Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:1997:AA4419

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
12-12-1997
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
169/96
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 1998/70
V-N 1998/28.1.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nr. 169/96 12 december 1997

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, eerste meervoudige belastingkamer, op het beroep van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid Belastingdienst/Grote ondernemingen te P (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de door de inspecteur gegeven beschikking op een aangifte ter verkrijging van teruggaaf van omzetbelasting over het tijdvak 3e kwartaal 1995.

1. Ontstaan en loop van het geding.

Belanghebbende deed over het derde kwartaal van 1995 aangifte voor de omzetbelasting op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968, gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold (nader: de Wet), naar een bedrag aan terug te vragen omzetbelasting van f.8.444,--.

Bij beschikking van 23 november 1995 heeft de inspecteur besloten geen teruggaaf te verlenen.

Op het bezwaar van belanghebbende tegen deze beschikking, waarbij belanghebbende de aangifte aanvulde tot een verzoek om teruggaaf van per saldo f.74.948,--, heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 23 februari 1996 de beschikking gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 27 februari 1996 is ingekomen en hetwelk is aangevuld bij schrijven (met bijlagen) van 25 maart 1996.

Nadat de inspecteur zijn vertoogschrift (met bijlagen) heeft ingezonden, heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 16 september 1996, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbende en de inspecteur.

Ter voormelde zitting hebben de gemachtigde van belanghebbende en de inspecteur elk een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1 Belanghebbende is een in 1988 opgerichte vennootschap die fungeert als Nederlandse tussenhoudster- en financieringsvennootschap voor een aantal tot het (van oorsprong Italiaanse) X-concern behorende vennootschappen.

2.2 Belanghebbende verwierf in 1988 en 1989 een 100% belang in de Nederlandse productiemaatschappij B N.V. en meerderheidsbelangen in twee Belgische productiemaatschappijen, een Duitse en een Engelse productiemaatschappij. Tevens verstrekt belanghebbende leningen aan andere vennootschappen van het X-concern. De financiering geschiedt deels uit eigen vermogen en grotendeels uit van andere tot het X-concern behorende vennootschappen geleend geld. In 1995 behaalde belanghebbende 53% van haar rentebaten op aan een in Zwitserland gevestigde vennootschap verstrekte leningen. Door belanghebbende is aan B N.V. een rekening-courantfinanciering verstrekt, welke 4% van haar uitstaande financieringen beslaat.

2.3 B N.V. voorziet vloerbedekking en tapijt van basiskleuren en houdt zich tevens bezig met bedrukken van tapijten en karpetten. Verdere bewerking en afwerking van deze producten vindt plaats bij andere, buiten Nederland gevestigde, vennootschappen van het X-concern.

2.4 Vanaf 1 december 1989 is belanghebbende tezamen met haar Nederlandse dochter B N.V. aangemerkt als één ondernemer in de zin van artikel 7, lid 4, van de Wet. De inspecteur heeft ter zake van de totstandkoming van de fiscale eenheid op 13 december 1989 een beschikking afgegeven. Sinds 1 december 1989 is de situatie tussen belanghebbende en B N.V. wat betreft de zeggenschapsverhouding, de financiële verhouding en de economische verhouding niet gewijzigd.

2.5 Naar aanleiding van een in 1994 bij belanghebbende ingesteld boekenonderzoek heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld, hetwelk hij bij beschikking aan belanghebbende kenbaar heeft gemaakt, dat er geen sprake is van economische verwevenheid tussen belanghebbende en B N.V. zodat de fiscale eenheid met ingang van 1 januari 1995 is verbroken.

2.6 Over het derde kwartaal 1995 hebben belanghebbende en B N.V. afzonderlijk aangifte voor de omzetbelasting gedaan. De aangifte van B N.V. heeft geleid tot een aan die vennootschap gedane teruggaaf van f.66.504,--.

3. Het geschil.

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende en B N.V. op grond van het bepaalde in artikel 7, lid 4, van de Wet als één ondernemer moeten worden aangemerkt. Ingeval die vraag bevestigend wordt beantwoord, gelijk belanghebbende voorstaat, dient alsnog f.8.444,-- aan omzetbelasting te worden teruggegeven. Bij ontkennende beantwoording, gelijk de inspecteur voorstaat, komt alsnog slechts f.4.476,-- voor teruggaaf in aanmerking.

4. De standpunten van partijen.

Belanghebbende heeft op gronden, gelijk vervat in het beroepschrift en voormelde pleitnota, het primaire standpunt ingenomen dat tussen haar en B N.V. sprake is van zodanige verwevenheid in financieel, organisatorisch en economisch opzicht dat zij een eenheid vormen. Zij acht het niet van belang dat de economische verwevenheid slechts kan worden geconstateerd wanneer rekening wordt gehouden met niet hier te lande gevestigde vennootschappen, en wijst er op dat zulks voor vaststelling van financiële verwevenheid uitdrukkelijk wel is geaccepteerd. Indien de buitenlandse vennootschappen buiten beschouwing moeten worden gelaten zou ook de daaruit voortvloeiende omzet buiten beschouwing moeten worden gelaten, waarna de economische verwevenheid zich manifesteert. Belanghebbende wijst er op dat de Zesde richtlijn betreffende de harmonisatie van de wetgeving der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (nader: de Zesde richtlijn) in artikel 4, lid 4, slotzin, niet de territoriale beperking kent die de inspecteur aanlegt.

Subsidiair voert belanghebbende aan dat op grond van artikel 15, lid 2, van de Wet een gedeelte van de voorbelasting bij belanghebbende, groot 53% of f.4.476,-- in ieder geval in aftrek kan worden gebracht.

De inspecteur heeft daartegenover op gronden, gelijk weergegeven in zijn vertoogschrift en zijn pleitnota, het standpunt verdedigd dat artikel 7, lid 4, van de Wet, gebaseerd op artikel 4, lid 4, van de Zesde richtlijn, de fiscale eenheid voor de omzetbelasting beperkt tot het binnenland. In dat opzicht bestaat volgens de inspecteur geen economische verwevenheid tussen belanghebbende en B N.V.. Uitbreiding van de goedkeuring, dat financiële verwevenheid via het buitenland tot stand komt, tot econimsche verwevenheid heeft niet plaatsgevonden. Volgens de inspecteur treft een rechtstreeks beroep op de Zesde richtlijn geen doel. De inspecteur stelt zich voorts op het standpunt dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van economische verwevenheid de totale prestaties in de beschouwing moeten worden betrokken. Nader acht de inspecteur het juist dat alsnog een bedrag aan omzetbelasting ad f.4.476,-- wordt teruggegeven.

Partijen hebben ter zitting hun onderscheiden standpunten gehandhaafd, zonder daartoe overigens nadere gronden te hebben aangevoerd.

5. De overwegingen omtrent het geschil.

5.1 In artikel 4, lid 4, laatste volzin, van de Zesde richtlijn is bepaald dat elke Lid-Staat personen die in het binnenland gevestigd zijn en die juridisch gezien wel zelfstandig zijn, doch financieel, economisch en organisatorisch nauw met elkaar verbonden zijn te zamen als één belastingplichtige kan aanmerken.

5.2 Ingevolge het bepaalde in artikel 7, lid 4, van de Wet worden natuurlijke personen en lichamen in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, die in Nederland wonen of zijn gevestigd dan wel aldaar een vaste inrichting hebben en die in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zodanig zijn verweven, dat zij een eenheid vormen, aangemerkt als één ondernemer.

5.3 Vast staat dat belanghebbende en B N.V. lichamen zijn, die in Nederland zijn gevestigd en die in organisatorisch opzicht zijn verweven, alles in bovenbedoelde zin. Tevens is tussen partijen niet in geschil dat te dezen tevens een financiële verwevenheid bestaat, zij het dat die verwevenheid tot stand is gekomen door financiële banden via in het buitenland gevestigde gelieerde vennootschappen. Partijen stellen zich eenparig op het standpunt dat ook de op deze wijze tot stand gekomen verwevenheid kwalificeert als één ondernemer in vorenbedoelde zin.

5.4 Van verwevenheid in economisch opzicht is sprake indien de activiteiten van de vennootschappen in hoofdzaak strekken tot verwezenlijking van eenzelfde economisch doel, zoals de bediening van een gemeenschappelijke klantenkring, dan wel de activiteiten van de ene vennootschap in hoofdzaak ten behoeve van de andere vennootschap worden uitgeoefend.

5.5 De inspecteur heeft onweersproken gesteld dat belanghebbende en B N.V. zich niet richten op dezelfde categorie afnemers en geen complementaire prestaties verrichten, terwijl evenmin de ene vennootschap nagenoeg hoofdzakelijk presteert jegens de andere. Gelet op de feitelijke activiteiten van belanghebbende, het voeren van management en verstrekken van financieringen, waarbij de ten behoeve van B N.V. verrichte prestatie, naar vaststaat, slechts 4% van het totaal uitmaken, terwijl B N.V. zich bezig houdt met het bedrukken van tapijt en vloerbedekking, die verder wordt bewerkt door andere, in het buitenland gevestigde vennootschappen, acht het hof deze stelling van de inspecteur juist.

5.6 Onder die omstandigheden voldoen belanghebbende en B N.V. niet aan het in artikel

7, lid 4, van de Wet gestelde vereiste dat zij in economisch opzicht zodanig verweven zijn dat zij, in aanmerking genomen de organisatorische en financiële verwevenheid, een eenheid vormen.

Aan dit oordeel doet niet af dat belanghebbende en B N.V. wellicht, door economische verwevenheid met in het buitenland gevestigde vennootschappen, indirect en via die vennootschappen economisch verweven zouden zijn, daar het bepaalde in artikel 7, lid 4, van de Wet niet op een dergelijke economische verwevenheid ziet.

5.7 Het bepaalde in artikel 4, lid 4, van de Zesde richtlijn staat aan het bepaalde in artikel 7, lid 4, van de Wet niet in de weg. Het door belanghebbende gedane beroep op deze bepaling van gemeenschapsrecht faalt.

5.8 Gelet op het vorenstaande heeft de inspecteur terecht de aangifte van belanghebbende afzonderlijk beschouwd en niet als eenheid met de aangifte van B N.V..

5.9 Partijen hebben zich eenparig op het standpunt gesteld, gebaseerd op het bepaalde in artikel 15, lid 2, van de Wet, dat voor dat geval de door belanghebbende gedragen voorbelasting tot een bedrag van f.4.476,-- alsnog dient te worden teruggegeven. Dit standpunt komt het hof als juist voor.

5.10 Het beroep is, overeenkomstig het subsidiaire standpunt van belanghebbende, gegrond.

5.11 In de omstandigheden van het geval vindt het hof aanleiding op grondt van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken de inspecteur te veroordelen in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten het hof op grond van het Besluit proceskosten fiscale procedures bepaalt op f.1.420,-- en welke kosten dienen te worden gedragen door de Staat der Nederlanden.

6. De beslissing.

Het hof

vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

wijzigt de beschikking tot een beschikking houdende teruggaaf van f.4.476,-- aan omzetbelasting;

bepaalt dat het betaalde griffierecht ad f.75,-- aan belanghebbende wordt vergoed door de inspecteur;

veroordeelt de inspecteur de kosten aan belanghebbende te vergoeden, die deze heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, te bepalen op f.1.420,--, welke kosten dienen te worden gedragen door de Staat der Nederlanden.

Gedaan op 12 december 1997 door prof.mr. Aardema, vice-president, mr. Pruiksma en mr. Drion, raadsheren, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Van der Meer en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 december 1997 te Leeuwarden door mr. Drion, raadsheer.

Op 17 december 1997 afschrift aangetekend verzonden aan beide partijen. De griffier van het Gerechtshof te Leeuwarden.

[Zie ook arrest HR nummer 33987 (red.)]