de grondslag van de uitnodiging tot betaling en het totaalbedrag daarvan. Het compromisvoorstel van de gemachtigde van belanghebbende werd door de inspecteur niet geaccepteerd. Naar aanleiding van een arrest van de Hoge Raad heeft de inspecteur echter wel de naheffing verminderd met voormeld totaalbedrag van

f.99.348,--.

2.5 De tenaamstelling van de uitnodiging tot betaling luidt:

X (B.V.)

a-weg 1

OOOO GG Z

2.6 De inspecteur geeft aan dat de toevoeging "(B.V.)" bij de tenaamstelling onjuist is en berust op een vergissing van de behandelend ambtenaar. Bedoeld werd -volgens de inspecteur- de uitnodiging te richten tot de natuurlijke persoon B, die handel dreef in de vorm van een eenmanszaak onder de naam "X".

2.7 In de onderhavige periode van naheffing dreef B zijn onderneming aanvankelijk als een eenmanszaak. In de loop van het jaar 1989 verwierf hij de aandelen in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, waarin hij zijn onderneming inbracht. In september/oktober 1990 werd een deel van de bedrijfsvoering ingebracht in de daartoe opgerichte besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

"G B.V.".

2.8 Uit een kopie van het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Q blijkt dat ook van 1 juni 1989 tot 24 oktober 1989 een -andere- besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid was ingeschreven met als één van de handelsnamen "X" derhalve zonder de letters "B.V.".

2.9 In zijn motivering van de uitspraak op het bezwaarschrift geeft de inspecteur aan dat de tenaamstelling van de uitnodiging tot betaling niet juist is onder de overweging dat de "reclamant in het begin van de door de navordering bestreken periode handelde in de vorm van een eenmanszaak en de auto's later werden ingevoerd door een B.V.".

2.10 De inspecteur heeft kopieën overgelegd van de invoerdocumenten ED 33 waarop de bestreden uitnodiging tot betaling betrekking heeft.

2.11 Voor zover de uitnodiging tot betaling betrekking heeft op auto's die zijn ingevoerd in de periode van 1 juni 1989 tot en met 22 september 1989 bedraagt het nagevorderde bedrag aan BVB f.14.488,-- en aan OB f.2.680,--.

3. Het geschil.

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of de uitnodiging tot betaling voor het gehele bedrag een juiste tenaamstelling draagt en of de inspecteur terecht OB en BVB heeft nageheven over accessoires die bij invoer van de auto's niet aangegeven zijn, alsmede de vraag of belanghebbende recht heeft op teruggaaf van betaalde OB en BVB betreffende een aantal auto's die als nieuw en ongebruikt zijn aangegeven, terwijl deze volgens belanghebbende gebruikt waren.

4. De standpunten van partijen.

Verwezen wordt naar de gedingstukken. Partijen hebben hun onderscheiden standpunten ter zitting(en) gehandhaafd en aldaar daaraan geen nadere gronden toegevoegd.

5. De overwegingen omtrent het geschil.

5.1 Ingevolge het bepaalde in artikel 50 van de Wet op de omzetbelasting 1968, zoals dit artikel tussen 24 maart 1986 en 22 september 1989 in verschillende versies heeft geluid, werd onder de naam "bijzondere verbruiksbelasting van personenauto's" een belasting geheven ter zake van onder meer de invoer van personenauto's. Daarbij werd de belasting berekend naar de catalogusprijs, zijnde de op het tijdstip van de invoer laatstelijk geadviseerde verkoopprijs, verminderd met omzetbelasting. Indien een zodanige prijs niet bekend is, wordt zij door vergelijking bepaald (artikel 25, lid 2, Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968, nader: het Uitvoeringsbesluit).

5.2 Ingevolge artikel 50, lid 15 (na vernummering) en artikel 22 van de Wet, geschiedt de heffing bij invoer met toepassing van de wettelijke bepalingen inzake de douane en accijnzen. Derhalve wordt de belasting verschuldigd door degene die het belastbare feit, zijnde de invoer van personenauto's, daadwerkelijk bewerkstelligt.

5.3 B dreef in het tijdvak van naheffing de onderneming deels in de vorm van een eenmanszaak en had deels de onderneming ingebracht in de B.V.. De auto's waarop de onderhavige naheffing betrekking heeft zijn derhalve, nu van het tegendeel niet is gebleken, dienovereenkomstig deels ingevoerd door B en deels door de B.V..

5.4 Gelet op de tenaamstelling van de onderhavige uitnodiging tot betaling, luidende: "X (B.V.)", waarbij het hof met name de toevoeging "(B.V.)" van belang acht, moet het ervoor worden gehouden dat de uitnodiging tot betaling ziet op de door de B.V. ingevoerde auto's. Aan dit oordeel doet niet af de verklaring van de inspecteur, dat hij bedoelde de uitnodiging te richten tot de natuurlijke persoon B, noch dat bij belanghebbende, naar haar verklaring, eerst geruime tijd na de ontvangst van de uitnodiging en na enige discussie met de inspecteur over de gronden en omvang van de naheffing verwarring over de persoon van de aangeslagen belastingplichtige is ontstaan.

5.5 De uitnodiging tot betaling dient derhalve in ieder geval te worden vernietigd voor zover zij betreft auto's die niet door de B.V. zijn ingevoerd.

5.6 De grondslag van de belasting wordt gevormd door de catalogusprijs van de auto's, waarbij de inspecteur zich, naar 's hofs oordeel terecht, op het standpunt stelt dat de waarde van de fabrieksmatig aangebrachte accessoires die prijs mede bepalen. Belanghebbende heeft weliswaar aangevoerd (hetwelk door de inspecteur wordt tegengesproken) dat sommige accessoires niet op het leveringsprogramma van de officiële Nederlandse importeur staan en derhalve niet tot de catalogusprijs gerekend kunnen worden, doch voor dat geval zou de prijs door vergelijking dienen te worden bepaald.

5.7 De inspecteur heeft onweersproken gesteld dat hij de accessoires, die door de fabrikant specifiek voor de Duitse markt plegen te worden geleverd, in aanmerking heeft genomen voor een waarde die is afgeleid van de prijs van vergelijkbare voor de Nederlandse markt geleverde accessoires. Daarmee heeft de inspecteur de heffingsgrondslag niet op een te hoog bedrag vastgesteld.

5.8 Belanghebbende beroept zich er voorts op dat de ingevoerde auto's bij de verificatie nauwlettend zijn geïnspecteerd, waarbij de eventuele aanwezigheid van andere accessoires dan vermeld op het typeplaatje van de auto's moet zijn geconstateerd, zodat de inspecteur daarop thans niet meer kan terugkomen. Het hof verwerpt dit verweer.

5.9 Naar tussen partijen niet in geschil is, heeft de verificatie voor wat betreft de hier bedoelde accessoires plaatsgevonden aan de hand van het typeplaatje van de auto's. Ook is tussen partijen niet in geschil dat op de bedoelde typeplaatjes niet steeds alle vanwege de fabrikant aangebrachte accessoires zijn vermeld, doch dat zulks wel het geval is met de bij elk der onderscheiden auto's behorende "Fahrzeugdatenkarte". Partijen waren hiervan beide op de hoogte.

Een met artikel 16, eerste lid, laatste zin, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen overeenkomstige bepaling is op de onderhavige heffing van belasting bij invoer niet van toepassing, zodat belanghebbendes vorenvermelde stelling in zoverre aan de mogelijkheid

tot naheffing niet in de weg staat.

5.10 Voorts heeft belanghebbende zich beroepen op bij haar opgewekt vertrouwen dat zij steeds een juiste aangifte ten invoer deed door daarop een catalogusprijs te vermelden waarin slechts rekening werd gehouden met de op het typeplaatje vermelde accessoires. De inspecteur ontkent dat aan belanghebbende kenbaar zou zijn gemaakt dat op deze wijze gedane aangiftes ten invoer juist zouden zijn. Voorts ontkent de inspecteur gemotiveerd dat na 1986 nog steeds -op grond van door hem gevoerd beleid- verificatie plaatsvond aan de hand van het typeplaatje. In ieder geval vanaf 1986 was het beleid dat verificatie diende plaats te vinden aan de hand van de "Fahrzeugdatenkarte" en de identificatiehandleiding van de fabrikant. Ook bij andere douaneposten werd een dergelijk beleid gevoerd.

5.11 Hoewel de verificatie in afwijking van het door de inspecteur gestelde beleid (veelal) toch plaatsvond aan de hand van het typeplaatje kan daarmee naar 's hofs oordeel bij belanghebbende niet in redelijkheid het vertrouwen zijn opgewekt dat zij de aangifte ten invoer op de juiste wijze deed.

5.12 Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat sommige van de op de "Fahrzeugdatenkarte" vermelde accessoires ten tijde van de invoer definitief uit de auto's waren verwijderd. De inspecteur heeft de naheffing derhalve terecht gegrond op de aanwezigheid van alle vermelde accessoires, voor zover zij niet als accessoire van eenvoudige aard buiten de heffing zijn gelaten.

5.13 Nu belanghebbende een aantal auto's ten invoer aangaf als nieuw c.q. ongebruikt en bij verificatie van de onjuistheid van dat standpunt niet is gebleken, kan belanghebbende thans op dat standpunt niet ongemotiveerd terugkomen. De enkele stelling -thans- dat die auto's bij nader inzien als gebruikt hadden moeten worden aangegeven is onvoldoende om tot de gevolgtrekking te moeten komen dat de aangifte in zoverre onjuist is gedaan.

5.14 Uit al het voorgaande volgt dat belanghebbendes beroep slechts gegrond is in zoverre het is gericht tegen het met de uitnodiging tot betaling naheffen van BVB en OB over de door B ingevoerde auto's. Tussen partijen is voor dat geval niet in geschil dat de naheffing dient te worden verminderd tot f.14.488,-- aan BVB en f.2.680,-- aan OB.

5.15 In de omstandigheden van het geval vindt het hof aanleiding op grond van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken de inspecteur te veroordelen in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten het hof op grond van het Besluit proceskosten fiscale procedures bepaalt op f.4.260,-- en welke kosten dienen te worden gedragen door de Staat der Nederlanden.

6. De beslissing:

Het hof vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

vermindert de uitnodiging tot betaling tot f.14.488,-- aan BVB en f.2.680,-- aan OB;

bepaalt dat het betaalde griffierecht ad f.75,-- aan belanghebbende wordt vergoed door de inspecteur;

veroordeelt de inspecteur de kosten aan belanghebbende te vergoeden, die deze heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, te bepalen op f.4.260,--, welke kosten dienen te worden gedragen door de Staat der Nederlanden.

Gedaan op 10 oktober 1997 door prof.mr. Aardema, vice-president en voorzitter, en mrs. Pruiksma en Drion, raadsheren, in tegenwoordigheid van de heer Gerrits als griffier en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 oktober 1997 te Leeuwarden door mr. Drion, raadsheer.

Op 15 oktober 1997 afschrift aangetekend verzonden aan beide partijen. De griffier van het Gerechtshof te Leeuwarden.

[Zie ook arrest HR nummer 33888 (red.)]