Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2022:641

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
08-03-2022
Datum publicatie
02-05-2022
Zaaknummer
200.277.384/01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Het hof oordeelt voorshands dat partijen zijn overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst in ieder geval niet eerder dan op 1 maart 2020 zou eindigen en dat de werkgever het loon c.a. moet doorbetalen tot 1 maart 2020.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2022-0492
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.277.384/01

Zaaknummer rechtbank : 8269365 RL EXPL 20-801

arrest van 8 maart 2022

inzake

[X] Transport Europe B.V.,

gevestigd te Den Haag,

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. M.D. Winter te 's-Gravenhage,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. Y. Özdemir te 's-Gravenhage.

1 De zaak in het kort

[geïntimeerde] is in dienst getreden van [appellante]. Sinds 14 november 2019 heeft [appellante] het overeengekomen loon niet meer aan [geïntimeerde] betaald. [geïntimeerde] heeft in kort geding onder meer doorbetaling van loon gevorderd. Evenals de kantonrechter oordeelt het hof voorshands dat partijen zijn overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst in ieder geval niet eerder dan op

1 maart 2020 zou eindigen en dat [appellante] gehouden is om het loon c.a. door te betalen tot 1 maart 2020.

2 Procesverloop

Bij dagvaarding van 11 april 2020 is [appellante] in hoger beroep gekomen van een door de kantonrechter in de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Den Haag (hierna: de kantonrechter), tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van 13 maart 2020. Bij memorie van grieven, met één productie, heeft [appellante] vijf grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord, met vier producties, heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

3 Feiten

De door de kantonrechter in het vonnis van 13 maart 2020 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar van uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende:

3.1

[geïntimeerde] is met ingang van 1 maart 2019 voor onbepaalde tijd in dienst getreden van [appellante] in de functie van [functienaam] tegen een brutoloon van € 5.371,50 per maand exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten.

3.2

Sinds 14 november 2019 heeft [appellante] het overeengekomen loon niet meer betaald aan [geïntimeerde].

4 Procedure bij de kantonrechter

4.1

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd, samengevat en voor zover in hoger beroep nog van belang, dat [appellante] wordt veroordeeld tot betaling van (achterstallig) loon, te vermeerderen met vakantiebijslag en overige emolumenten, over de periode vanaf

14 november 2019 tot het moment van rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst, met afgifte van een deugdelijke bruto/netto specificatie. Tevens heeft [geïntimeerde] betaling gevorderd van een bedrag van € 500,- (netto) aan salaris over de maand september 2019, een bedrag van € 429,72 (bruto) aan vakantiebijslag over de periode van

1 maart 2019 tot en met 28 februari 2020, de wettelijke verhoging over alle gevorderde loonbedragen, een bedrag van € 1.138,79 aan buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente over alle gevorderde bedragen, een en ander met veroordeling van [appellante] in de kosten van de procedure, met wettelijke rente. [appellante] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering.

4.2

De kantonrechter heeft, voor zover in hoger beroep nog van belang, [appellante] veroordeeld tot betaling van het periodiek verschuldigde loon over de periode van 14 november 2019 tot en met 28 februari 2020 en € 500,- netto aan loon over de maand september 2019, met afgifte van een deugdelijke bruto/netto specificatie, € 429,72 bruto aan vakantiebijslag over de periode van 1 maart 2019 tot en met 28 februari 2020, de wettelijke verhoging en de wettelijke rente over voornoemde bedragen, en € 1.138,79 aan buitengerechtelijke kosten, met wettelijke rente, en heeft [appellante] veroordeeld in de kosten van de procedure, met wettelijke rente.

4.3

De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat op de verschillende kopieën van een beëindigingsovereenkomst die in het geding zijn gebracht, verschillende data zijn vermeld waarop de arbeidsovereenkomst zou eindigen: 1 augustus 2019 en 1 maart 2020. Het valt in dit kort geding niet vast te stellen welke kopie van de beëindigingsovereenkomst de juiste is. Het is voldoende aannemelijk dat [geïntimeerde] na 1 augustus 2019 nog werkzaamheden heeft verricht voor [appellante]. Ook heeft [appellante] op 9 december 2019 nog een vakantieverklaring voor [geïntimeerde] ondertekend. Gezien deze omstandigheden wordt ervan uitgegaan dat de arbeidsovereenkomst op zijn vroegst op 1 maart 2020 zou eindigen. Het bestaan van de salarisvordering van [geïntimeerde] over de periode tot die datum wordt voorshands aannemelijk geacht. De wettelijke rente, de wettelijke verhoging en de buitengerechtelijke kosten zijn als op de wet gegrond eveneens toegewezen omdat [geïntimeerde] [het hof leest: [appellante]] hiertegen geen zelfstandig verweer heeft gevoerd, aldus de kantonrechter.

5 Beoordeling van het hoger beroep

5.1

[appellante] kan zich met het bestreden vonnis niet verenigen. In hoger beroep vordert zij, kort gezegd, vernietiging van het bestreden vonnis en afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde], met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties, met nakosten en wettelijke rente.

5.2

[geïntimeerde] concludeert tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met veroordeling van [appellante] in de kosten van het hoger beroep.

5.3

Het hof overweegt allereerst dat de vordering van [geïntimeerde] betrekking heeft op de betaling van loon c.a. De aard van deze vordering brengt mee dat sprake is van spoedeisendheid. Verder geldt in het kader van een gevorderde voorziening in kort geding dat deze eerst toewijsbaar is indien met voldoende mate van zekerheid kan worden aangenomen dat de vordering in een bodemprocedure zou worden toegewezen.

5.4

Met de grieven, die zich voor gezamenlijke behandeling lenen, klaagt [appellante] in de kern dat ten onrechte is aangenomen dat de arbeidsovereenkomst in ieder geval niet eerder zou eindigen dan op 1 maart 2020 en dat het loon c.a. ten onrechte over de periode tot die datum is toegewezen. Ook heeft de kantonrechter volgens [appellante] ten onrechte de wettelijke verhoging, de wettelijke rente en de buitengerechtelijke kosten toegewezen.

5.5

Ter toelichting daarop heeft [appellante] aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat alleen [geïntimeerde] de beide door hem overgelegde exemplaren van de beëindigingsovereenkomst in zijn bezit had en in staat is geweest om de einddatum 1 maart 2020 daarop in te vullen. Die exemplaren kunnen niet als geldige overeenkomsten worden aangemerkt. Met het door [appellante] in het geding gebrachte, schone exemplaar van de beëindigingsovereenkomst heeft [appellante] de wil geopenbaard om de arbeidsovereenkomst op 1 augustus 2019 te doen eindigen, en [geïntimeerde] heeft dit met het ondertekenen van dit exemplaar bevestigd. Dat na augustus 2020 [het hof leest: 2019] nog loonbetalingen zijn gedaan, is gebaseerd geweest op een nadere, mondelinge arbeidsovereenkomst tussen partijen, en [appellante] heeft daarvan bewijs aangeboden. Voor het geval het hof ervan uitgaat dat in r.o. 4.11 van het bestreden vonnis een schrijffout staat en dat in plaats van [geïntimeerde] [appellante] gelezen moet worden, voert [appellante] verder aan dat de kantonrechter had moeten begrijpen dat haar verweer ook gericht was tegen de wettelijke verhoging, de wettelijke rente en de buitengerechtelijke kosten. De door de gemachtigde van [geïntimeerde] verstuurde sommatiebrief rechtvaardigt niet de toekenning van buitengerechtelijke kosten tot het gevorderde bedrag omdat de inhoud daarvan duidelijk gericht is op instructie van de zaak.

5.6

[geïntimeerde] heeft gesteld dat [appellante] hem een blanco beëindigingsovereenkomst heeft aangeboden ter ondertekening. [geïntimeerde] heeft zelf de datum 1 maart 2020 ingevuld op deze overeenkomst en deze ter ondertekening teruggegeven aan [appellante]. Op 14 januari 2020 heeft [appellante] de door beide partijen ondertekende beëindigingsovereenkomst per e-mail aan de advocaat van [geïntimeerde] toegestuurd, met daarop 1 maart 2020 als beëindigingsdatum, en onder de handtekening van [geïntimeerde] de datum 1 augustus 2019, die [appellante] aantoonbaar had vervalst. Van een latere, mondelinge arbeidsovereenkomst tussen partijen is geen sprake geweest. In r.o. 4.11 van het bestreden vonnis is duidelijk sprake geweest van een schrijffout. De buitengerechtelijke kosten zijn verschuldigd omdat [appellante] zowel schriftelijk, per e-mail, per WhatsApp-bericht als telefonisch buiten rechte is benaderd. De advocaat van [geïntimeerde] heeft bovendien meerdere besprekingen en telefoongesprekken met [geïntimeerde] gehad en diverse stukken bestudeerd.

5.7

Het hof overweegt allereerst dat partijen twisten over de vraag of de arbeidsovereenkomst al dan niet met ingang van 1 augustus 2019 met wederzijds goedvinden is beëindigd. Partijen betogen over en weer dat de overgelegde exemplaren van de beëindigingsovereenkomst voor wat betreft de einddatum zijn vervalst. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat nader onderzoek nodig is om de vraag te kunnen beantwoorden welk exemplaar van de beëindigingsovereenkomst de juiste is. Dergelijk onderzoek gaat het bestek van dit kort geding te buiten. Gelet op de omstandigheden dat [geïntimeerde] ook na 1 augustus 2019 nog werkzaamheden heeft verricht voor [appellante] en dat [appellante] op 9 december 2019 nog een vakantieverklaring voor [geïntimeerde] heeft ondertekend, acht het hof evenals de kantonrechter voorshands voldoende aannemelijk gemaakt dat partijen niet zijn overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 augustus 2019 zou eindigen. Uit niets blijkt dat partijen met ingang van 1 augustus 2019 met elkaar een nieuwe, mondelinge arbeidsovereenkomst zouden zijn aangegaan, zoals [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd en [geïntimeerde] gemotiveerd heeft betwist, en [appellante] heeft over de inhoud (en het eindigen) van die volgens haar later gesloten arbeidsovereenkomst ook niets gesteld. Dat alleen [geïntimeerde] in staat zou zijn geweest de bijschrijving 01-03-'20 op de beëindigingsovereenkomst te plaatsen nadat deze reeds was ondertekend door [appellante], zo begrijpt het hof hetgeen [appellante] aanvoert, is gemotiveerd betwist door [geïntimeerde] en kan in rechte ook niet tot uitgangspunt worden genomen. Het hof gaat er daarom voorshands vanuit dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen in ieder geval niet eerder is geëindigd dan per 1 maart 2020. Ook de door [geïntimeerde] overgelegde WhatsApp-berichten lijken daarop te duiden. [appellante] heeft althans niets gesteld, dat een ander licht op die berichten werpt. Daaruit volgt naar het voorlopige oordeel van het hof dat [geïntimeerde] over de periode tot 1 maart 2020 jegens [appellante] aanspraak had op doorbetaling van het overeengekomen loon en vakantiebijslag.

5.8

Aangezien tussen partijen niet in geschil is dat het loon en de vakantiebijslag over die periode niet tijdig is betaald, is [appellante] over de gevorderde bedragen ook de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW verschuldigd. [appellante] heeft immers ook in hoger beroep tegen dit onderdeel van de vordering van [geïntimeerde] geen afzonderlijk gemotiveerd verweer gevoerd.

5.9

Tevens is [appellante] de wettelijke rente over de gevorderde bedragen verschuldigd omdat [appellante] in hoger beroep tegen dit onderdeel van de vordering van [geïntimeerde] evenmin afzonderlijk gemotiveerd verweer heeft gevoerd.

5.10

[geïntimeerde] heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van door hem gemaakte buitengerechtelijke incassokasten. Het hof stelt vast dat [geïntimeerde] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat daadwerkelijk buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Vast staat dat de advocaat van [geïntimeerde] werkzaamheden heeft verricht om voldoening van zijn vordering buiten rechte te verkrijgen. Voor de verschuldigdheid van de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is niet relevant welke incassohandelingen de schuldeiser heeft verricht, zodat in beginsel het sturen van een enkele brief al voldoende is, vergelijk Hoge Raad 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1405. De kosten daarvan kwalificeren als buitengerechtelijke incassokosten in de zin van artikel 6:96 lid 2 BW. Het hof overweegt dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en wordt geacht redelijk te zijn.

Slotsom

5.11

De conclusie van het voorgaande is dat de grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellante] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep.

6 Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 13 maart 2020;

- veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 332,- aan verschotten en € 1.114,- aan salaris advocaat;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. F.J. Verbeek, M.J. van der Ven en A.J.P. Schild en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 maart 2022 in aanwezigheid van de griffier.