Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2022:139

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
15-02-2022
Datum publicatie
25-03-2022
Zaaknummer
200.247.835/01
Formele relaties
Herstelarrest: ECLI:NL:GHDHA:2021:1968
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beslissing ex artikel 31 Rv; vervolg op ECLI:NL:GHDHA:2021:1968.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.247.835/01

Zaaknummer rechtbank : 5035451 CV EXPL 16-18909

beslissing van 15 februari 2022

inzake

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

hierna te noemen: Dexia,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam.

1 Het verzoek en het verweer

1.1.

Op 28 september 2021 heeft dit hof eindarrest gewezen in de zaak met bovenvermeld zaaknummer (hierna: het arrest).

1.2.

Bij e-mail van 21 december 2021 heeft Dexia op de voet van artikel 31 Rv verzocht om verbetering van het arrest. [geïntimeerde] heeft gereageerd op het verzoek, waarvan zij stelt dat het dient te worden afgewezen.

2 De beoordeling

2.1.

Het verzoek van Dexia ziet op de volgende passage in 2.8 van het arrest:

“Dat Dexia uiterlijk 30 maart 2004 in verzuim is komen te verkeren met betrekking tot de tot het moment van vernietiging verrichte betalingen, is niet in geschil. Onweersproken is dat Dexia de vernietigingsbrief van 16 maart 2004, op 17 maart 2004 heeft ontvangen. Voor de ontvangsten vanaf 18 maart 2004 is Dexia daarom de wettelijke rente verschuldigd vanaf de ontvangstdata. Voor de ontvangsten tot dat moment is zij wettelijke rente verschuldigd vanaf 30 maart 2004.”

2.2.

Volgens Dexia is in de zin van artikel 31 Rv sprake van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent, in de overweging dat onweersproken is dat Dexia de vernietigingsbrief van 16 maart 2004 op 17 maart 2004 heeft ontvangen. Zij wijst erop dat zij in eerste aanleg heeft gesteld dat zij de vernietigingsbrief op 17 maart 2005 heeft ontvangen en zij stelt bovendien dat [geïntimeerde] dit op haar beurt niet heeft weersproken. Het hof had volgens Dexia daarom moeten uitgaan van 17 maart 2005 als ontvangstdatum, en 18 en 30 maart 2015 in plaats van 2014 voor de bepaling van de rente-ingangsdata (rechtsoverweging 2.8 en dictum).

2.3.

Het hof oordeelt hierover als volgt. Voor het antwoord op de vraag of de door Dexia gestelde fout in het arrest kwalificeert – in de zin van artikel 31 Rv – als kennelijke fout die zich leent voor eenvoudig herstel, dient het hof te beoordelen of voor partijen en voor derden kenbaar is dat sprake is van een fout en waarin de fout is gelegen (HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:580, NJ 2019/186 (VGZ/Brink q.q.)). Wat betreft de overweging in 2.8 van het arrest dat onweersproken is dat Dexia de vernietigingsbrief van 16 maart 2004 op 17 maart 2004 heeft ontvangen, is op basis van het dossier te achterhalen dat [geïntimeerde] deze ontvangstdatum niet concreet had gesteld. Indien echter wordt aangenomen dat wat dit betreft sprake is van een kennelijke fout in het arrest, leent deze zich niet voor eenvoudig herstel, althans niet op een wijze waarbij Dexia daarbij belang zou kunnen hebben.

2.4.

De kantonrechter had in het bestreden vonnis als feit vastgesteld dat [geïntimeerde] een beroep had gedaan op vernietiging met haar “brief van 16 maart 2004”. Tegen deze vaststelling heeft Dexia in het hoger beroep geen grieven gericht. In eerste aanleg had Dexia ook al met zoveel woorden gerefereerd aan het “feit” dat [geïntimeerde] haar vernietigingsverklaring in maart 2004 had “uitgebracht” (dupliek in conventie, 7). Verder heeft Dexia in eerste aanleg en in het hoger beroep tegen de subsidiaire vordering van [geïntimeerde] tot voldoening van wettelijke rente vanaf 14 dagen na 16 maart 2004 (in de vernietigingsbrief was een termijnstelling opgenomen van 14 dagen), geen ander verweer gevoerd dan dat zij over de door haar ontvangen onverschuldigde betalingen geen wettelijke rente verschuldigd kon worden vóór de respectieve betaaldata. Dit verweer heeft het hof gehonoreerd. De subsidiaire vordering van [geïntimeerde] wat betreft de rente zou kunnen worden aangemerkt als impliciet standpunt dat de vernietigingsbrief van 16 maart 2014 in elk geval uiterlijk 30 maart 2004 door Dexia moet zijn ontvangen. Tegen die achtergrond is niet evident dat het hof, wanneer het de stelling van Dexia in eerste aanleg omtrent de ontvangstdatum (17 maart 2005) in aanmerking zou hebben genomen, slechts had kunnen vaststellen dat de brief op die datum of althans later dan 30 maart 2004 was ontvangen.

2.5.

Ten overvloede overweegt het hof nog dat indien in weerwil van het voorgaande zou worden aangenomen dat op basis van de stellingen van partijen geen andere vaststelling mogelijk was dan dat (onweersproken was dat) Dexia de vernietigingsbrief van 16 maart 2004 op 17 maart 2005 had ontvangen, de alsdan in het arrest besloten liggende (kennelijke) fout zich nog steeds niet voor eenvoudig herstel zou lenen. Uitgaande van die ontvangstdatum was op het moment van ontvangst van de brief de daarin gestelde termijn voor nakoming al ruimschoots verstreken. Dit zou dan noodzaken tot beantwoording van de vraag of Dexia ter zake van vóór de ontvangst van die brief ontvangen onverschuldigde betalingen, wel door die termijnstelling (die dan in werkelijkheid geen termijnstelling meer was) of anderszins in verzuim is komen te verkeren en zo ja wanneer. Op die vraag laten zich verschillende antwoorden denken, zodat ook in dit scenario niet zou kunnen worden gezegd dat de fout zich voor eenvoudig herstel leent.

3 De beslissing

Het hof wijst het verzoek af.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.W. Frieling, A.J.M.E. Arpeau en M.M. Olthof op 15 februari 2022.