Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:1995:BO3414

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
13-10-1995
Datum publicatie
10-11-2010
Zaaknummer
BK 1084/92 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De belanghebbende stelt dat hij op 31 december 1989 de f 5.760,- rente aan werkelijk bestaande crediteuren in Hongkong verschuldigd was en ontkent enig bedrag aan omzet te hebben verzwegen.

De belanghebbende verzoekt in beroep primair vaststelling van het belastbare inkomen overeenkomstig de aangifte, subsidiair vernietiging van de correcties voorzover zij niet stroken met een winstcorrectie, afgestemd op een brutowinstpercentage van 190 van de inkopen, met dienovereenkomstige verlaging van de heffingsrente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

UITSPRAAK

nr. 1084/92

Gerechtshof te Leeuwarden

Eerste meervoudige belastingkamer

13 oktober 1995

Uitspraak op het beroep van X te Z

tegen de uitspraak van de inspecteur Belastingdienst/Ondernemingen Leeuwarden (de inspecteur) op zijn bezwaarschrift inzake de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting over het jaar 1989.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.01. De inspecteur heeft de onderhavige aanslag in afwijking van de aangifte opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 82.981,- met inachtneming van een belastingvrije som van f 16.837,- onder

toekenning van f 5.952,- aan investeringsbijdragen.

1.02. Bij de uitspraak waarvan beroep (gedagtekend 11 september 1992) is de bovenvermelde aanslag gehandhaafd.

1.03. Het beroepschrift is op 8 oktober 1992 ter griffie ingekomen. De inspecteur heeft op 18 maart 1993 een vertoogschrift ingediend, waarna de partijen conclusies van repliek en dupliek hebben ingezonden, ten aanzien waarvan het bepaalde in artikel 9 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken is toegepast.

1.04. Bij de mondelinge behandeling op 28 februari 1994 te Leeuwarden waren aanwezig mr A, als gemachtigde van de belanghebbende, en de inspecteur, bijgestaan door B.

2. De gedingstukken

De inhoud van de volgende stukken geldt als hier ingevoegd:

2.01. Het beroepschrift met de daarin genoemde tien bijlagen.

2.02. Het vertoogschrift met de daarin genoemde acht bijlagen.

2.03. De ingezonden conclusies van repliek en dupliek.

3. De feiten

Op grond van de gedingstukken en het zitting verhandelde staat tussen de partijen als niet, dan wel onvoldoende weersproken het volgende vast:

3.01. De belanghebbende, geboren op .. augustus 19.., exploiteert een Chinees restaurant in Z.

3.02. Bij een boekenonderzoek over de jaren 1986, 1987, 1988 en 1989 is onder meer het volgende geconstateerd:

a. volgens een (niet tot de gedingstukken behorende) akte, waarbij de belanghebbende een tweede hypotheek verleende op zijn woon/ /bedrijfspand, leende hij in 1988 f 72.000,- van geldgevers in Hongkong; ter zake daarvan is f 4.066,66 aan rente ten laste van de winst over 1988 gebracht en f 5.760,- ten laste van de winst over 1989; rentebetaling noch aflossing vonden plaats.

b. de brutowinstpercentages over de jaren 1986 tot en met 1989 beliepen (zonder dat er prijsveranderingen waren waarmee rekening valt to houden) achtereenvolgens 237, 205, 150 en 130; in 1986 vergde een omzet van f 184.953,- aan inkopen f 54.759,- terwijl deze cijfers in 1989 f 185.614,- en f 80.530,- waren.

c. hoeveelheden van telkens 113,5 kg rust werden in 1989 ingekocht in de maanden januari (2x), februari (1x), maart (2x), april (lx), mei (2x), juli (lx) september (2x), oktober (lx), november (2x) en december (lx), waaruit volgens de branchedocumentatie van de inspecteur een keukenomzet van f 100.000,- tot f 131.000,- haalbaar zou zijn, terwijl deze (inclusief omzetbelasting) f 173.280,- heeft bedragen.

d. voorzover de belanghebbende op hoogtij- en andere drukke dagen in Z al een hogere omzet boekte, ging dat niet samen met hogere personeelskosten.

e. de controlerende ambtenaar heeft de in 1988 en 1989 geboekte ontvangsten getoetst aan de chi-kwadraat-methode.

3.03. De inspecteur heeft de onder 3.02/a genoemde rente van f 5.760,- niet als bedrijfslast aanvaard, omdat de lening naar zijn mening geen werkelijk bestaande schuld betrof en de rente dus niet verschuldigd zou zijn. Voorts heeft hij de conclusie getrokken dat de belanghebbende omzetten heeft verzwegen en op grond daarvan de over het onderwerpelijke jaar aangegeven omzet en winst met f 85.600,- verhoogd; hij bracht aldus de brutowinst overeenkomstig het niveau van 1986 op 237 % van het onder 3.02/b genoemde inkoopbedrag van f 80.530,-.

3.04. Het aangegeven belastbare inkomen van f 13.812,- werd behalve met de bovengenoemde bedragen van f 85.600,- en f 5.760,-, als uitvloeisel daarvan - en niet zelfstandig in geschil -tevens gecorrigeerd met f 4.143,- (minder buitengewone lasten), f 3.190,- (hogere meewerkaftrek), f 2.080,- (lagere zelfstandigenaftrek) en! 25.224,- (hogere dotatie aan de ouderdagsreserve).

4. Het geschil en de standpunten van de partijen

4.01. De belanghebbende stelt dat hij op 31 december 1989 de f 5.760,- rente aan werkelijk bestaande crediteuren in Hongkong verschuldigd was en ontkent enig bedrag aan omzet te hebben verzwegen.

4.02. Het zou op verzoek zijn van de geldschieters dat op de geldlening van f 72.000,- geen aflossingen worden verricht en geen rente wordt overgemaakt, omdat zij liever wachten tot duidelijk is geworden hoe zich de situatie in Hongkong na de overdracht aan China zal ontwikkelen.

4.03. Het teruglopen van de brutowinst verklaart de belanghebbende uit het verstrekken van grotere porties met het oog op klantenbinding, in het bijzonder toen zijn restaurant door gemeentelijke werkzaamheden aan de kademuren slecht bereikbaar was, en uit het weggooien van niet onaanzienlijke hoeveelheden produkten in een periode van overspannenheid. Het schommelen van de rijstinkopen schrijft hij toe aan seizoensinvloeden; hij bestrijdt dat zij niet alle zouden zijn geboekt.

4.04. Niet alle drukte in Z zou leiden tot drukte in belanghebbendes restaurant, en als extra personeelshulp nodig is wordt die verkregen van belanghebbendes kinderen en (op basis van wederkerigheid, met gesloten beurs) van collega's uit L.

4.05. De uitkomst van de chi-kwadraat-methode geeft volgens de belanghebbende een vertekend beeld en kan niet het schatten van de omzet aantonen, omdat de grootte van de onderneming en het aantal plaatsen hun beperkingen hebben en meebrengen dat de omzet tussen bepaalde grenzen schommelt. De prijzen zijn afgerond op vijf cent.

4.06. De belanghebbende verzoekt in beroep primair vaststelling van het belastbare inkomen overeenkomstig de aangifte, subsidiair vernietiging van de correcties voorzover zij niet stroken met een winstcorrectie, afgestemd op een brutowinstpercentage van 190 van de inkopen, met dienovereenkomstige verlaging van de heffingsrente.

4.07. De inspecteur daarentegen concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak. Het boeken van de onderwerpelijk geldlening strekte in 1988 naar zijn opvatting tot het versluieren van negatieve kassaldi, zoals ook het geval zou zijn geweest met een in 1989 geboekte schenking van belanghebbendes moeder, groot f 10.000,-.

De chi-kwadraat-toets wijst zijns inziens uit dat de opbrengstverantwoording op schattingen berust. Naar zijn mening zijn niet alle inkopen geboekt, gezien de onregelmatigheid waarmee dat gebeurde en het feit dat zij voor de behaalde omzet niet toereikend waren.

4.08. De gronden waarop deze standpunten rusten zijn vermeld in de onder 2 vermelde stukken. Ter zitting zijn daaraan geen andere meer toegevoegd; desgevraagd heeft belanghebbendes gemachtigde erkend dat een brutowinst van 237 % voor de belanghebbende in het algemeen niet onjuist hoeft te zijn.

5. De overwegingen van het hof

5.01. Nu de inspecteur gemotiveerd bestrijdt dat de belanghebbende het rentebedrag van f 5.760,-, dat hij als bedrijfslast heeft opgevoerd, aan geldgevers verschuldigd is, dient de belanghebbende zulks aannemelijk te maken.

Hij heeft het bestaan van deze renteschuld echter op generlei aannemelijke wijze gestaafd, zodat het hof de grond mist voor het ongedaan maken van de desbetreffende correctie op de aangifte.

In 1997 te verwachten gebeurtenissen acht het hof geen afdoende verklaring voor de beweerde afwachtende houding van de geldschieters in 1988 en 1989.

5.02. Hetgeen de inspecteur naar voren heeft gebracht over de daling van de brutowinsten, de frequentie en de omvang van de inkopen, het verloop van de omzetten en de uitkomsten van de chikwadraat-toets, rechtvaardigt naar het oordeel van het hof het vermoeden dat de belanghebbende noch van zijn inkopen, noch van zijn verkopen geregeld en volledig aantekening heeft gehouden en dat in belanghebbendes aangifte over 1989 de omzet en de winst niet volledig zijn verantwoord.

5.03. Hetgeen daartegen namens de belanghebbende is aangevoerd (zoals het verstrekken van grotere, dan wel het weggooien van porties, en de werking van seizoensinvloeden die wel in de inkopen, maar niet in de omzetten of althans in de personeelskosten is terug te vinden) acht het hof onvoldoende geloofwaardig om dat vermoeden te ontzenuwen.

Ook is de onder 3.02/c weergegeven wanverhouding tussen de geboekte inkopen en de gebleken keukenomzet onverklaard gebleven.

5.04. De inspecteur is naar het oordeel van het hof dan ook geslaagd in het van hem te verlangen bewijs dat de belanghebbende zijn winst en belastbaar inkomen over 1989 te laag heeft aangegeven. Dat hij, door uit te gaan van een brutowinstpercentage van 237, belanghebbendes aangifte te sterk zou hebben gecorrigeerd is, gezien de onder 3.02/b vermelde percentages en de onder 4.08 weergegeven, met de door de inspecteur genoemde branchegegevens overeenkomende erkenning dat zo'n percentage zou kunnen, met aannemelijk geworden.

6. De conclusie

Het beroep is zowel in zijn primaire als in zijn subsidiaire onderdeel ongegrond.

7. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

8. De beslissing

Het gerechtshof bevestigt de uitspraak waarvan beroep.

Gedaan op 13 oktober 1995 door de vice-presidenten prof. mr Aardema, voorzitter, mrs Streppel en Wolt, in tegenwoordigheid van de griffier mr Van der Meer en ondertekend door de voorzitter en de griffier.

VOOR AFSCHRIFT

de Griffier van het Gerechtshof te Leeuwarden,

Afschriften met bericht van ontvangst

aan de partijen verzonden op: 18 OKT, 1995