Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:1995:AA4473

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
22-09-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
BK 1705/93
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 1995/734
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

BK 1705/93 22 september 1995

Uitspraak van het gerechtshof te Leeuwarden, eerste meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de hem door het hoofd van de eenheid grote ondernemingen van de belastingdienst te Groningen (hierna: de inspecteur) opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1990.

1. Ontstaan en loop van het geding.

Belanghebbende werd voor het jaar 1990 in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen aangeslagen naar een belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold (hierna: de Wet) van f. 670.761,--, waarvan belast naar artikel 57, tweede lid, van de Wet een bedrag van f. 582.500,--.

Met schriftelijke toestemming van de inspecteur als bedoeld in artikel 26, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen -zoals die bepaling voor dat tijdstip luidde- is belanghebbende tegen deze aanslag, gedagtekend 30 oktober 1993 rechtstreeks bij het hof in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 22 december 1993 is ingekomen.

Nadat de inspecteur zijn vertoogschrift (met bijlagen) had ingezonden heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 27 maart 1995, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbende, zomede de inspecteur.

Ter voormelde zitting hebben de gemachtigde van belanghebbende en de inspecteur een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

Van alle genoemde stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

Belanghebbende en diens vader A en diens broer B waren tot 3 mei 1988 gezamenlijk de aandeelhouders in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid C BV te L (hierna: de BV), overeenkomstig de volgende verdeling:

A 22 aandelen A à f. 500,-- = f. 11.000,--

22 aandelen B à f. 500,-- = - 11.000,--

1 prioriteitsaandeel à f. 500,-- = 500,--

f. 22.500,--

B 35 aandelen C à f. 500,-- = f. 17.500,--

belanghebbende 35 aandelen D à f. 500,-- = f. 17.500,--

Op 3 mei 1988 verkocht A zijn aandelen aan de inmiddels opgerichte besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid D BV te L (hierna: de holding-BV), waarin belanghebbende enig aandeelhouder was.

Op 31 mei 1990 heeft B zijn aandelen in de BV verkocht en overgedragen aan de holding-BV tegen een verkoopprijs van f. 600.000,--.

Bij schrijven van 27 juni 1990 heeft belanghebbende verzocht om toepassing van de gefacilieerde aandelenruil, zoals bedoeld in de Resolutie van de

Staatssecretaris van Financiën van 7 februari 1989, nummer DB 87-5249, BNB 1989/84, welk verzoek werd afgewezen.

Op 21 december 1990 heeft belanghebbende zijn aandelen in de BV verkocht aan de holding-BV, tegen een verkoopprijs van f. 600.000,--, welke verkoopsom door de BV in rekening-courant werd schuldig gebleven.

Van de verkoopschuld van de BV aan B werd in 1990 f. 400.000,-- afgelost en in de jaren 1991 en 1992 telkens een bedrag van f. 100.000,--.

Van de verkoopschuld van de BV aan belanghebbende werd door de BV een bedrag van f. 200.000,-- afgelost.

De holding-BV had voor deze aflossingen bij wijze van

lening de middelen verkregen van de BV.

Bij het doen van aangifte voor de inkomstenbelasting voor het onderwerpelijke jaar heeft belanghebbende in verband met vorenomschreven verkoop van zijn aandelen in de BV aan de holding-BV een bedrag van f. 600.000,--, verminderd met de verkrijgingsprijs van f. 17.500,--, ofwel f. 582.500,-- in zijn belastbaar inkomen betrokken bij wijze van winst uit aanmerkelijk belang.

Bij het vaststellen van de aanslag heeft de inspecteur voormeld bedrag aangemerkt als inkomsten uit vermogen en daarop het bijzonder tarief van artikel 57, tweede lid, van de Wet toegepast.

3. Het geschil.

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of voormeld voordeel van f. 582.500,-- dient te worden aangemerkt als winst uit aanmerkelijk belang, dan wel als inkomsten uit vermogen, waarbij belanghebbende het eerstvermelde standpunt en de inspecteur het laatstvermelde standpunt verdedigt.

4. Het standpunt van belanghebbende.

Namens belanghebbende is -voorzover te dezen van belang, kort samengevat- gesteld in het beroepschrift en mondeling ter zitting:

De aanleiding voor de transactie is geweest het tot stand kunnen brengen van een fiscale eenheid tussen de holding-BV en de BV, teneinde de financieringslasten terzake van de verworven aandelen te kunnen compenseren met de winst van de BV.

Zulks moge ook blijken uit de aanvankelijke pogingen om door middel van aandelenruil de aandelen in de BV aan de holding-BV te doen toekomen.

Hij concludeert tot verlaging van de aanslag door op de bate van f. 582.500,-- het bijzonder tarief van artikel 57a, tweede lid, van de Wet toe te passen.

5. Het standpunt van de inspecteur.

De inspecteur heeft daartegenover -voorzover te dezen van belang, kort samengevat- aangevoerd in het vertoogschrift en mondeling ter zitting:

Sprake is van een onzakelijke transactie, waarbij belastingverijdeling de doorslaggevende beweegreden is geweest, nu het bereiken van een fiscale eenheid niet als een zakelijk belang kan worden gezien en een oplossing voor het niet aftrekbaar zijn van de financieringslasten in de holding-BV ook op andere wijze te bereiken zou zijn geweest.

Hij concludeert tot handhaving van de aanslag.

6. De overwegingen omtrent het geschil.

Vaststaat, dat belanghebbende in 1990 de hem in eigendom toebehorende aandelen in de BV -waarin hij alstoen middellijk en onmiddellijk enig aandeelhouder was- heeft verkocht en overgedragen aan de holding-BV -waarin hij alstoen evenzeer enig aandeelhouder was.

Het hof acht niet geloofwaardig de stelling van belanghebbende, dat hij zulks zou hebben gedaan teneinde na het verwerven van alle aandelen in de BV door de holding-BV een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting tussen deze vennootschappen tot stand te kunnen brengen, opdat de financieringsrente in de holding-BV te verrekenen zou zijn met de winsten van de BV.

Het hof acht deze stelling daarom niet aannemelijk, aangezien -naar vaststaat- in 1992 reeds de gehele financieringsschuld aan B door de holding-BV werd afgelost met middelen, welke -in de vorm van een lening- door de BV aan de holding-BV ter beschikking werden gesteld. Deze middelen hadden door de BV evenzeer bij wijze van dividend-uitkering aan de holding-BV ter beschikking kunnen worden gesteld, voor welk geval geen sprake meer geweest zou zijn van een rente op de financieringsschuld in de holding-BV.

Onder deze omstandigheden acht het hof het veeleer aannemelijk -mede nu belanghebbende niet enige andere aanleiding voor de onderwerpelijke transactie heeft opgegeven- dat de transactie belanghebbende is ingegeven door het motief om voor zich persoonlijk de beschikking te krijgen over aan de BV toebehorende middelen, waarmee het ontgaan van belasting over inkomsten uit vermogen de doorslaggevende beweegreden is geweest.

Ook de inmiddels plaatsgevonden hebbende aflossing

tot een bedrag van f. 200.000,-- van de koopvordering van belanghebbende op de holding-BV terzake van deze transactie wijst in die richting.

Weliswaar brengt artikel 24 van de Wet niet mee, dat indien een particuliere aandeelhouder aandelen in een BV aan derden verkoopt, de in de koopsom begrepen vergoeding voor in de BV aanwezige reserves steeds tot de inkomsten uit vermogen moet worden gerekend.

Dit wordt evenwel anders, wanneer particuliere aandeelhouders met belastingverijdeling als doorslaggevende beweegreden -gelijk hiervoren overwogen in het onderwerpelijke geval- hun aandelen verkopen aan een BV, waarin zij voor het zelfde gedeelte gerechtigd zijn als in de BV wier aandelen worden verkocht en waarbij zij hun belang in

laatstgenoemde BV behouden.

De aan de toepassing van artikel 24 van de Wet ten grondslag liggende scheiding tussen de inkomsten- en de vermogenssfeer zou immers niet tot haar recht komen wanneer het artikel particuliere aandeelhouders in staat zou stellen door verkoop van aandelen met behoud van het belang in de BV wier aandelen worden verkocht, steeds en op ieder door hen daartoe nuttig geacht moment de beschikking over de reserves te verkrijgen zonder deze tot de inkomsten uit vermogen te moeten rekenen, doordat de kopende BV -hetgeen gelet op de vorenomschreven aflossingen kennelijk ook te dezen het geval is- zonder dat dit tot belastingheffing leidt, ter voldoening van de schuldig gebleven koopsom terstond kan putten uit het vermogen van de BV wier aandelen zijn verkocht.

Het vorenoverwogene leidt ertoe, dat het leerstuk van de wetsontduiking te dezen dient te worden toegepast op het verschil tussen f. 600.000,-- en het bedrag van het op de desbetreffende aandelen gestorte kapitaal van f. 17.500,--, welk bedrag van

f. 582.500,-- alsdan dient te worden behandeld als inkomsten uit vermogen.

Het beroep is derhalve ongegrond.

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

7. De beslissing.

Het hof handhaaft de aanslag.

Gedaan op 22 september 1995 door prof.mr Aardema, vice-president, mr Pruiksma en mr Drion, raadsheren, in tegenwoordigheid van de griffier mr Goederee en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier.

Op 27 september 1995 afschrift met ontvangstbevestiging verzonden aan

beide partijen.

De griffier van het gerechtshof te Leeuwarden.

[Zie ook arrest HR nummer 31600 (red.)]