Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:1997:AA4188

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
15-10-1997
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
568/92
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Belastingkamer Gerechtshof te Leeuwarden Uitspraak

Nr. 568/92 10 oktober 1997

Uitspraak van het gerechtshof te Leeuwarden, eerste meervoudige belastingkamer, op het be-roep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uit-spraak van het hoofd van de eenheid onderne-mingen van de belastingdienst te Leeuwarden (hierna: de inspecteur) gedaan op het bezwaar-schrift van belanghebbende tegen de haar opge-legde naheffingsaanslag in de omzetbelasting voor het tijdvak 1 januari 1991 tot en met 31 juli 1991.

1. Ontstaan en loop van het geding.

Aan belanghebbende werd op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968, zoals die wet voor het onderhavige tijdvak gold (hierna: de Wet) door de inspecteur een naheffingsaanslag opgelegd voor het tijdvak 1 januari 1991 tot en met 31 juli 1991, tot een bedrag f 35.624,-.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belangheb-bende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 2 april 1992 de naheffingsaanslag gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in be-roep gekomen bij een beroepschrift (met bijla-gen), hetwelk op 2 juni 1992 is ingekomen en werd aangevuld bij schrijven (met bijlagen) van 24 maart 1993.

De inspecteur - daartoe in de gelegenheid ge-steld - heeft geen vertoogschrift ingediend.

Vervolgens heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter terechtzitting van 14 maart 1994, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbende en de inspecteur.

Ter voormelde zitting hebben de gemachtigde van belanghebbende en de inspecteur ieder een pleitnota voorgedragen en overgelegd, waarbij de inspecteur - zonder bezwaar van de zijde van gemachtigde - een bijlage bij de pleitnota heeft overgelegd.

Op 22 maart 1994 heeft de gemachtigde nog een, gedagtekend 21 maart 1994, schrijven doen ink-omen, waarvan een afschrift werd gezonden aan de inspecteur, die daarbij in de gelegenheid werd gesteld van zijn gevoelens daaromtrent te doen blijken.

Bij schrijven van 6 april 1994 heeft het hof ingevolg artikel 14, eerste lid, aanhef en onderdeel 2 van de Wet administratieve recht-spraak belastingzaken, bij de inspecteur schriftelijk inlichtingen ingewonnen.

De inspecteur heeft daarop bij schrijven van 12 januari 1995 geantwoord, van welk schrijven een afschrift werd gezonden aan de gemachtigde van belanghebbende.

De gemachtigde van belanghebbende heeft vervol-gens gereageerd bij schrijven van 17 februari 1995, van welk schrijven een afschrift werd gezonden aan de inspecteur.

Vervolgens heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 27 februari 1997, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbende en de inspecteur, op welke zitting zowel de gemach-tigde als de inspecteur een pleitnota hebben voorgedragen en overgelegd.

Van alle genoemde en hierna nog te noemen stuk-ken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zittingen staat als onbetwist, danwel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

Begin 1991 heeft belanghebbende overgenomen van A B.V. een voorraad tegels, sanitair, showroom-inventaris en stellingmateriaal. Hiervoor zijn haar uitgereikt twee facturen, gedagtekend 2 januari 1991 en een creditfactuur, gedagtekend 7 februari 1991, op welke facturen per saldo een bedrag van f 35.591,03 aan BTW werd ver-meld.

Partijen stellen zich op het standpunt, dat met betrekking tot voormelde overdracht artikel 31 van de Wet van toepassing is.

Gedagtekend 25 april 1991 heeft de inspecteur aan A B.V. een zogenaamde systeemaanslag opge-legd voor het tijdvak februari 1991 tot een bedrag van f 38.000,-, met een verhoging van f 1.000,-, aangezien over dat tijdvak naar zijn mening geen aangifte was gedaan. Tegen deze naheffingsaanslag werd geen bezwaar ingediend.

A B.V. werd failliet verklaard op 28 april 1991.

De aangiften voor de omzetbelasting werden voor A B.V. opgesteld en ingediend door haar toenma-lige accountant, het accountantskantoor en belastingadviespraktijk B Accountants te L.

Na een boekenonderzoek werd aan A B.V., gedag-tekend 1 maart 1994 een naheffingsaanslag opge-legd tot een bedrag f 256.710,-.

Op een verzoek van A B.V. van 17 maart 1993 heeft een herrekening plaatsgevonden van het jaar 1991, waarop de inspecteur, gedagtekend 21 maart 1994, een teruggaafbeschikking tot een bedrag van f 39.224,- heeft gegeven, bij de berekening van welk bedrag van f 39.224,- de onderwerpelijke omzetbelasting van f 35.591,03 als af te dragen omzetbelasting mede werd ver-werkt.

De teruggaaf van f 39.224,- werd in mindering gebracht op de nog openstaande naheffingsaan-slag van f 256.710,-.

Bij het opleggen van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld, dat de onderwerpelijke voorbelasting van

f 35.591,03 niet voor aftrek in aanmerking komt, mede in verband waarmee hij de nahef-fingsaanslag tot een bedrag van f 35.624,- heeft opgelegd.

Op het bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak dit standpunt gehandhaafd.

3. Het geschil.

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of de inspecteur terecht de onderwerpelijke voorbelasting niet in aftrek heeft aanvaard, welke vraag door belanghebbende ontkennend en door de inspecteur bevestigend wordt beant-woord.

4. Het standpunt van belanghebbende.

Door belanghebbende is - voor zover te dezen van belang, kort samengevat - gesteld in de schriftelijke stukken van haar zijde en monde-ling ter zittingen:

Door A B.V. werd op 15 maart 1991 een aangifte omzetbelasting over het tijdvak februari 1991 ingediend, welke resulteerde in een per saldo terug te vragen bedrag van f 98.821,- waarin de omzetbelasting over de onderhavige transactie is verwerkt.

In overleg tussen inspecteur en curator van A B.V. is geen bezwaar ingediend, aangezien de curator een uitgebreid onderzoek van de zijde van de belastingdienst had aangevraagd.

Nu A B.V. de omzetbelasting heeft voldaan, beroept zij zich op de resolutie van de staats-secretaris van financiën van 23 april 1986, nummer 286-1389 (hierna: de resolutie).

Hieraan doet niet af, dat het af te dragen bedrag is verrekend met de nog openstaande naheffingsaanslag.

Ten tijde van het uitreiken van de facturen was C directeur van A B.V. en bij hem was toen sprake van onwetendheid voor wat betreft de toepassing van artikel 31 van de Wet.

Zij concludeert tot vernietiging van de uit-spraak en vermindering van de naheffingsaanslag met een bedrag van f 35.591,03 en veroordeling van de inspecteur tot een vergoeding in de proceskosten.

5. Het standpunt van de inspecteur.

De inspecteur heeft daartegenover - voor zover te dezen van belang, kort samengevat - aang-evoerd in het vertoogschrift en mondeling ter zittingen:

De resolutie is niet van toepassing, nu van een dubbele heffing bij A B.V. en belanghebbende niet kan worden gesproken, aangezien A B.V. failliet werd verklaard en de onderwerpelijke omzetbelasting werd verrekend met een veel grotere omzetbelastingschuld, zodat naheffing bij A B.V. geen effect zou hebben gesorteerd.

De aangifte voor het tijdvak februari 1991 werd door A B.V. nimmer ingediend, in verband waar-mee door hem over dat tijdvak een zogenaamde systeemaanslag werd opgelegd.

Nu de zeggenschap bij belanghebbende en A B.V. berustte bij twee broers D en C, was sprake van geliëerde verhoudingen en een bestuurlijke verwevenheid, zodat belanghebbende zal hebben geweten dat naheffing bij de leverancier geen effect zou sorteren.

Het is aannemelijk, dat bij belanghebbende gerede twijfel heeft bestaan omtrent de op de facturen vermelde omzetbelasting en zij bij de beoordeling van de aan haar uitgereikte factu-ren niet de nodige zorgvuldigheid heeft be-tracht, zodat de resolutie hier niet van toe-passing kan zijn.

Hij concludeert tot bevestiging van de uit-spraak.

6. De overwegingen omtrent het geschil.

Vaststaat, dat belanghebbende van A B.V. heeft overgenomen een voorraad tegels, sanitair, showroominventaris en stellingmateriaal, waar-voor aan haar, gedagtekend 2 januari 1991, facturen zijn uitgereikt en een op 7 februari 1991 gedagtekende creditfactuur, welke facturen per saldo een bedrag f 35.591,03 aan BTW ver-meldden en waarbij tussen partijen niet in geschil is, dat op de overdracht van voormelde zaken de vrijstelling van artikel 31 van de Wet van toepassing is.

Naar 's hofs oordeel zijn partijen in hun vo-renomschreven eenparig standpunt met betrekking tot het van toepassing zijn van artikel 31 van de Wet niet uitgegaan van een juridisch onjuis-te stellingname, zodat het hof partijen in dat standpunt zal volgen.

Alsdan is A B.V. de desbetreffende omzetbelas-ting uitsluitend verschuldigd geworden op grond van artikel 37 van de Wet, voor welk geval belanghebbende die belasting niet op grond van artikel 15, eerste lid, van de Wet in aftrek kan brengen.

Zulks is slechts anders, indien belanghebbende voor die aftrek zich zou kunnen beroepen op enig beginsel van behoorlijk bestuur, in welk verband belanghebbende zich heeft beroepen op de resolutie.

Vaststaat, dat de inspecteur, gedagtekend 25 april 1991, aan A B.V. een zogenaamde systeem-aanslag heeft opgelegd over het tijdvak februa-ri 1991 tot een bedrag f 38.000,- met een ver-hoging van f 1.000,- omdat over dat tijdvak geen aangifte zou zijn ingediend, tegen welke naheffingsaanslag geen bezwaar werd aangete-kend.

Onder deze omstandigheden acht het hof aanneme-lijk de stelling van de inspecteur, dat over genoemd tijdvak die aangifte niet is gedaan en de onderwerpelijke omzetbelasting over dat tijdvak alstoen niet door A B.V. is voldaan.

In dit verband verdient opmerking, dat niet aannemelijk is geworden, dat in voormeld bedrag van f 38.000,- de onderwerpelijke omzetbelas-ting van f 35.591,03 als zodanig is begrepen.

Vaststaat voorts, dat, gedagtekend 1 maart 1994 een naheffingsaanslag ad f 256.710,- aan A B.V. werd opgelegd, terwijl na beoordeling in een boekenonderzoek op verzoek A B.V. van 17 maart 1993 tot herrekening van het jaar 1991, gedag-tekend 21 maart 1994, een teruggaafbeschikking tot een bedrag van f 39.224,- door de inspec-teur werd gegeven, bij de berekening van welk bedrag van f 39.224,- de onderwerpelijke omzet-belasting van f 35.591,03 mede als af te dragen omzetbelasting werd verwerkt.

In verband met de faillietverklaring van A B.V. op - naar vaststaat - 28 april 1991 en de nog openstaande voormelde naheffingsaanslag van f 256.710,- werd de teruggaaf van f 39.224,- op die naheffingsaanslag afgeboekt.

Onder vorenomschreven omstandigheden kan van de onderwerpelijke omzetbelasting ad f 39.224,- niet worden gezegd dat deze door B is voldaan, terwijl ook overigens niet gezegd kan worden dat de naheffing van dat bedrag bij leverancier A B.V. effect heeft gesorteerd of nog zal sor-teren, één en ander in de zin van lid 4 van de resolutie.

Gelet op de omstandigheid, dat tussen partijen niet in geschil is, dat met betrekking tot de onderwerpelijke omzetbelasting artikel 31 van de Wet van toepassing is, is het hof van oor-deel, dat van belanghebbende ten minste gezegd kan worden, dat dan weliswaar de toepasselijk-heid van dit artikel haar niet duidelijk voor ogen behoefde te staan, doch zij ook bij het uitreiken van de facturen voor haar terzake zodanige signalen aanwezig zijn geweest, dat zij ten onrechte heeft nagelaten zich hierover bijvoorbeeld door de fiscus te laten informe-ren, één en ander zoals bedoeld in lid 6 van de resolutie.

Het hof verwerpt hiermee het beroep van belang-hebbende op de door haar gestelde onwetendheid met betrekking tot de toepassing van de vrij-stelling van artikel 31 van de Wet.

Alsdan kan van belanghebbende niet gezegd wor-den, dat haar als afnemer niet kan worden ver-weten dat zij bij de beoordeling van de aan haar uitgereikte facturen niet de nodige zorg-vuldigheid heeft betracht, één en ander als bedoeld in lid 4 van de resolutie.

Het vorenoverwogene leidt tot de gevolgtrek-king, dat belanghebbende voor de door haar bepleite behandeling zich niet kan beroepen op een door haar aan de resolutie te ontlenen vertrouwen.

Het beroep is derhalve ongegrond.

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve recht-spraak belastingzaken.

7. De beslissing.

Het gerechtshof,

bevestigt de uitspraak van de inspecteur.

Gedaan op 10 oktober 1997 door prof. mr Aarde-ma, als voorzitter, mr Wolt, beiden vice-presi-dent, en mr Pruiksma, raadsheer, in tegenwoor-digheid van de griffier Gerrits, en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 oktober 1997 te Leeuwarden door mr. Drion, raadsheer.

Op 15 oktober 1997 afschrift aangetekend ver-zonden aan beide partijen. De griffier van het Gerechtshof te Leeuwarden.

[Zie ook arrest HR nummer 33863 (red.)]