Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:1996:AA4497

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
04-10-1996
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
15/95
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 1996/912
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nr. 15/95 4 oktober 1996

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, eerste meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen van de belastingdienst te P (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de afwijzende beschikking van de inspecteur op het door hem en de maatschap A ingediende verzoek als bedoeld in artikel 11, eerste lid, letter b, onder 5, van de Wet op de omzetbelasting 1968, gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold (hierna: de Wet).

1. Ontstaan en loop van het geding.

Belanghebbende en voormelde maatschap hebben op 5 juli 1994 een verzoek als bedoeld in artikel 11, eerste lid, letter b, onder 5, van de Wet ingediend met betrekking tot een door belanghebbende te verhuren ligboxenstal, gelegen aan het a-straat 1 te Z, kadastraal bekend als een ter plaatse afgebakend gedeelte van het perceel gemeente L, sectie G, nummer 186 en 187,

(hierna: de ligboxenstal), zulks met ingang van 1 oktober 1994.

Bij beschikking, gedagtekend 14 oktober 1994, heeft de inspecteur dat verzoek afgewezen.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 12 december 1994 het bezwaar afgewezen.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift, hetwelk op 5 januari 1995 is ingekomen en werd aangevuld bij schrijven (met bijlagen) van 7 maart 1995.

Nadat de inspecteur zijn vertoogschrift (met bijlagen) had ingezonden, heeft de voorzitter belanghebbende toegestaan een conclusie van repliek in te zenden, welke conclusie van repliek ter 's hofs griffie is ingekomen op 2 juni 1995 en waarvan een afschrift werd gezonden aan de inspecteur.

De inspecteur heeft vervolgens een conclusie van dupliek ingezonden, welke conclusie van dupliek ter 's hofs griffie is ingekomen op 27 juni 1995 en waarvan een afschrift werd gezonden aan de gemachtigde van belanghebbende.

Vervolgens heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 6 november 1995, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbende en de inspecteur.

Ter voormelde zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

Van alle genoemde en hierna nog te noemen stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Belanghebbende voert vanaf 25 november 1992 een agrarisch bedrijf.

Bij op 31 oktober 1994 ondertekende

schriftelijke overeenkomst is belanghebbende een maatschap aangegaan met zijn echtgenote B, welke maatschap blijkens die overeenkomst per 1 januari 1994 is ingegaan en waarin belanghebbende de roerende bedrijfsmiddelen van zijn agrarisch bedrijf, zomede het economische belang van zijn overige bedrijfsmiddelen van dat bedrijf heeft ingebracht, met uitzondering van de ligboxenstal.

Met betrekking tot de ligboxenstal -waarvan de bouw omstreeks juni 1994 is aangevangen- werd tussen belanghebbende en de maatschap een op 18 november 1994 gedagtekende schriftelijke pachtovereenkomst aangegaan voor de tijd van zes jaren tegen een jaarlijkse pachtprijs van

f. 12.000,--, met ingang van 1 november 1994, welke pachtovereenkomst werd goedgekeurd door de Grondkamer voor Q op 23 december 1994.

In verband met vorenomschreven pacht werd door belanghebbende het onderwerpelijke verzoek gedaan.

Door de inspecteur werd dit verzoek afgewezen, welk standpunt door de inspecteur bij de bestreden uitspraak werd gehandhaafd.

3. Het geschil.

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of de inspecteur terecht het onderwerpelijke verzoek heeft afgewezen.

4. Het standpunt van belanghebbende.

Door belanghebbende is -voor zover te dezen van belang, kort samengevat- gesteld in de schriftelijke stukken van zijn zijde en mondeling ter zitting:

Met betrekking tot de verhuur van de ligboxenstal dient hij als ondernemer te worden aangemerkt, terwijl hij daarmee optreedt in het economisch verkeer.

Er is geen reden om aan te nemen, dat een pachtovereenkomst tussen hem en de maatschap niet bestaanbaar zou zijn.

Te dezen is niet sprake van een constructie, mede nu de maatschap reeds per 1 januari 1994 bestond en de pacht is aangegaan op zakelijke gronden en hij met zijn echtgenote is gehuwd buiten iedere vorm van gemeenschap, terwijl er evenmin sprake is van enig verrekeningsbeding en hij zich het economisch belang van de ligboxenstal heeft willen voorbehouden.

Hij concludeert tot vernietiging van de uitspraak en het alsnog inwilligen van het verzoek.

5. Het standpunt van de inspecteur.

De inspecteur heeft daartegenover -voor zover te dezen van belang, kort samengevat- aangevoerd in de schriftelijke stukken van zijn zijde en mondeling ter zitting:

Een pachtovereenkomst tussen belanghebbende en de maatschap, waarin hij betrokken is, is niet bestaanbaar.

Ook overigens treedt belanghebbende met het verpachten van de ligboxenstal aan de maatschap niet op in het economische verkeer.

Hij wijst er voorts op, dat de pachtovereenkomst eerst op 23 december 1994 is

goedgekeurd en de maatschapovereenkomst is getekend op 31 oktober 1994.

Mede in verband daarmee is hij van oordeel, dat belanghebbende zich te dezen bedient van een constructie, teneinde de aftrek van voorbelasting van de omzetbelasting op de bouw van de ligboxenstal te verwerven, terwijl de in die stal geproduceerde goederen niet aan de omzetbelastingheffing worden onderworpen.

Hij concludeert tot bevestiging van de uitspraak.

6. De overwegingen omtrent het geschil.

Naar het bepaalde in artikel 7, eerste en tweede lid, van de Wet -voor zover te dezen van belang- is mede ondernemer een ieder die een vermogensbestanddeel exploiteert om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen.

Vaststaat, dat belanghebbende met betrekking tot de ligboxenstal een op 18 november 1994 getekende schriftelijke pachtovereenkomst is aangegaan, ingaande 1 november 1994 voor de tijd van zes jaren tegen een pachtprijs van f. 12.000,--.

Onder deze omstandigheden is met betrekking tot belanghebbende en de ligboxenstal sprake van een ondernemer die een vermogensbestanddeel exploiteert om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen, een en ander als bedoeld in artikel 7 van de Wet.

Opmerking verdient daarbij, dat -anders dan de inspecteur meent- aan die pachtovereenkomst niet in de weg staat de omstandigheid, dat de verpachter als mede-vennoot is betrokken bij de maatschap welke als pachtster optreedt, noch de omstandigheid, dat het pachtcontract eerst op 23 december 1994 door de Grondkamer voor

Q werd goedgekeurd.

Opmerking verdient voorts, dat -anders dan de inspecteur meent- van belanghebbende niet gezegd kan worden, dat hij met de onderwerpelijke verpachting niet zou optreden in het economisch verkeer, gelet op de gelieerdheid tussen hem en de maatschap.

Vooreerst wijst het hof er in dit verband op, dat er te dezen sprake is van tegengestelde belangen tussen belanghebbende en de maatschap, welk tegengesteld belang het hof afleidt uit hetgeen belanghebbende

-onweersproken- heeft gesteld met betrekking tot het tussen hem en zijn echtgenote geldende huwelijksgoederenregime.

Voorts is ook overigens voor de beantwoording van de vraag of de exploitatie van een vermogensbestanddeel om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen leidt tot ondernemerschap in de zin van de Wet niet van belang of de afnemer van de prestatie op enigerlei wijze gelieerd is aan de exploitant.

Voldoende is derhalve, dat in het onderhavige geval de ligboxenstal wordt verpacht, hetgeen naar zijn aard een handeling in het economische verkeer inhoudt.

Nu aan deze voorwaarde is voldaan, dient belanghebbende zijnde de verpachter te worden aangemerkt als ondernemer in de zin van artikel 7, eerste en tweede lid, van de Wet.

Opmerking verdient in dit verband tenslotte, dat de inspecteur weliswaar heeft aangevoerd, dat de schriftelijke maatschapsovereenkomst is getekend op 31 oktober 1994, doch het hof op grond van het gewag maken van de maatschap in het onderwerpelijke verzoek, ingediend op 5 juli 1994 -welk stuk in afschrift tot de gedingstukken behoort- aannemelijk acht, dat de

maatschap tussen belanghebbende en B daadwerkelijk reeds tenminste op die datum tot stand is gekomen, zodat het hof die stelling van de inspecteur -wat er overigens zij van die stelling- passeert.

Gelet op het vorenoverwogene is het hof van oordeel, dat er geen aanleiding is het gezamenlijke verzoek van belanghebbende en B als bedoeld in artikel 11, eerste lid, letter b, onder 5 van de Wet af te wijzen, mede nu dat verzoek ook overigens voldoet aan de in artikel 6a van het Uitvoeringsbesluit Omzetbelasting 1968 gestelde voorwaarden.

De inspecteur heeft weliswaar nog aangevoerd, dat belanghebbende zich zou hebben bediend van een constructie, teneinde aftrek van voorbelasting van de omzetbelasting op de bouw van de ligboxenstal te verkrijgen zonder dat de in de stal geproduceerde goederen aan de omzetbelastingheffing worden onderworpen.

Het hof passeert ook deze stelling van de inspecteur, vooreerst omdat hij er daarbij aan voorbij gaat, dat als gevolg van het verzoek de pachtopbrengsten aan omzetbelastingheffing zullen worden onderworpen en voorts omdat, zoals is neergelegd in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 21 september 1988, nummer 50/87, BNB 1994/306, ingeval de belastingplichtigen ter zake van de verhuur van een onroerende zaak voor belastingheffing kiezen, de onderneming die de onroerende zaak verhuurt, ongeacht oogmerk of resultaat van die verhuur, als belastingplichtige in de zin van artikel 4 van de Zesde EG-richtlijn inzake omzetbelasting aanspraak kan maken op toepassing van de aftrekregeling als opgenomen in artikel 17 van die Richtlijn.

Opmerking verdient daarbij nog, dat aan het hof niet aannemelijk is geworden, dat met betrekking tot de hoogte van de pachtsom sprake zou zijn van enige vrijgevigheid van de zijde van belanghebbende.

Het vorenoverwogene leidt tot de gevolgtrekking, dat het beroep gegrond is.

In de omstandigheden van het geval vindt het hof aanleiding op grond van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken de inspecteur te veroordelen in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten het hof op grond van het Besluit proceskosten fiscale procedures bepaalt op

f. 3.550,--, welk bedrag dient te worden betaald door de Staat der Nederlanden.

7. De beslissing.

Het hof

vernietigt de uitspraak van de inspecteur, zomede de beschikking;

bepaalt dat de verpachting door belanghebbende van de ligboxenstal met ingang van 1 november 1994 niet is vrijgesteld van omzetbelasting;

bepaalt dat het betaalde griffierecht ad f. 75,-- aan belanghebbende wordt vergoed door de inspecteur;

veroordeelt de Staat der Nederlanden de kosten aan belanghebbende te vergoeden, die deze heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, te bepalen op f. 3550,--.

Gedaan op 4 oktober 1996 door prof. mr Aardema, vice-president, mr Drion en mr Mollema, raadsheren, in tegenwoordigheid van de griffier mr Van der Meer en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 oktober 1996 te Leeuwarden door mr Drion, raadsheer.

Op 9 oktober 1996 afschrift met ontvangstbevestiging verzonden

aan beide partijen. De griffier van het Gerechtshof te Leeuwarden.

[Zie ook arrest HR nummer 32749 (red.)]