Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2022:576

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
05-04-2022
Datum publicatie
15-04-2022
Zaaknummer
200.288.788
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

vordering tot vernietiging arbitraal vonnis

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer hof: 200.288.788/01

Arrest van 5 april 2022

in de zaak van

[eiseres] ,

wonend in [woonplaats] (België),

eiseres,

hierna te noemen: [eiseres],

advocaat: mr. S.B.M. Tilman te Breda,

tegen

Straight-Line Leadership International B.V.,

gevestigd in Echt,

verweerster,

hierna te noemen: Straight-Line,

advocaat: mr. D.A.J. Roomberg te Maastricht.

1 De zaak in het kort

1.1

Straight-Line heeft een arbitrageprocedure aangespannen tegen [eiseres]. Dat heeft geresulteerd in een arbitraal vonnis waarbij aan [eiseres] verboden en geboden zijn opgelegd en [eiseres] is veroordeeld tot betaling van verschillende bedragen. In deze procedure bij het hof vordert [eiseres] de vernietiging van dat arbitraal vonnis. Het hof wijst die vordering af.

2 Procesverloop

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

  • -

    de dagvaarding van [eiseres] van 30 november 2020, met bijlagen;

  • -

    de conclusie van antwoord van Straight-Line, met bijlagen;

  • -

    bijlage 13, door Straight-Line overgelegd voor de hierna genoemde zitting.

2.2

Op 10 januari 2022 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten van partijen hebben de zaak toen toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.

3 Feitelijke achtergrond

3.1

Straight-Line is een organisatie die zich bezighoudt met coaching van ondernemers, managers en bedrijfseigenaren. Zij gebruikt daarvoor de “Straight-Line methode” die in de Verenigde Staten is ontwikkeld door [naam].

3.2

Op 14 april 2018 hebben Straight-Line en [eiseres] een franchiseovereenkomst (hierna: de franchiseovereenkomst) gesloten, waarbij aan [eiseres] het recht wordt gegeven om in Nederland en België de Straight-Line franchiseformule te gebruiken voor coaching op basis van de Straight-Line methode.

3.3

De franchiseovereenkomst bevat een arbitragebeding (artikel 19.3) en een rechtskeuze voor Nederlands recht (artikel 19.4):

“19.3 Alle geschillen die mochten ontstaan naar aanleiding van de onderhavige overeenkomst dan wel van nadere overeenkomst[en] die daarvan het gevolg mochten zijn, zullen worden beslecht overeenkomst[ig] het Arbitragereglement van het Nederlands Arbitrage Instituut. (…)

19.4

Het Nederlandse recht is van toepassing met betrekking tot de bewijsvoering, de toelaatbaarheid van bewijsmiddelen, de bewijslastverdeling en de waardering van het bewijs.

Het Nederlands recht is van toepassing op deze overeenkomst en daaruit voortvloeiende verbintenissen.”

3.4

In juni 2019 is een vaststellingsovereenkomst (hierna: de vaststellingsovereenkomst) gesloten waarbij de beëindiging van de franchiseovereenkomst werd geregeld. De “ondergetekenden” van deze vaststellingsovereenkomst worden omschreven als Straight-Line en “Mevrouw [eiseres] handelend onder de naam [eiseres] Comm V. (…), hierna ook te noemen ‘mevrouw [eiseres]’”.

3.5

Ook de vaststellingsovereenkomst bevat een arbitrageclausule en een rechtskeuze voor Nederlands recht (artikel 10):

“10. Op deze overeenkomst en daaruit voortvloeiende verbintenissen is het Nederlands recht van toepassing. Alle geschillen die mochten ontstaan naar aanleiding van de onderhavige overeenkomst dan wel van nadere overeenkomst[en] die daarvan het gevolg mochten zijn, zullen worden beslecht overeenkomst[ig] het Arbitragereglement van het Nederlands Arbitrage Instituut. (…) Het Nederlandse recht is van toepassing met betrekking tot de bewijsvoering, de toelaatbaarheid van de bewijsmiddelen, de bewijslastverdeling en de waardering van het bewijs.

11. De door acceptatie van dit voorstel tot stand gekomen regeling is een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 BW e.v..”

3.6

Straight-Line heeft een arbitrageprocedure tegen [eiseres] aangespannen bij het Nederlands Arbitrage Instituut (hierna ook: het scheidsgerecht). Bij arbitraal vonnis (NAI nr. 4759) van 31 augustus 2020 (hierna: het arbitraal vonnis) heeft het scheidsgerecht voor recht verklaard dat [eiseres] in verschillende opzichten in strijd heeft gehandeld met de franchiseovereenkomst en de vaststellingsovereenkomst, aan [eiseres] verschillende verboden en geboden opgelegd, op straffe van dwangsommen, en haar veroordeeld tot betaling van verschillende bedragen, waaronder een contractuele boete van € 100.000,--.

4 De vordering van [eiseres]

4.1

[eiseres] vordert in deze procedure bij het hof de vernietiging van het arbitraal vonnis op grond van artikel 1065 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). [eiseres] beroept zich op drie vernietigingsgronden:

(1) een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt (artikel 1065 lid 1 onder a);

(2) het arbitraal vonnis is in strijd met de openbare orde (artikel 1065 lid 1 onder e);

(3) het arbitraal vonnis is niet met redenen omkleed (artikel 1065 lid 1 onder d).

Op de argumenten van Straight-Line wordt hieronder ingegaan bij de beoordeling.

4.2

Volgens Straight-Line is er geen reden voor vernietiging van het arbitraal vonnis.

5 Beoordeling door het hof

5.1

Het arbitraal vonnis tussen de in Nederland gevestigde Straight-Line en de België wonende [eiseres] is gewezen door het Nederlands Arbitrage Instituut. De plaats van arbitrage is Rotterdam. Op grond van artikel 1064a Rv is het hof Den Haag bevoegd om te beslissen over de vordering tot vernietiging van het arbitraal vonnis, omdat de plaats van arbitrage in het ressort van dit hof is gelegen.

5.2

Het hof zal hieronder de drie door [eiseres] aangevoerde vernietigingsgronden beoordelen.

Geldige arbitrageovereenkomst tussen Straight-Line en [eiseres]?

5.3

[eiseres] betoogt als eerste dat er geen geldige overeenkomst tot arbitrage is tussen Straight-Line en [eiseres]. Als onderbouwing hiervan heeft [eiseres] twee argumenten aangevoerd:

  • -

    i) De franchiseovereenkomst is nietig omdat deze overeenkomst in strijd is met Belgisch dwingend recht (artikel X.27 e.v. van het Belgische Wetboek van Economisch Recht) en met Europees mededingingsrecht. De nietigheid van de franchiseovereenkomst betekent dat er geen reden was om een vaststellingsovereenkomst te sluiten en deze overeenkomst is dus ook nietig. Omdat beide overeenkomsten nietig zijn, zijn ook de daarin opgenomen arbitrageclausules nietig.

  • -

    ii) De arbitrageprocedure is met name gebaseerd op de vaststellingsovereenkomst. Die is gesloten tussen Straight-Line en de (Belgische) commanditaire vennootschap van [eiseres], [eiseres] Com. V. (hierna: de commanditaire vennootschap). Voor de arbitrale procedure tegen [eiseres] was er dus geen arbitrageovereenkomst: [eiseres] heeft niet aanvaard dat geschillen tussen haar en Straight-Line aan arbitrage zijn onderworpen.

5.4

De vraag die het hof moet beantwoorden is of sprake is van een geldige overeenkomst tot arbitrage tussen [eiseres] en Straight-Line en of het scheidsgerecht dus bevoegd was in de zaak tussen deze partijen. Omdat het hierbij gaat om het recht op toegang tot de rechter, moet het hof vol toetsen of partijen daarvan afstand hebben gedaan door het aangaan van een arbitrageovereenkomst. Het hof zal zich dus niet terughoudend opstellen.

5.5

Tussen partijen staat vast dat in de franchiseovereenkomst en in de vaststellingsovereenkomst een rechtskeuze is gedaan voor Nederlands recht. Het rechtskeuzebeding bepaalt in beide gevallen dat de rechtskeuze geldt voor “deze overeenkomst en alle daaruit voortvloeiende verbintenissen” (zie hiervoor bij 3.3 en 3.5). Dit houdt in dat de rechtskeuze ook geldt voor de in deze overeenkomsten opgenomen arbitragebedingen. Ook op deze overeenkomsten tot arbitrage is dus Nederlands recht van toepassing.

5.6

De kwesties die [eiseres] met de bij 5.3 genoemde punten (i) en (ii) aan het hof voorlegt, betreffen de materiële geldigheid van een arbitrageovereenkomst, zoals bedoeld in artikel 10:166 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dat artikel bepaalt dat een overeenkomst tot arbitrage materieel geldig is als zij geldig is naar het recht dat partijen hebben gekozen, of naar het recht van de plaats van arbitrage of, indien partijen geen rechtskeuze hebben gedaan, naar het recht dat van toepassing is op de rechtsbetrekking waarop de arbitrageovereenkomst betrekking heeft. Deze aanknopingspunten verwijzen in dit geval alle naar Nederlands recht.

5.7

Het hof komt tot de conclusie dat volgens Nederlandse recht sprake is van een geldige overeenkomst tot arbitrage tussen Straight-Line en [eiseres] en dat het scheidsgerecht dus bevoegd was in de zaak tussen deze partijen. Het hof licht dat als volgt toe.

nietigheid hoofdovereenkomsten niet relevant voor geldigheid arbitrageovereenkomst

5.8

Het Nederlandse recht bepaalt in artikel 1053 Rv dat de overeenkomst tot arbitrage als een afzonderlijke overeenkomst moet worden beschouwd en beoordeeld, en dat het scheidsgerecht bevoegd is om te oordelen over de rechtsgeldigheid van de hoofdovereenkomst waarvan de overeenkomst tot arbitrage deel uitmaakt. Deze bepaling brengt mee dat het hof de vraag of de hoofdovereenkomsten (te weten de franchiseovereenkomst en de vaststellingsovereenkomst) nietig zijn niet hoeft te beantwoorden in het kader van de eerste vernietigingsgrond: ook als de hoofdovereenkomsten nietig zouden zijn, betekent dat niet dat de arbitrageovereenkomsten daarmee ook nietig zijn. De arbitrageovereenkomst staat immers los van de hoofdovereenkomst (de zogenoemde separabiliteit van de arbitrageovereenkomst).

5.9

Het hof begrijpt uit de stellingen van [eiseres] dat artikel 1053 Rv volgens haar niet moet worden toegepast en dat zij daarvoor het volgende aanvoert. De activiteiten in het kader van de franchiseovereenkomst worden vrijwel uitsluitend in België uitgevoerd en een rechtskeuze voor Nederlands recht kan in dat geval niet meebrengen dat dwingende bepalingen van Belgisch recht opzij worden gezet. Die dwingende bepalingen van Belgisch recht zijn voorrangsregels. Het gaat het om de artikelen X.27 e.v. van het Belgische Wetboek van Economisch Recht, die inhouden dat bij een franchiseovereenkomst de franchisegever (hier: Straight-Line) aan de franchisenemer minstens één maand voor het sluiten van de overeenkomst het ontwerp van de overeenkomst moet verstrekken, met een lijst van in de wet genoemde belangrijke contractuele bepalingen en andere gegevens. Dat heeft Straight-Line niet gedaan en daarom kan de nietigheid van de franchiseovereenkomst worden ingeroepen. Die nietigheid treft volgens [eiseres] ook het in de franchiseovereenkomst opgenomen arbitragebeding. Het arbitragebeding is namelijk ook een van de essentiële verbintenissen die valt onder de precontractuele informatieplicht van Straight-Line. Het kan niet zo zijn dat Straight-Line zich kan onttrekken aan dwingende bepalingen van Belgisch recht en dat het arbitragebeding, waarin is bepaald dat geschillen worden onderworpen aan Nederlandse arbitrage, los wordt gezien van de nietige franchiseovereenkomst. Omdat de franchiseovereenkomst, inclusief arbitragebeding, nietig is, is ook de daarop voortbouwende vaststellingsovereenkomst, inclusief arbitragebeding, nietig, aldus nog steeds [eiseres].

5.10

Deze argumentatie van [eiseres] faalt. Volgens het Nederlands internationaal privaatrecht kan het recht dat volgens de verwijzingsregels op de (kwestie van de geldigheid van de) arbitrageovereenkomsten van toepassing zou zijn (hier: Nederlands recht) worden doorkruist door zogenaamde voorrangsregels van een ander rechtstelsel. Voor dit geval is dat neergelegd in artikel 10:7 BW. Lid 1 van dit artikel omschrijft voorrangsregels als bepalingen van bijzonder dwingend recht aan de inachtneming waarvan een staat zo veel belang hecht voor de handhaving van zijn openbare belangen, zoals zijn politieke, sociale of economische organisatie, dat zij moeten worden toegepast op elk geval dat onder de werkingssfeer ervan valt, ongeacht welk recht overigens van toepassing is. Lid 3 bepaalt verder dat de Nederlandse rechter gevolg kàn toekennen aan voorrangsregels van vreemde staten (waaronder België); verplicht is dat echter niet. Het standpunt van [eiseres] gaat al niet op omdat de regels van Belgisch recht waarop [eiseres] een beroep doet (de artikelen X.27 e.v. van het Belgische Wetboek van Economisch Recht) niet een bijzonder dwingend karakter hebben zoals hiervoor omschreven. De regels over de precontractuele informatieplicht van een franchisegever houden namelijk geen verband met de handhaving van (voldoende zwaarwegende) openbare belangen van België. Dat betekent dat ze niet de status van voorrangsregels hebben. Dat heeft tot gevolg dat die regels niet kunnen bewerkstelligen dat het Nederlandse recht, waaronder de separabiliteit van de arbitrageovereenkomst, opzij wordt gezet.

5.11

Het hof begrijpt dat [eiseres] ook aanvoert dat uitsluitend de Belgische rechter op grond van artikel 7 lid 1 onder b van de Brussel I bis-Verordening bevoegd is om te bepalen of de arbitragebedingen die zijn opgenomen in de (nietige) franchiseovereenkomst en de (nietige) vaststellingsovereenkomst geldig zijn. De zaak is inmiddels voorgelegd aan de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Oostende, en [eiseres] stelt dat die zal oordelen dat deze overeenkomsten inclusief de daarin opgenomen arbitrageovereenkomsten nietig zijn.

5.12

Voor zover [eiseres] zich hiermee op het standpunt bedoelt te stellen dat het hof niet bevoegd zou zijn om te oordelen over de geldigheid van de arbitrageovereenkomsten, faalt dat standpunt. Volgens de regels van internationaal bevoegdheidsrecht die de Nederlandse rechter moet toepassen is geen sprake van een exclusieve bevoegdheid van de Belgische rechter om te oordelen over de geldigheid van de arbitrageovereenkomsten (en overigens ook niet over de geldigheid van de hoofdovereenkomsten). Uit het door [eiseres] aangehaalde artikel 7 van de Verordening Brussel I bis1 volgt dat niet. Niet alleen is deze verordening niet van toepassing op arbitrage, maar artikel 7 geeft daarnaast slechts een alternatieve bevoegdheid, naast de bevoegdheid van de rechter van de woonplaats van de verweerder (artikel 4 lid 1 Brussel I bis). Het hof is bevoegd, in het kader van de vraag of het arbitraal vonnis nietig is, om zelf de geldigheid van de arbitrageovereenkomsten inhoudelijk te beoordelen.

5.13

Terzijde merkt het hof op dat de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Oostende, inmiddels uitspraak heeft gedaan in de zaak waarin [eiseres] en de commanditaire vennootschap onder meer hadden gevorderd om de franchiseovereenkomst nietig te verklaren vanwege strijd met artikel X.27 tot en met X.29 van het Belgische Wetboek van Economisch recht. Die uitspraak is voor de mondelinge behandeling bij dit hof door Straight-Line als bijlage 13 overgelegd. De ondernemingsrechtbank heeft geoordeeld dat zij niet over rechtsmacht beschikt, gelet op de arbitrageclausules in de franchiseovereenkomst en in de vaststellingsovereenkomst. De Belgische rechtbank heeft dus geoordeeld dat de arbitrageovereenkomsten door haar gerespecteerd moeten worden.

5.14

Het bij 5.3 genoemde argument (i) van [eiseres] gaat dus niet op.

[eiseres] is partij bij de vaststellingsovereenkomst, inclusief arbitrageovereenkomst

5.15

Volgens [eiseres] is de vaststellingsovereenkomst, en dus ook de daarmee samenhangende arbitrageovereenkomst, gesloten met de commanditaire vennootschap, en niet met haar: het in 5.3 genoemde argument (ii). [eiseres] voert kort gezegd aan dat zij de franchiseovereenkomst, die oorspronkelijk was gesloten tussen Straight-Line en [eiseres], op enig moment heeft overgedragen aan de commanditaire vennootschap. [eiseres] stelt dat zij deze overdracht duidelijk heeft gecommuniceerd aan Straight-Line, dat er daarna werd gefactureerd door de commanditaire vennootschap en dat Straight-Line daarna ook commissies betaalde aan die vennootschap in het kader van de uitvoering van de franchiseovereenkomst. De commanditaire vennootschap was vervolgens ook partij bij de vaststellingsovereenkomst. Dat blijkt volgens [eiseres] uit het feit dat aan het begin van de vaststellingsovereenkomst als partij wordt genoemd “Mevrouw [eiseres] handelend onder de naam [eiseres] Comm V.” en dat [eiseres] onderaan haar handtekening heeft gezet bij de vermelding “[eiseres] Comm V.”.

5.16

Straight-Line betwist dat. Volgens haar is de vaststellingsovereenkomst, en dus ook de daarin opgenomen arbitrageovereenkomst, gesloten met [eiseres] zelf. Straight-Line betwist dat de franchiseovereenkomst is overgenomen door de commanditaire vennootschap. Voor een overname van deze overeenkomst was de voorafgaande goedkeuring nodig van Straight-Line en die heeft zij nooit gegeven. [eiseres] had toestemming moeten vragen aan gevolmachtigden van Straight-Line en dat heeft zij niet gedaan. Dat [eiseres] heeft gecommuniceerd met een administratief medewerker van de boekhouding over een wijziging in gegevens is niet voldoende. Straight-Line ging ervan uit dat de vermelding “[eiseres] Comm V.” in de vaststellingsovereenkomst alleen verwees naar een handelsnaam van [eiseres], wat wordt ondersteund door de woorden “Mevrouw [eiseres] handelend onder de naam”, aldus Straight-Line.

5.17

Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof over deze kwestie vragen gesteld. Het hof heeft toen uitgesproken dat er serieuze aanwijzingen zijn dat de vaststellingsovereenkomst (en dus ook de daarmee samenhangende arbitrageovereenkomst) niet met [eiseres], maar met de commanditaire vennootschap is gesloten. Het hof komt echter, alles afwegend, toch tot het oordeel dat [eiseres] degene is die partij is bij deze overeenkomst. Dit wordt als volgt toegelicht.

5.18

Bij de beantwoording van de vraag met wie Straight-Line de vaststellingsovereenkomst heeft gesloten, is volgens het Nederlandse recht niet de letterlijke tekst van de overeenkomst doorslaggevend. Van belang is met name ook wat partijen over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en redelijkerwijs mochten afleiden.

5.19

Vaststaat dat het doel van de vaststellingsovereenkomst was om een regeling te treffen voor de beëindiging van de franchiseovereenkomst. Tegen die achtergrond is het antwoord op de vraag of de franchiseovereenkomst eerder door [eiseres] is overgedragen aan de commanditaire vennootschap van belang.

5.20

In de franchiseovereenkomst is een bepaling opgenomen over een eventuele overdracht door [eiseres]. Artikel 12.3 bepaalt het volgende (waarbij “jij” verwijst naar [eiseres] en “ik” naar Straight-Line): “Jij mag jouw onderneming en de rechten en verplichtingen uit deze Overeenkomst alleen overdragen met mijn voorafgaande schriftelijke toestemming. Aan die toestemming kan ik voorwaarden verbinden.”. In de dagvaarding (zie p. 4) heeft [eiseres] betoogd dat zij de overdracht duidelijk heeft gecommuniceerd, dat zij heeft gevraagd of een formele aanpassing van de franchiseovereenkomst nodig was, maar dat haar werd meegedeeld dat dat niet zo was. Daarbij heeft zij verwezen naar bijlage I.3. Die bijlage bevat echter alleen een e-mail van 13 maart 2019 van [eiseres] aan [medewerkster], een medewerkster van de boekhouding van Straight-Line, met de tekst: “Bijgevoegd factuur. Opgelet, mijn rekeningnummer en bedrijfsgegevens zijn gewijzigd. Alvast bedankt.”. Op vragen van het hof heeft [eiseres] tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij op de een of andere manier gecommuniceerd zal hebben dat ze een vennootschap had opgericht en dat dat de partij is om mee te werken, en dat zij vermoedt dat ze dit heeft gezegd tegen [medewerkster] die over de financiën ging. Het hof is van oordeel dat de door [eiseres] geschetste gang van zaken onvoldoende is om te kunnen voldoen aan de vereisten van artikel 12.3 van de franchiseovereenkomst. De communicatie met een medewerkster van de boekhouding van Straight-Line over een wijziging van het rekeningnummer en de bedrijfsgegevens is daarvoor onvoldoende. Als [eiseres] de rechten en verplichtingen uit de franchiseovereenkomst had willen overdragen aan de commanditaire vennootschap, dan had zij dat moeten opnemen met een gevolmachtigde van Straight-Line en overdracht was vervolgens alleen mogelijk als die daarvoor schriftelijke toestemming zou verlenen. Dat is niet gebeurd. Uit de omstandigheden dat na het bericht aan een medewerkster van de boekhouding van Straight-Line facturen op naam van [eiseres] Comm. V. worden geaccepteerd en dat Straight-Line haar facturen voor de betaling van commissies richt aan [eiseres] Comm V., kan niet worden afgeleid dat Straight-Line (schriftelijke) toestemming heeft gegeven voor de overdracht van de rechten en plichten uit de franchiseovereenkomsten door [eiseres] aan een andere juridische entiteit, de commanditaire vennootschap, en ook niet dat [eiseres] dat zo mocht begrijpen.

5.21

Uit de omstandigheden dat de vaststellingsovereenkomst als partij vermeldt “Mevrouw [eiseres] handelend onder de naam [eiseres] Comm V. (…), hierna ook te noemen ‘mevrouw [eiseres]’”, dat bij de ondertekening is vermeld “[eiseres] Comm V.” en dat een bestuurder van Straight-Line deze overeenkomst heeft ondertekend, kan evenmin worden afgeleid - ook niet in samenhang met de onder 5.20 vermelde omstandigheden - dat ([eiseres] redelijkerwijs mocht aannemen dat) Straight-Line heeft ingestemd met een eerdere overdracht van de franchiseovereenkomst aan de commanditaire vennootschap en/of dat de vaststellingsovereenkomst is gesloten met deze vennootschap. Straight-Line heeft toegelicht dat zij veronderstelde dat het alleen maar ging om een handelsnaam van [eiseres], temeer omdat de toevoeging Comm. V. in Nederland geen gebruikelijke term is om een commanditaire vennootschap aan te duiden, en dat zij zich er niet van bewust was dat [eiseres] een commanditaire vennootschap had opgericht. Hiertegenover heeft [eiseres] onvoldoende gesteld waaruit kan volgen dat Straight-Line wist of had moeten weten dat zij een overeenkomst met de commanditaire vennootschap en niet met [eiseres] aanging.

5.22

[eiseres] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangeboden te bewijzen dat [eiseres] met Straight-Line heeft gecommuniceerd over de overdracht van de franchiseovereenkomst aan de commanditaire vennootschap. Het hof passeert dit bewijsaanbod als niet terzake doende en/of niet voldoende gespecificeerd. Uit de verklaring van [eiseres] blijkt namelijk dat zij heeft gecommuniceerd met een medewerkster van de boekhouding, en zoals hiervoor is overwogen, is dat niet relevant. [eiseres] heeft geen bewijs aangeboden van concrete, relevante stellingen waaruit kan volgen dat Straight-Line geacht kan worden te hebben ingestemd met de overdracht van de rechten en verplichtingen van [eiseres] aan de commanditaire vennootschap.

5.23

De slotsom is dat de vaststellingsovereenkomst en de daarin opgenomen arbitrageovereenkomst niet zijn gesloten met de commanditaire vennootschap, maar met [eiseres]. Ook het in 5.3 genoemde argument (ii) van [eiseres] gaat dus niet op.

conclusie

5.24

De conclusie is dat er een geldige arbitrageovereenkomst is tussen Straight-Line en [eiseres]. Het scheidsgerecht was dus bevoegd in de zaak tussen deze partijen.

Arbitraal vonnis in strijd met openbare orde?

5.25

Straight-Line heeft de tweede vernietigingsgrond als volgt nader onderbouwd. De franchiseovereenkomst schendt het Europese mededingingsrecht. Straight-Line legde als franchisegever vaste prijzen op die [eiseres] als franchisenemers moest hanteren ten opzichte van haar klanten, en dat is een ‘hard core’ beperking van het Europese mededingingsrecht. Europees mededingingsrecht is van openbare orde. Een arbitraal vonnis dat uitwerking geeft aan een nietige franchiseovereenkomst met een dergelijke ‘hard core’ beperking is nietig omdat dat arbitraal vonnis in strijd is met de openbare orde.

5.26

Het argument van [eiseres] dat het arbitraal vonnis moet worden vernietigd omdat dat vonnis uitwerking geeft aan een overeenkomst die een zogenaamde ‘hard core’ restrictie bevat die in strijd met het Europees mededingingsrecht, gaat niet op. Het hof licht dat als volgt toe.

5.27

De in april 2018 gesloten franchiseovereenkomst legt – anders dan [eiseres] betoogt – geen prijs op aan [eiseres] als franchisehouder. Artikel 3.7 van die overeenkomst legt alleen een maximale coaching vergoeding op en dat is geen ‘hard core’ restrictie of ‘doelbeperking’. Een maximale coaching vergoeding kan onder omstandigheden tot gevolg hebben dat de mededinging op de markt merkbaar wordt beperkt maar [eiseres] heeft hiervoor ter onderbouwing geen relevante feiten of omstandigheden aangedragen en ook overigens is een dergelijk merkbaar effect op voorhand niet aannemelijk gelet op de omvang van partijen.

5.28

[eiseres] heeft ook gewezen op een bepaling in het “handboek 2019” die inhoudt dat Straight-Line coaches niet mogen afwijken van de in dat handboek genoemde vergoedingen. Echter, waaruit zou blijken dat deze bepaling deel uitmaakt van de franchiseovereenkomst tussen Straight-Line en [eiseres] heeft [eiseres], tegenover de betwisting van Straight-Line, niet nader toegelicht. Dat is dus niet komen vast te staan.

5.29

Daarbij komt nog het volgende. Als het al zo zou zijn dat de franchiseovereenkomst een vaste prijsstelling bevat die in strijd is met het Europese mededingingsrecht, dan brengt dat nog niet mee dat de hele franchiseovereenkomst nietig is. Die nietigheid zou zich dan alleen uitstrekken tot de onderdelen van de overeenkomst die tot doel of gevolg hebben dat de mededinging wordt beperkt – in dit geval de prijsbepalingen. Dit volgt uit artikel 3:41 BW. Wat Straight-Line in de arbitrageprocedure heeft gevorderd houdt echter geen verband met die prijsbepalingen en het arbitrale vonnis is daar ook niet op gebaseerd.

5.30

[eiseres] verwijst in dit kader nog naar paragraaf 70 van de Richtsnoeren inzake verticale beperkingen, maar die paragraaf gaat niet over de mogelijke civielrechtelijke (partiële) nietigheid van een overeenkomst die op onderdelen in strijd is met het Europese mededingingsrecht. Paragraaf 70 licht uitsluitend toe dat verticale overeenkomsten met ‘hardcore’ beperkingen geen gebruik kunnen maken van de groepsvrijstellingverordening en dus altijd moeten worden getoetst aan artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Ook om deze reden kan geen sprake zijn van vernietiging van het arbitrale vonnis vanwege strijd met de openbare orde.

Arbitraal vonnis niet met redenen omkleed?

5.31

Ter onderbouwing van de derde vernietigingsgrond heeft [eiseres] aangevoerd dat het scheidsgerecht in het arbitraal vonnis:

  • -

    i) niet heeft gemotiveerd hoe een nietig arbitraal beding toch de basis kan vormen voor bevoegdheid van de arbiter;

  • -

    ii) niet heeft gemotiveerd waarom het arbitragebeding ook betrekking heeft op de precontractuele fase en niet strikt moet worden geïnterpreteerd;

  • -

    iii) niet heeft gemotiveerd waarom [eiseres] gebonden is aan een vaststellingsovereenkomst die alleen werd getekend door de commanditaire vennootschap;

  • -

    iv) niet heeft gemotiveerd waarom een ‘hard core’ restrictie in de franchiseovereenkomst niet de nietigheid van de hele overeenkomst tot gevolg heeft;

  • -

    v) niet is ingegaan op het verweer dat de vaststellingsovereenkomst nietig is op grond van artikel 6:229 BW omdat deze overeenkomst voortbouwt op een nietige franchiseovereenkomst.

5.32

Het hof stelt voorop dat een arbitraal vonnis alleen kan worden vernietigd op de grond dat het niet met redenen is omkleed, als de motivering ontbreekt en niet wanneer sprake is van een ondeugdelijke redenering. Met het ontbreken van een motivering wordt gelijkgesteld het geval waarin wel een motivering is gegeven, maar daarin enige steekhoudende verklaring voor de desbetreffende beslissing niet te onderkennen valt.

5.33

Het hof stelt vast dat het arbitraal vonnis op de punten (i) tot en met (v) wel een motivering bevat:

  • -

    i) In 7.4 van het vonnis heeft het scheidsgerecht gemotiveerd dat geen sprake is van een nietige overeenkomst tot arbitrage. Daarom hoeft het niet te motiveren hoe een nietig arbitraal beding tot bevoegdheid van het scheidsgerecht kan leiden. Er is volgens het scheidsgerecht immers geen nietig arbitragebeding.

  • -

    ii) In 7.6. van het arbitraal vonnis is gemotiveerd waarom het arbitragebeding ook ziet op de precontractuele fase.

  • -

    iii) In 7.11 van het vonnis is gemotiveerd waarom [eiseres] gebonden is aan de vaststellingsovereenkomst.

  • -

    iv) In 7.21 heeft het scheidsgerecht gemotiveerd, voor het geval sprake zou zijn van een ongeoorloofde verplichte prijsstelling, dat daarmee niet de hele franchiseovereenkomst nietig is.

  • -

    v) In 7.22 van het arbitraal vonnis is gemotiveerd waarom het beroep op artikel 6:229 BW wordt verworpen.

Het hof stelt daarnaast vast dat voor deze motiveringen niet geldt dat daarin niet enig steekhoudende verklaring voor de desbetreffende beslissing te vinden is.

5.34

De conclusie is dat ook de derde vernietigingsgrond niet opgaat.

Slot

5.35

De slotsom is dat de vordering tot vernietiging van het arbitraal vonnis wordt afgewezen. Het hof zal [eiseres] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten.

6 Beslissing

Het hof:

- wijst de vordering van [eiseres] af;

- veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van Straight-Line begroot op € 722,-- aan griffierecht en € 3.342,-- aan kosten voor de advocaat (3 punten x tarief II);

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.J.M. Burg, M.Y. Bonneur en T.M. Snoep en is in het openbaar uitgesproken op 5 april 2022 in aanwezigheid van de griffier.

1 Verordening (EU) nr. 1215/2012 van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.