Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:1995:AA4251

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
22-12-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
1189/94
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nr. 1189/94 22 december 1995

Uitspraak van het gerechtshof te Leeuwarden, eerste meervoudige belastingkamer, op het beroep van de gemeente Leek te Leek tegen de uitspraak van het hoofd van de Belastingdienst/Ondernemingen P (: de inspecteur), gedaan op het namens de belanghebbende ingediende bezwaarschrift tegen de haar opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 1988 tot en met 31 december 1992.

1. Ontstaan en loop van het geding.

1.1. Met dagtekening 25 november 1993 heeft de inspecteur de onderhavige naheffingsaanslag aan de belanghebbende opgelegd voor een bedrag van ƒ 5.428,- aan enkelvoudige belasting en ƒ 1.433,- aan heffingsrente.

1.2. Op het tegen de naheffingsaanslag tijdig ingediende bezwaarschrift heeft de inspecteur bij uitspraak van 11 november 1994 de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.3. Het namens de belanghebbende tegen deze uitspraak ingediende beroepschrift (met bijlagen) is op 19 december 1994 ter griffie ingekomen.

De inspecteur heeft op 21 februari 1995 een vertoogschrift (met bijlagen) ingediend.

1.4. Op de zitting van 6 november 1995, gehouden te Leeuwarden, heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Aldaar zijn verschenen belanghebbendes gemachtigde, alsmede de inspecteur.

1.5. Ter voormelde zitting heeft belanghebbendes gemachtigde de door hem voorgedragen pleitnota overgelegd.

1.6. De inhoud van alle voormelde stukken moet als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Op grond van de gedingstukken en het ter zitting verhandelde staat tussen de partijen als niet, dan wel onvoldoende betwist vast:

2.1. Inzake het in de gemeente Leek verzamelen en ophalen van glazen voorwerpen van particuliere huishoudens heeft de belanghebbende op 2 oktober 1986 met de Besloten Vennootschap A te Q

(: A) een overeenkomst gesloten.

Artikel 2 van de overeenkomst bepaalt het volgende:

“De gemeente verklaart hierbij met A B.V. een overeenkomst te hebben gesloten betreffende de huur van glascontainers en het ledigen en aftransporteren van het ingezamelde glas.

De huur van de glascontainers geschiedt om niet.

De gemeente betaalt de lossingskosten m.b.t. de geplaatste containers aan A.

De lossingskosten per container bedragen bij lossing:

1 x per week ƒ 25,13 per lossing

1 x per 2 weken ƒ 31,75 per lossing

1 x per 3 weken ƒ 38,37 per lossing

1 x per 4 weken ƒ 44,99 per lossing.

Deze bedragen zijn exclusief b.t.w.

A betaalt aan de gemeente terug een prijs per ingezamelde ton glas, welke gebaseerd is op de marktprijs voor glas (momenteel ƒ 30,- excl. b.t.w. per ton glas). A garandeert hierbij aan de gemeente een basisprijs van ƒ 21,- excl. b.t.w. per ton glas.

Per kwartaal zal een afrekening plaatsvinden van de lossingskosten evenals opbrengst uit ingezameld glas.

[...].”

2.2. De belanghebbende heeft bij brief van 4 oktober 1993 een verzoek om

teruggaaf van omzetbelasting ingediend over de jaren 1988 tot en met 1992. De ter zake van de verkoop van het glas in de opvatting van partijen verschuldigd geworden omzetbelasting van ƒ 6.073,85 heeft zij aangegeven onder aftrek van de door A aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting ten bedrage van ƒ 12.804,21 voor het legen van de containers.

2.3. De inspecteur heeft bij de onderhavige naheffingsaanslag de

verschuldigde belasting nageheven doch geen aftrek van voorbelasting toegestaan.

3. Het geschil en de standpunten van de partijen.

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de belanghebbende de voor

het legen van de glascontainers aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting in aftrek kan brengen.

3.2. De belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de lossingskosten

toegerekend dienen te worden aan de verkoop van het glas, hetwelk voor haar een belaste ondernemersactiviteit is zodat recht bestaat op aftrek van voorbelasting.

3.3. De inspecteur is van mening dat het legen van de glascontainers nog

behoort tot belanghebbendes overheidstaak. De ter zake van de lossingskosten in rekening gebrachte omzetbelasting kan dus niet in aftrek worden gebracht. Eerst bij de verkoop van het glas treedt de belanghebbende op als ondernemer.

3.4. De gronden waarop deze standpunten rusten staan vermeld in de

gedingstukken. Ter zitting is daar niets essentieels aan toegevoegd.

4. Overwegingen omtrent het geschil.

4.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 4, lid 5, eerste alinea, van de Zesde richtlijn betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting (: de Zesde richtlijn), worden onder andere gemeenten niet als belastingplichtigen aangemerkt voor de werkzaamheden of handelingen die zij als overheid verrichten, ook niet als zij voor die werkzaamheden of handelingen rechten, heffingen, bijdragen of retributies innen.

4.2. Blijkens het arrest van 17 oktober 1989, gevoegde zaken 231/87 en

129/88, van het Hof van Justitie van de Europese Gemaanschappen, FED 1990/312, moet voormelde bepaling aldus worden uitgelegd, dat publiekrechtelijke lichamen “als overheid” handelen wanneer zij werkzaamheden verrichten in het kader van het specifiek voor hen geldende juridisch regiem, met uitsluiting van de werkzaamheden die zij onder dezelfde juridische voorwaarden als particuliere economische subjecten verrichten.

Artikel 3 van de Afvalstoffenwet (tot 1 januari 1994) legt aan de

belanghebbende de verplichting op huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen bij binnen de gemeente gelegen percelen. In de memorie van toelichting bij het wetsontwerp 13 364 (Afvalstoffenwet) wordt dienaangaande het volgende opgemerkt:

“Zoals in deel I van deze memorie van toelichting is uiteengezet, moet in beginsel een ieder voor de verwijdering van de afvalstoffen die hij produceert of doet ontstaan, verantwoordelijk worden geacht. De taak van de overheid ten aanzien van de afvalverwijdering behelst o.m. te voorkomen dat afvalstoffen op een voor het milieu onverantwoorde wijze worden verwijderd. Met het oog op deze beide aspecten is - naast de in artikel 2 aan de gemeenten gegeven opdracht - in artikel 3 bepaald dat iedere gemeente, hetzij apart hetzij in samenwerking met andere gemeenten, ervoor zorg dient te dragen dat ten minste éénmaal per week bij ieder binnen haar grondgebied gelegen perceel de huishoudelijke afvalstoffen welke afkomstig zijn van particuliere huishoudens, worden opgehaald.” (MvT, p. 39)

en

“Wat huishoudelijke afvalstoffen betreft is in de meeste gevallen voor de burger de mogelijkheid in het leven geroepen - deze wet maakt daar een algemene regel van - zich van dat afval te ontdoen door overdracht of aanbieding aan een inzameldienst. Op milieuhygiënische gronden heeft de overheid gemeend hier - tegen betaling - een taak op zich te moeten nemen, namelijk het verwijderen van dat afval, die primair rust op de burger zelf.” (MvT, p. 30)

4.4. Gelet op het onder 4.3. vermelde is het hof van oordeel dat tot de

overheidstaak niet alleen de inzameling maar ook de verwijdering van huishoudelijke afvalstoffen behoort. Hiertoe rekent voormelde memorie van toelichting (p. 33) het verwerken van afvalstoffen door gecontroleerd storten, verbranden, composteren, VAM-afvoer en hergebruik. Zowel de inzameling, als ook het legen van de containers, het transport en de verkoop (tezamen de verwijdering) van het glas behoren dus tot de overheidstaak. De belanghebbende treedt ter zake op als publiekrechtelijk rechtssubject, hetgeen meebrengt dat zij handelt in het specifiek voor haar geldende juridisch regiem als bedoeld onder punt 4.2.. Gelijk de Hoge Raad in het arrest van 3 maart 1993, nr. 28 441, BNB 1993/178 heeft overwogen geldt dit zowel voor het geval de belanghebbende deze werkzaamheden zelf verricht als wanneer zij dit door een derde (A) laat verrichten, in welk geval zij de door deze derde ter zake in rekening gebrachte omzetbelasting niet in aftrek kan brengen. Het gelijk is derhalve aan de zijde van de inspecteur. Nu partijen echter wat betreft de verkoop van het glas zijn uitgegaan van een juridisch onjuist standpunt, dient de naheffingsaanslag niettemin te worden vernietigd omdat ter zake van deze verkoop geen omzetbelasting verschuldigd is.

5. Proceskosten.

Nu de belanghebbende daarom niet heeft verzocht acht het hof geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

6. De beslissing.

Het gerechtshof

vernietigt de uitspraak waarvan beroep,

vernietigt de naheffingsaanslag en

gelast dat het betaalde griffierecht van ƒ 75,- door de inspecteur aan de belanghebbende wordt vergoed.

Gedaan op 22 december 1995 door prof.mr Aardema, vice-president, mrs. Drion en Mollema, beiden raadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier

mw.mr Van der Meer en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier.

Op 27 december 1995 afschrift met ontvangstbevestiging verzonden

aan beide partijen. De griffier van het gerechtshof te Leeuwarden.

In het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 22 december 1995 door mr Drion, raadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier Lorist.

[Zie ook arrest HR nummer 31838 (red.)]