Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2022:1475

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-08-2022
Datum publicatie
08-08-2022
Zaaknummer
2200065521
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2021:1955
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafrechtelijke vervolging voor hennepteelt in woning en diefstal stroom, terwijl eerder een bestuurlijke boete was opgelegd voor het zonder vergunning onttrekken van woonruimte aan de woningvoorraad, ten behoeve van hennepteelt.

Het hof is van oordeel dat geen sprake is van ‘hetzelfde feit’ als bedoeld in art. 68 Sr, reeds gelet op de juridische aard van de feiten.

Officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en daarom kan het vonnis niet in stand blijven.

Volgt terugwijzing naar de politierechter ex art. 423 lid 2 Sv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000655-21

Parketnummer: 10-325982-20

Datum uitspraak: 3 augustus 2022

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 22 februari 2021, voor zover daarbij de officier van justitie niet-ontvankelijk is verklaard in de vervolging van de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

adres: [adres].

ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

1.
hij in of omstreeks de periode van 25 maart 2020 tot en met 17 juni 2020 te Rotterdam, althans in Nederland opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten 893 hennepplanten, althans een (groot) aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.
hij in of omstreeks de periode van 25 maart 2020 tot en met 17 juni 2020 te Rotterdam, althans in Nederland een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan Stedin Netbeheer B.V., heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep, voor zover daarbij de officier van justitie niet-ontvankelijk is verklaard in de vervolging, kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging

Standpunt van de advocaat-generaal

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal zich, overeenkomstig haar overgelegde en in het dossier gevoegde requisitoir, op het standpunt gesteld dat de politierechter het Openbaar Ministerie ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in de strafvervolging. Daartoe is aangevoerd, kort weergegeven, dat geen sprake is van schending van het ne bis in idem beginsel, nu er geen sprake is van ‘hetzelfde feit’ als bedoeld in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, overeenkomstig haar overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota, aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging. Daartoe is aangevoerd, kort weergegeven, dat door de combinatie van het strafrechtelijk vervolgen van de onderhavige feiten en de opgelegde bestuurlijke boete wegens het onttrekken van de woning aan de bestemming tot bewoning, in strijd is gehandeld met het ne bis in idem beginsel.

De raadsvrouw heeft desgevraagd verzocht om de zaak terug te wijzen naar de rechter die het vonnis waarvan beroep heeft gewezen, indien het hof zal oordelen dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de strafvervolging.

Oordeel van het hof

Voor de verhouding tussen bestuurlijke boeten en strafrechtelijke sancties dient aansluiting te worden gezocht bij de jurisprudentie van de Hoge Raad over de toepassing van artikel 68 Sr, zoals hieronder nader weergegeven.

Bij de beoordeling of sprake is van ‘hetzelfde feit’, moet de rechter in de situatie waarop artikel 68 Sr ziet de in beide tenlasteleggingen omschreven verwijten vergelijken. Bij die toetsing moeten de volgende gegevens als relevante vergelijkingsfactoren worden betrokken.
(A) De juridische aard van de feiten. Als de tenlastegelegde feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in het bijzonder wat betreft (i) de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheiden delictsomschrijvingen strekken, en (ii) de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, in welke strafmaxima onder meer tot uitdrukking komt de aard van het verwijt en de kwalificatie als misdrijf dan wel overtreding.
(B) De gedraging van de verdachte. Als de tenlasteleggingen niet dezelfde gedraging beschrijven, kan de mate van verschil tussen de gedragingen van belang zijn, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht.
Uit de bewoordingen van het begrip ‘hetzelfde feit’ vloeit al voort dat de beantwoording van de vraag wat daaronder moet worden verstaan, mede wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Vuistregel is echter dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van ‘hetzelfde feit’ in de zin van artikel 68 Sr. (Vgl. HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM9102.)

In de onderhavige zaak is aan de verdachte door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam bij besluit van 15 oktober 2020 een bestuurlijke boete opgelegd van € 4.000,- voor het zonder vergunning onttrekken van woonruimte aan de woningvoorraad, ten behoeve van hennepteelt. Volgens het besluit is sprake van overtreding van artikel 21 van de Huisvestingswet 2014. Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014, gelezen in verbinding met het tweede lid, aanhef en onder c, van die bepaling, voor zover hier van belang, kan voor die overtreding een bestuurlijke boete worden opgelegd voor een maximaal bedrag dat is vastgesteld voor de vierde categorie, bedoeld in artikel 23 Sr. Kort weergegeven beschermt de Huisvestingswet 2014 een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van schaarse woonruimte.

Blijkens de tenlastelegging wordt de verdachte in de strafzaak verweten dat hij a) opzettelijk hennep heeft geteeld (overtreding van artikel 3 onder B van de Opiumwet waarop een maximum gevangenisstraf voor de duur twee jaar staat gesteld) en b) diefstal heeft gepleegd (artikel 310 Sr waarop een maximum gevangenisstraf voor de duur van vier jaar staat gesteld). De Opiumwet beschermt de volksgezondheid en artikel 310 Sr beschermt het vermogen.

Gelet op het voorgaande, is het hof van oordeel dat de juridische aard van de aan de verdachte tenlastegelegde feiten in aanzienlijke mate verschilt van het feit waarvoor hem door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam een bestuurlijke boete is opgelegd. Daarbij neemt het hof in aanmerking de rechtsgoederen die de Huisvestingswet 2014, de Opiumwet en het Wetboek van Strafrecht beogen te beschermen, alsmede de soort en hoogte van de strafbedreiging. Er is reeds om die reden geen sprake van ‘hetzelfde feit’, als bedoeld in artikel 68 Sr, zodat geen sprake is van een dubbele bestraffing.

Het hof is dan ook van oordeel dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging.

Het voorgaande brengt met zich dat het vonnis, voor zover daarbij de officier van justitie niet-ontvankelijk is verklaard in de vervolging, niet in stand kan blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt. In aanmerking genomen dat de verdediging om terugwijzing naar de politierechter heeft verzocht, zal het hof de zaak op de voet van artikel 423, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering terugwijzen naar de rechter die het vonnis heeft gewezen teneinde de zaak op de uitgebrachte inleidende dagvaarding verder te berechten in de stand waarin het onderzoek zich bevond op het tijdstip van het uitroepen van de zaak op de terechtzitting in eerste aanleg van 22 februari 2021.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover daarbij de officier van justitie niet-ontvankelijk is verklaard in de vervolging, en doet opnieuw recht:

Verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.

Wijst de zaak terug naar de politierechter in de rechtbank Rotterdam, teneinde met inachtneming van dit arrest recht te doen.

Dit arrest is gewezen door mr. A.L. Frenkel,

mr. J.A.M.J. Janssen-Timmermans en mr. W.S. Korteling, in bijzijn van de griffier mr. M.M. Dijk.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 3 augustus 2022.