Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2022:144

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
15-02-2022
Datum publicatie
15-02-2022
Zaaknummer
200.302.220/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2021:10863, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot buitenwerkingstelling van het coronatoegangsbewijs (‘coronapaspoort’). Toereikende argumenten? Procesbelang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jurisprudentie HSE 2022/10
GZR-Updates.nl 2022-0061
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.302.220/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : C/09/618078/KG ZA 21-892

arrest van 15 februari 2022

inzake

1 [appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

2 [appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna te noemen: [appellant] c.s.,

advocaat: mr. B.J. Maes te Breda,

tegen

de Staat der Nederlanden,

zetelend te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. J. Bootsma te Den Haag.

Het geding

Bij dagvaarding in hoger beroep van 3 november 2021 zijn [appellant] c.s. in hoger beroep gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 6 oktober 2021, gewezen tussen [appellant] c.s. als eisers en de Staat als gedaagde. In deze dagvaarding hebben [appellant] c.s. hun vordering opnieuw geformuleerd en vier grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd. De Staat heeft bij memorie van antwoord (met producties 1 tot en met 28) de grieven bestreden. Op 14 januari 2022 hebben partijen de zaak voor het hof doen bepleiten door hun advocaten, aan de hand van pleitnotities die zij hebben overgelegd. Zowel [appellant] c.s. als de Staat hebben bij die gelegenheid nog producties in het geding gebracht ( [appellant] c.s. producties 1-43 en de Staat producties 29-30). Ten slotte is arrest bepaald op vandaag.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Korte samenvatting van deze uitspraak

1.1

[appellant] c.s. vorderen in dit kort geding dat de ‘coronapas’ buiten werking wordt gesteld. Zij zijn van mening dat met de coronapas een ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt tussen gevaccineerden en ongevaccineerden. Volgens [appellant] c.s. kunnen gevaccineerden het coronavirus namelijk even makkelijk op anderen overdragen als ongevaccineerden.

1.2

Het hof geeft [appellant] c.s. geen gelijk. De coronapas heeft in ieder geval bestaansrecht voor het geval iemand zich laat testen of van corona is hersteld. De vordering van [appellant] c.s. om de coronapas helemaal overboord te gooien gaat dus te ver. Een gedeeltelijke buitenwerkingstelling van de coronapas is ook niet aan de orde. [appellant] c.s. betogen niet dat alleen een test- of herstelbewijs als coronapas kunnen gelden, en een vaccinatiebewijs niet. Over de vraag of vaccineren nut heeft om overdracht van het coronavirus te voorkomen hoeft het hof dus geen uitspraak te doen.

2. De feiten en achtergronden van deze zaak

2.1

Vanaf december 2019 heeft zich wereldwijd een nieuw coronavirus verspreid, ook wel SARS-Cov-2 genoemd (hierna: ‘het coronavirus’). Het coronavirus kan de ziekte Covid-19 veroorzaken.

2.2

Sinds medio maart 2020 heeft de Nederlandse regering diverse maatregelen genomen in verband met de uitbraak van het coronavirus, waarbij in de loop der tijd, al naar gelang de ontwikkelingen, maatregelen zijn opgeschaald of afgeschaald. De maatregelen zijn mede genomen op basis van adviezen van het Outbreak Management Team (OMT) over de medisch-epidemiologische situatie en te nemen maatregelen. Van het OMT maken deel uit deskundigen op de relevante terreinen. De deskundigen van het OMT betrekken in hun advisering de laatste (wetenschappelijke) inzichten en publicaties in internationale wetenschappelijke tijdschriften en de adviezen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en het Europees Centrum voor ziektepreventie- en bestrijding (ECDC). Het Bestuurlijk afstemmingsoverleg infectieziektebestrijding (BAO), met daarin vertegenwoordigers van lokaal, sectoraal en nationaal bestuur, beoordeelt de door het OMT geadviseerde maatregelen op politiek-bestuurlijke haalbaarheid en wenselijkheid en adviseert de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Tevens maakt het kabinet gebruik van een Sociaal Maatschappelijk Economische Reflectie, waarbij inzichten worden gebruikt van het Sociaal- en Cultureel Planbureau (SCP), de Ministeries van Financiën, Economische Zaken en Klimaat en Sociale Zaken en Werkgelegenheid (de ‘Trojka’). Ook wordt gebruik gemaakt van uitvoeringstoetsen op de maatregelen door onder andere de gedragsunit van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) de Nationale Politie, het Openbaar Ministerie, de inspecties, veiligheidsregio’s en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Het is aan het kabinet om op basis van de adviezen van het OMT en het BAO en de aangereikte maatschappelijke weging het Nederlandse coronabeleid, na weging van de betrokken belangen, vast te stellen. Het RIVM coördineert vervolgens operationeel de bestrijding van het coronavirus in Nederland.

2.3

Met ingang van 1 december 2020 is de Tijdelijke Wet Maatregelen Covid-19 (Twm) in werking getreden. Daarmee is onder andere de Wet Publieke Gezondheid (Wpg) gewijzigd in die zin dat hoofdstuk Va, “Tijdelijke bepalingen bestrijding epidemie covid-19”, is gewijzigd en onder meer de artikelen 58a tot en met 58u aan de Wpg zijn toegevoegd.

2.4

Artikel 58b Wpg luidt – voor zover van belang – als volgt:

“1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de bestrijding van de epidemie, of een directe dreiging daarvan.

2. De bij of krachtens dit hoofdstuk toegekende bevoegdheden worden slechts toegepast voor zover die toepassing:

a. gelet op de ernst van de bedreiging van de volksgezondheid noodzakelijk is;

b. in overeenstemming is met de uitgangspunten van de democratische rechtsstaat; en

c. gelet op het in het eerste lid genoemde doel de uitoefening van grondrechten zo min mogelijk beperkt en aan dat doel evenredig is.”

2.5

Met ingang van 1 juni 2021 is de Tijdelijke wet coronatoegangsbewijzen1 van 26 mei 2021 in werking getreden. Daarmee is hoofdstuk Va van de Wpg opnieuw gewijzigd, dit keer in verband met het stellen van tijdelijke regels over de inzet van coronatoegangsbewijzen bij de bestrijding van het coronavirus. In paragraaf 3a, meer in het bijzonder artikel 58ra en artikel 58rb, Wpg is onder meer het volgende bepaald:

Artikel 58ra. Reikwijdte

1 In een krachtens paragraaf 2 van dit hoofdstuk vast te stellen ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het beschikken over een daarbij te bepalen resultaat voor deelname aan of toegang tot daarbij te bepalen activiteiten of voorzieningen op uitsluitend de volgende terreinen:

a . cultuur;

b . evenementen;

c . georganiseerde jeugdactiviteiten;

d . horeca; of

e . sport.

2 Regels met betrekking tot het beschikken over vaccinatie tegen het virus SARS-CoV-2 of herstel van een infectie met het virus SARS-CoV-2 worden slechts gesteld indien:

a . op basis van een bewijs van vaccinatie tegen het virus SARS-CoV-2 of een bewijs van herstel van een infectie met het virus SARS-CoV-2 kan worden vastgesteld dat een vergelijkbare kans op overdracht van het virus SARS-CoV-2 bestaat als bij een bewijs van een negatieve testuitslag; en

b . de mogelijkheid wordt geboden in plaats van een bewijs van vaccinatie tegen het virus SARS-CoV-2 of een bewijs van herstel van een infectie met het virus SARS-CoV-2 gebruik te maken van een bewijs van een testuitslag.

(…)

8 Ten aanzien van personen die beroeps- of bedrijfsmatig werkzaamheden verrichten worden geen regels als bedoeld in het eerste lid gesteld.

9 Regels als bedoeld in het eerste lid gelden niet voor personen die vanwege een beperking of een ziekte geen test kunnen ondergaan of als gevolg van een test ernstig ontregeld raken. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de toepassing van de eerste volzin, in ieder geval met betrekking tot de vaststelling dat een persoon vanwege een beperking of ziekte geen test kan worden afgenomen en met betrekking tot de deelname aan of toegang tot activiteiten of voorzieningen voor deze personen.

(…)

Artikel 58rb. Voorwaarden

Onverminderd artikel 58b, tweede lid, kunnen slechts regels als bedoeld in artikel 58ra, eerste of derde lid, worden gesteld, indien deze, rekening houdend met de aard van de activiteiten of voorzieningen:

a. in het maatschappelijk belang zijn aangewezen;

b . uitvoerbaar en doelmatig zijn, mede gelet op de aanvang en duur van de periode waarin de regels van toepassing zijn en de mogelijkheden om een resultaat te verkrijgen;

c. gepaard gaan met voorzorgsmaatregelen om eventuele maatschappelijk ongewenste effecten ervan, waaronder afbreuk aan andere maatregelen tegen verspreiding van het virus SARS-CoV-2, vermijdbare achterstanden of ongelijke toegang tot activiteiten, voorzieningen of onderwijs te voorkomen, weg te nemen of te verminderen.

2.6

De inzet van coronatoegangsbewijzen is nader uitgewerkt in de Tijdelijke regeling maatregelen Covid-19 van 19 november 2020 (Trm), die daartoe bij Ministeriële regeling van 14 september 20212 is gewijzigd. Deze wijziging houdt verband met de vaststelling op nul meter van de veilige afstand, die personen krachtens artikel 58f Wpg en het Tijdelijk besluit veilige afstand buiten een woning tot andere personen moeten aanhouden (kortgezegd: de afschaffing van de zogenaamde ‘anderhalve meter-regel’). Deze ministeriële regeling is op 22 september 2021 in werking getreden. De ministeriële regeling is op grond van de nahangprocedure van artikel 58b, tweede en derde lid, Wpg aan de Tweede Kamer voorgelegd. De Tweede Kamer heeft op 16 september 2021 met de regeling ingestemd. De Tweede Kamer is voorafgaand aan die besluitvorming van 16 september 2021 op 15 september 2021 technisch gebriefd door de directeur van het Centrum Infectieziektebestrijding van het RIVM.

2.7

In de artikelen 4.1, 4.2 en 4.3 Trm is thans bepaald dat – behoudens een aantal uitzonderingen – eet- en drinkgelegenheden, locaties voor kunst en cultuur en evenementen (inclusief professionele sportwedstrijden) vanaf 25 september 2021 alleen toegankelijk zijn voor publiek dat in het bezit is van een geldig coronatoegangsbewijs en een geldig identiteitsdocument. Een beheerder van een gelegenheid waarvoor de inzet van het coronatoegangsbewijs verplicht is, controleert bij de toegang of een geldig coronatoegangsbewijs kan worden getoond. De organisator van een evenement controleert bij aanvang van het evenement of de desbetreffende persoon over een geldig coronatoegangsbewijs beschikt. Controle vindt plaats aan de hand van een papieren QR-code of de QR-code uit de CoronaCheck-app. Personen tot en met twaalf jaar mogen zonder geldig coronatoegangsbewijs worden toegelaten en personen tot en met dertien jaar zonder geldig identiteitsbewijs. Het bewijs van vaccinatie, het bewijs van herstel van infectie met het coronavirus en een testbewijs gelden elk als coronatoegangsbewijs (artikel 6.29 Trm). Bij eveneens door de Tweede Kamer goedgekeurde ministeriële regeling van 17 september 20213 is onder meer aan artikel 4.2 Trm een vijfde lid toegevoegd, waarin – kort gezegd – is bepaald dat de coronatoegangspasverplichting niet geldt voor de bij een eet- en drinkgelegenheid behorende terrassen in de buitenlucht.

2.8

Bij Regeling van 4 november 20214 is de verplichting een coronatoegangsbewijs te tonen uitgebreid tot doorstroomlocaties (musea, kermissen en dergelijke), terrassen en (door het publiek) bij bepaalde sport-, kunst- en cultuurevenementen.

2.9

Met ingang van 19 december 2021 was in Nederland een zogenaamde lockdown van kracht. Dit betekent dat de horeca, binnenruimtes van sportlocaties, locaties waar (niet-medische) contactberoepen worden uitgeoefend, scholen, niet-essentiële winkels en kunst- en cultuurlocaties zijn gesloten. Deze lockdown was, behoudens verlenging, van kracht tot 15 januari 2022 te 5.00 uur.

2.10

[appellant] c.s. zijn van mening dat de invoering van het coronatoegangsbewijs (hierna verder: CTB) jegens hen onrechtmatig is. Zij voeren aan dat het CTB een ongerechtvaardigde, want disproportionele inbreuk maakt op tal van grondrechten, zoals het discriminatieverbod. Door invoering van het CTB zou een ongerechtvaardigd onderscheid worden gemaakt tussen gevaccineerden en ongevaccineerden. [appellant] c.s. stellen zich op het standpunt dat vaccinatie geen enkel effect heeft waar het gaat om de overdracht van het coronavirus op andere personen. Volgens [appellant] c.s. kunnen gevaccineerde personen het virus evengoed als ongevaccineerden verspreiden, omdat de vaccins niet of nauwelijks tegen verspreiding beschermen (en daarvoor ook niet zijn toegelaten). De werkelijke reden voor de invoering van het CTB is volgens hen de vaccinatiegraad te verhogen, maar dat is een ongeoorloofd doel omdat het neerkomt op vaccinatiedrang of zelfs vaccinatiedwang, aldus nog steeds [appellant] c.s.

2.11

[appellant] c.s. vorderen (na herformulering van hun eis in hoger beroep) – zakelijk weergegeven – dat de artikelen 4.1, 4.2 en 4.3 Trm worden geschorst wegens strijd met het bepaalde in art. 58ra lid 2 aanhef en onder a Wpg, dan wel dat de regeling van § 3a van hoofdstuk Va van de Wpg en de daarop gebaseerde relevante bepalingen in de Trm worden geschorst totdat daarover een einduitspraak in een bodemprocedure zal zijn gedaan, alsmede dat wordt bepaald dat [appellant] c.s. met ingang van de datum van het in dezen te wijzen arrest niet meer gehouden zullen zijn om een CTB te tonen, al dan niet op straffe van een dwangsom en met veroordeling van de Staat in de kosten van het geding.

2.12

De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [appellant] c.s. afgewezen. De voorzieningenrechter overwoog, samengevat en voor zover in hoger beroep van belang, het volgende. De invoering van het CTB heeft een voldoende wettelijke grondslag in art. 58rd lid 2 Wpg. De bestrijding van de corona-epidemie, waarop hoofdstuk Va van de Wpg van toepassing is, omvat meerdere aspecten waar de belastbaarheid van de zorg er een van is. De Staat heeft in redelijkheid kunnen concluderen dat het coronavirus ook op de datum van het vonnis nog een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid vormt en dat er dus nog altijd een noodzaak voor het treffen van coronamaatregelen bestaat. Daarmee is voldaan aan het vereiste van art. 58 lid 2 sub a Wpg. Van een verboden discriminatie tussen gevaccineerden en ongevaccineerden is geen sprake. Het CTB kan immers worden verkregen op basis van een vaccinatie-, herstel- of testbewijs. In de keuze tussen een vaccinatiebewijs en een testbewijs is eenieder vrij. Voor zover wel sprake zou zijn van een verschil in behandeling is daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging. Op grond van de OMT-adviezen moet er voorshands van worden uitgegaan dat ongevaccineerden een grotere kans hebben het virus door te geven. In het huidige stadium van de epidemie bestaat niet de ruimte om onomstotelijke wetenschappelijke bewijzen af te wachten over het verschil in de kans op overdracht van het virus door gevaccineerden en ongevaccineerden. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat de Staat, door invoering van het CTB, een aantal beperkende maatregelen heeft kunnen laten vervallen, zoals de 1,5 meter regeling, dat het CTB niet langer zal worden gehandhaafd dan epidemiologisch noodzakelijk is, dat de verplichting het CTB te tonen geldt voor een beperkt aantal locaties in niet-essentiële sectoren, dat testen niet of nauwelijks invasief zijn, dat diverse uitzonderingen zijn gemaakt op de verplichting een CTB te tonen en dat een testbewijs kosteloos verkrijgbaar is. De invoering van het CTB is ook proportioneel en voldoet aan het subsidiariteitsbeginsel. Dit alles geldt ook voor de overige door [appellant] c.s. aangevoerde grondrechten. Ten slotte gaat de voorzieningenrechter voorbij aan het argument van het ‘hellend vlak’. Mogelijke ontwikkelingen in de toekomst kunnen in dit geding niet worden getoetst. De conclusie is dat de regeling in de Wpg en Trm tot het verplicht stellen van een CTB niet onmiskenbaar onverbindend is. Tot zover het oordeel van de voorzieningenrechter.

3. De grieven

3.1

[appellant] c.s. hebben tegen het vonnis van de voorzieningenrechter de volgende grieven aangevoerd. In grief 1 voeren [appellant] c.s. aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte voorbij is gegaan aan het door hen aangedragen medisch-wetenschappelijk bewijs dat het CTB zinloos is. [appellant] c.s. onderbouwen deze grief met de stelling dat vaccinatie tegen corona, in ieder geval na verloop van tijd (genoemd zijn zes à zeven maanden), niet meer beschermt tegen besmetting met het virus en dus ook niet tegen de transmissie daarvan. Dit betekent ook dat de drempelwaarde van art. 58ra lid 2 aanhef en onder a Wpg niet wordt gehaald. Art. 58ra lid 2 aanhef en onder a Wpg houdt immers in dat bewijs van vaccinatie slechts een grond voor het verkrijgen van een CTB mag zijn indien daarmee een vergelijkbare kans op overdracht van het virus bestaat als bij een bewijs van een negatieve testuitslag. Met grief 2, die voortbouwt op grief 1, komen [appellant] c.s. op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat het onderscheid tussen gevaccineerden en ongevaccineerden gerechtvaardigd is. Voor dit onderscheid bestaat volgens [appellant] c.s. geen wetenschappelijke grond. Bovendien had de Staat al veel eerder moeten inzetten op uitbreiding van het aantal ziekenhuisbedden in het algemeen en IC-bedden in het bijzonder. In grief 3 voeren [appellant] c.s. aan dat de voorzieningenrechter te veel is afgegaan op de adviezen van het OMT en ander wetenschappelijk bewijs heeft genegeerd. In grief 4 betogen [appellant] c.s. dat er wel degelijk sprake is van een hellend vlak. Het kabinet zou immers werken aan een aanpassing van de wet om op locaties waar het CTB voor bezoekers geldt dit ook voor werknemers te verplichten en werkgevers in andere sectoren de mogelijkheid te bieden het CTB verplicht te stellen. Daarnaast zou worden gewerkt aan de mogelijkheid het CTB verplicht te stellen op andere locaties, zoals niet-essentiële winkels en locaties met een verhoogd risico op verspreiding. Het hof zal deze grieven gezamenlijk behandelen.

3.2

Het hof stelt voorop dat het in deze zaak niet gaat om een collectieve actie; [appellant] en [appellante] treden in dit geding alleen voor zichzelf op. Het betoog van [appellant] c.s. komt er in de kern op neer dat het CTB een onrechtmatige inbreuk op hun grondrechten maakt omdat de thans beschikbare vaccins niet beschermen tegen besmetting met (de huidige variant van) het coronavirus en dus ook niet tegen de overdracht van het virus op andere personen. Een CTB kan worden verkregen op basis van een vaccinatie-, herstel- of testbewijs. Afgezien van het herstelbewijs, heeft iemand die een locatie wil bezoeken waarvoor een CTB moet worden getoond, dus de keus tussen vaccinatie of een test laten afnemen. [appellant] c.s. richten hun pijlen echter alleen op het vaccinatiebewijs en niet, althans niet op tijd (uiterlijk bij de grieven in de appeldagvaarding) en voldoende gemotiveerd, op het testbewijs. Dat het testbewijs een nuttige functie heeft bij het voorkomen van transmissie van het virus bestrijden zij niet en het hof heeft ook geen wetenschappelijk gefundeerd bewijs van het tegendeel gezien. Reeds dit betekent dat de vordering van [appellant] c.s. niet kan worden toegewezen. Hun vorderingen komen er immers op neer dat het CTB in zijn geheel wordt verboden, zoals [appellant] c.s. ter zitting desgevraagd hebben bevestigd. Zij vorderen niet dat van het CTB alleen het gedeelte dat ziet op het vaccinatiebewijs buiten werking wordt gesteld. Met andere woorden: het volledig buiten werking stellen van het CTB zou miskennen dat het CTB in ieder geval een nuttige functie kan hebben voor zover het betreft het testbewijs. Dat geldt ook voor het herstelbewijs, waarvan [appellant] c.s. evenmin het nut hebben bestreden. [appellant] c.s. willen dus ten onrechte het kind met het badwater weggooien. De door [appellant] c.s. aangevoerde onderbouwing voor buitenwerkingstelling van het CTB (vaccinatie is niet effectief tegen besmetting en transmissie) kan hun (veel ruimere) vordering dus niet dragen. Dit betekent dat het hof in het midden laat of vaccinatie (al dan niet na verloop van tijd) helpt tegen de overdracht van (een of meer varianten van) het coronavirus op anderen en of voldaan is aan het bepaalde in art. 58 lid 2 sub a Wpg.

3.3

Daar komt nog het volgende bij. Uit de stellingen van [appellant] en [appellante] blijkt dat zij niet gevaccineerd zijn tegen het coronavirus.5 Tevens stellen zij dat zij in het dagelijks leven ernstige hinder ondervinden doordat zij ongevaccineerde ‘coronapasweigeraars’ zijn en daarom niet kunnen deelnemen aan activiteiten op locaties waarvoor een CTB is vereist.6 Aangezien een CTB ook kan worden verkregen op basis van een (negatief) testbewijs, zijn [appellant] c.s. kennelijk van mening dat van hen niet gevergd kan worden dat zij zich (telkens) laten testen voordat zij aan deze activiteiten kunnen deelnemen. Hiervoor is echter al overwogen dat tegen het verstrekken van een CTB op basis van een testbewijs geen (en zeker geen steekhoudende) bezwaren zijn aangevoerd. Ook indien dus zou moeten worden geoordeeld dat het ten onrechte mogelijk is gemaakt dat een CTB kan worden verstrekt op basis van vaccinatie, tast dat in geen enkel opzicht de mogelijkheid aan dat een CTB kan worden verkregen op basis van een negatieve testuitslag. Zelfs indien het hof dus op de een of andere manier het vaccinatiebewijs uit de regeling van het CTB zou verwijderen – zoals opgemerkt is de vordering van [appellant] c.s. daar niet op gericht – zou dat voor de situatie van [appellant] en [appellante] geen verschil maken. Het CTB zou blijven bestaan op basis van een testbewijs of bewijs van herstel. Ook in dat geval zouden [appellant] c.s. zich, net als nu, moeten laten testen voordat zij, met een op die basis verstrekt CTB, kunnen deelnemen aan activiteiten op locaties waarvoor een CTB is voorgeschreven. Dit betekent dat [appellant] c.s. er geen belang bij hebben dat het hof uitspraken doet over het nut van vaccinatie op de transmissie van het coronavirus of over de vraag of de mogelijkheid een CTB te verkrijgen op basis van vaccinatie een ongeoorloofde inbreuk maakt op hun grondrechten.

3.4

[appellant] c.s. hebben nog aangevoerd dat de regeling van het CTB in wezen tot doel heeft ongeoorloofde druk uit te oefenen op ongevaccineerden om zich te laten vaccineren. Afgezien van het feit dat dit geding uitsluitend betrekking heeft op de positie van [appellant] c.s., die zich ook na invoering van het CTB niet hebben laten vaccineren en de gestelde ‘druk’ kennelijk hebben weerstaan, geldt ook voor deze stelling dat kritiek op het vaccinatiebewijs als grond voor het CTB de vordering tot buitenwerkingstelling van het CTB als zodanig niet kan dragen. De stelling van [appellant] c.s. dat de regeling van het CTB tot doel heeft druk uit te oefenen om zich te laten vaccineren is overigens niet aannemelijk geworden. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Tijdelijke wet coronatoegangsbewijzen blijkt dat het verkrijgen van een CTB in de oorspronkelijke opzet alleen mogelijk zou zijn op basis van een testbewijs en dat daaraan alleen het vaccinatiebewijs kon worden toegevoegd indien in de toekomst zou blijken dat het daarmee te behalen resultaat vergelijkbaar zou zijn met het resultaat dat met een coronatest te behalen is.7 Dat wijst niet op de door [appellant] c.s. gestelde opzet. Van ongeoorloofde druk is naar het oordeel van het hof ook overigens geen sprake. Afgezien van het herstelbewijs is een CTB steeds ook te verkrijgen op basis van een testbewijs. Hoewel het hof onderkent dat het zich telkens laten testen lastig kan zijn, komt dit naar voorlopig oordeel niet neer op een ongeoorloofde vaccinatiedruk of - dwang. Daarbij neemt het hof, evenals de voorzieningenrechter, in aanmerking dat het CTB niet langer zal worden gehandhaafd dan epidemiologisch noodzakelijk is, dat de verplichting het CTB te tonen geldt voor een beperkt aantal locaties in niet-essentiële sectoren, dat testen niet of nauwelijks invasief zijn en dat een testbewijs kosteloos verkrijgbaar is.

3.5

Ten slotte is het hof van oordeel dat de voorzieningenrechter het argument van het ‘hellend vlak’ (grief 4 in hoger beroep) terecht en op goede gronden heeft verworpen. De rechter kan niet oordelen over ontwikkelingen in de regelgeving waarvan nog geenszins vaststaat dat deze de eindstreep zullen halen. Evenmin valt in te zien hoe mogelijke toekomstige regelgeving van invloed zou kunnen zijn op de rechtsgeldigheid van de onderhavige wet- en regelgeving.

4. Conclusie

4.1

De conclusie is dat de grieven falen en dat het vonnis van de voorzieningenrechter zal worden bekrachtigd. Het bewijsaanbod van [appellant] c.s. heeft geen relevantie meer aangezien het betrekking heeft op het horen van deskundigen op zitting en het overleggen van extra producties. [appellant] c.s. hebben hun standpunt op zitting immers mede doen bepleiten door de arts [arts] en zij zijn in gelegenheid geweest producties in het geding te brengen.

4.2

[appellant] c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter van 6 oktober 2021;

- veroordeelt [appellant] c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de Staat begroot op € 772,-- aan griffierecht en € 3.342,-- aan salaris van de advocaat en op € 163,-- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 85,-- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 85,--, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen tot aan de dag van voldoening;

- verklaart dit arrest wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.A. Boele, J.J. van der Helm en M.E. Honée, en ondertekend en op 15 februari 2022 in het openbaar uitgesproken door mr. J.E.H.M. Pinckaers, rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier.

1 Stb. 2021, 240.

2 Stcrt. 2021, 41410.

3 Stcrt. 2021, 41779.

4 Stcrt. 2021, 46176.

5 Dagvaarding in eerste aanleg nr. 30; pleitnota in eerste aanleg nr. 5.

6 Zie pleitnota mr. Maes in hoger beroep nr. 89.

7 Vgl. Tweede Kamer 2020-2021, 35807, nr. 3 p. 56.