Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2022:1285

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
05-07-2022
Datum publicatie
01-08-2022
Zaaknummer
BK-21/00935
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2021:7762, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hoger beroep van belanghebbende is ontvankelijk.

Verzuimboete terecht opgelegd. De gemitigeerde verzendtheorie is niet van toepassing bij het indienen van een aangifte.

Geen terugwijzing van de zaak naar de Inspecteur ondanks schending hoorplicht omdat belanghebbende daardoor niet is benadeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 2-8-2022
V-N Vandaag 2022/1917
FutD 2022-2233
NLF 2022/1568
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-21/00935

Uitspraak van 5 juli 2022

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: […] )

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 15 juli 2021, nr. SGR 19/7405.

Procesverloop

1.1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2016 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.795 en een inkomen uit sparen en beleggen van € 2.871. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een vergrijpboete opgelegd van € 369.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag IB/PVV en de boete afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft éénmaal griffierecht geheven van € 47. De beslissing van de Rechtbank luidt:

“De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond voor zover gericht tegen de uitspraken op bezwaar inzake de boetebeschikking (…);

- verklaart het beroep gegrond voor zover gericht tegen de uitspraak op bezwaar tegen de aanslag IB/PVV;

- vernietigt de uitspraak op het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV;

- draagt [de Inspecteur] op het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV te behandelen overeenkomstig de aanwijzing van de staatssecretaris van 26 juni 2015;

- draagt [de Inspecteur] op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiseres te vergoeden.”

1.4.

Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 134. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 24 mei 2022. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Belanghebbende is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2016 (de aangifte). In de aanmaning is 17 november 2017 vermeld als uiterste termijn om de aangifte te doen.

2.2.

Op 21 november 2017 heeft de Inspecteur de aangifte van belanghebbende ontvangen. De aangifte is gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.795 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.871.

2.3.

De aanslag IB/PVV is opgelegd conform de ingediende aangifte. Daarbij is op grond van artikel 67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) een verzuimboete van € 369 opgelegd.

2.4.

Een afschrift van de bestreden uitspraak van de Rechtbank is op

22 juli 2021 aan partijen verzonden. Het hogerberoepschrift is gedateerd 2 september 2021 en blijkens een postkamerstempel op 7 september 2021 door het Hof ontvangen. De envelop waarin het hogerberoepschrift is verzonden bevat een onleesbare poststempel.

2.5.

Het dossier bevat verder een kopie van een envelop waarin het hogerberoepschrift is ontvangen. Uit die kopie blijkt dat de envelop is gefrankeerd en een poststempel bevat met het opschrift “7.IX.21-17”.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:

“Aanslag IB/PVV

11. Bij besluit van 26 juni 2015[1] heeft de Staatssecretaris van Financiën (de staatssecretaris) de bezwaarschriften die betrekking hebben op de rechtsvraag of de box 3 heffing naar haar aard in strijd is met artikel 1 van het EP, aangewezen als massaal bezwaar. Het gaat om bezwaarschriften waarop op 26 juni 2015 nog geen uitspraak is gedaan en om bezwaarschriften die worden ingediend tot en met de dag voorafgaande aan de dag waarop de in artikel 25a, zevende lid, van de Awr bedoelde collectieve uitspraak wordt gedaan, dan wel de dag voorafgaande aan de dag waarop de in artikel 25a, elfde lid, van de Awr bedoelde uitspraak onherroepelijk wordt.

12. Vast staat dat het bezwaarschrift van eiseres tegen de aanslag IB/PVV na 26 juni 2015 is ingediend en dat op het moment van indiening van het bezwaarschrift nog geen collectieve uitspraak was gedaan. Het bezwaar van eiseres is gericht tegen de box 3 heffing voor het jaar 2016 en voldoet daarom aan de vereisten voor de aanwijzing massaal bezwaar. Het bezwaar van eiseres is dan ook ten onrechte niet als zodanig aangewezen. Het beroep dient om die reden gegrond te worden verklaard voor zover het ziet op de aanslag IB/PVV. De rechtbank zal de uitspraak op bezwaar tegen de aanslag IB/PVV dan ook vernietigen en verweerder opdragen het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV te behandelen overeenkomstig de aanwijzing van de staatssecretaris.

13. De aanwijzing geldt alleen voor de aanslag IB/PVV en staat dus niet in de weg aan behandeling door de rechtbank van het beroep voor zover dit is gericht tegen de uitspraken op bezwaar inzake de boetebeschikking en de aanslag Zvw.

Verzuimboete

14. Tussen partijen is niet in geschil dat de aangifte IB/PVV door de belastingdienst is geregistreerd als ontvangen op 21 november 2017, derhalve vier dagen na verstrijken van de daarvoor gestelde termijn. Eiseres heeft echter gesteld dat dit de datum van verwerking is en dat het aannemelijk moet worden geacht dat de aangifte enige dagen daarvoor door verweerder is ontvangen. Met die enkele, door verweerder weersproken stelling, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij de aangifte binnen de gestelde termijn heeft ingediend. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat de verzendtheorie van artikel 6:9, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht analoog moet worden toegepast. Nu de aangifte dus te laat is ingediend, is voldaan aan de voorwaarden van artikel 67a van de Awr voor het opleggen van de verzuimboete. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van afwezigheid van alle schuld dan wel van een pleitbaar standpunt, zodat verweerder de verzuimboete terecht heeft opgelegd. De boete is overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 21 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst vastgesteld. De rechtbank acht de boete ook passend en geboden. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard voor zover het ziet op de boetebeschikking.

Aanslag Zvw

15. De rechtbank stelt voorop dat voor een ontvankelijk bezwaar – onder meer – is vereist dat kan worden gewezen op enig direct tot de rechtsstrijd van partijen te herleiden (proces)belang bij een uitspraak op dat bezwaar, in die zin dat de eisende partij door die beslissing in een gunstigere positie zou kunnen geraken. Een dergelijk belang is bij het bezwaar van eiseres tegen de aanslag Zvw niet aanwezig. Immers, een aanslag kan niet lager worden dan nihil. Het bezwaar tegen de aanslag Zvw is dan ook terecht wegens gebrek aan belang niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard voor zover het ziet op de aanslag Zvw.

Hoorplicht

16. Ingevolge artikel 7:3 van de Awb kan in een beperkt aantal gevallen van het horen van een belanghebbende worden afgezien. Een dergelijke situatie doet zich in onderhavige geval niet voor. Dat eiseres naar aanleiding van de brief van 18 september 2019 geen afspraak heeft gemaakt om haar standpunt mondeling toe te lichten, betekent niet dat eiseres heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord.[2] Dat betekent dat de hoorplicht is geschonden.

17. Met inachtneming van het bepaalde in artikel 8:41a van de Algemene wet bestuursrecht ziet de rechtbank in de schending van de hoorplicht geen aanleiding om de zaak naar verweerder terug te wijzen omdat het alsnog horen niet tot een andere uitkomst zal leiden.

18. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard voor zover dit is gericht tegen de uitspraken op bezwaar inzake de boetebeschikking en de aanslag Zvw.

Proceskosten

19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Op de zitting zijn behalve zaken van eiseres ook zaken behandeld waarin de gemachtigde eiser is. De rechtbank zal in die zaken beslissen op het verzoek van de gemachtigde om vergoeding van verletkosten. Om een vergoeding van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is niet verzocht.

[1] nr. BLKB2015/903M, Stcrt. 2015, 18400

[2] Vgl. HR 15 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3751”

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.

In geschil is of het hoger beroep ontvankelijk is. Indien het hoger beroep ontvankelijk is, is in geschil of de zaak teruggewezen moet worden omdat de hoorplicht is geschonden. Indien de zaak niet wordt teruggewezen is in geschil of de verzuimboete terecht is opgelegd.

4.2.

Belanghebbende concludeert, zo begrijpt het Hof, tot gegrondverklaring van het hoger beroep en terugwijzing van de zaak naar de Inspecteur.

4.3.

De Inspecteur concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep. Indien het hoger beroep ontvankelijk wordt verklaard, concludeert de Inspecteur tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

Beoordeling van het hoger beroep

Ontvankelijkheid hoger beroep

5.1.

De termijn voor het indienen van een hogerberoepschrift bedraagt ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 6:24 Awb, zes weken. Ingevolge artikel 22j AWR vangt de termijn aan met ingang van de dag na die van de dagtekening van de uitspraak, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking. Aangezien de uitspraak van de Rechtbank is verzonden op 22 juli 2021, is de termijn dus aangevangen op 23 juli 2021.

5.2.

Ingevolge artikel 6:9 Awb in verbinding met artikel 6:24 Awb, is het hogerberoepschrift - voor zover hier van belang - tijdig ingediend indien het vóór het einde van de termijn is ontvangen, met dien verstande dat bij verzending per post een beroepschrift tijdig is ingediend indien het vóór het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Dit brengt mee dat het hogerberoepschrift van belanghebbende tijdig is ingediend indien dit uiterlijk op 2 september 2021 is ontvangen dan wel, indien het later is ontvangen, vóór het einde van de termijn ter post is bezorgd en uiterlijk op 9 september 2021 is ontvangen. In het onderhavige geval is het hogerberoepschrift ontvangen op 7 september 2021 (zie 2.4).

5.3.

Ter zitting van het Hof heeft de gemachtigde van belanghebbende op geloofwaardige wijze verklaard dat hij het hogerberoepschrift tweemaal per post heeft verzonden aan het Hof en dat hij het hogerberoepschrift voor het eerst ter post heeft bezorgd op donderdag 2 september 2021. Dit brengt mee dat het hogerberoepschrift van belanghebbende tijdig ter post is bezorgd en vóór 9 september 2021 is ontvangen (zie 2.4). Het Hof verklaart het hoger beroep daarom ontvankelijk.

Verzuimboete

5.4.

Artikel 9, lid 1, AWR bepaalt, voor zover hier van belang, dat de aangifte moet worden gedaan bij de inspecteur binnen een door deze gestelde termijn. Zulks houdt in dat de aangifte tijdig is indien deze vóór het einde van de termijn door de inspecteur is ontvangen.

5.5.

In het onderhavige geval liep de door de Inspecteur aan belanghebbende in de aanmaning gestelde termijn af op 17 november 2017. Tussen partijen is niet in geschil dat de aangifte IB/PVV door de belastingdienst is geregistreerd als ontvangen op 21 november 2017, derhalve vier dagen na het verstrijken van de daarvoor gestelde termijn. De aangifte is aldus te laat ingediend. Belanghebbende heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die kunnen leiden tot het oordeel dat hij de aangifte op zodanig tijdstip ter post heeft bezorgd dat de Inspecteur deze op 17 november 2017 zou hebben moeten ontvangen. Gelet op het vorenoverwogene is de aangifte te laat gedaan.

5.6.

Het Hof ziet geen reden de door belanghebbende voorgestane gemitigeerde verzendtheorie overeenkomstig artikel 6:9, lid 2, Awb toe te passen. Een wettelijke basis voor toepassing van voormeld artikel is niet aanwezig aangezien het artikel betrekking heeft op het indienen van een bezwaar- of beroepschrift en niet ziet op het indienen van een aangifte.

5.7.

Aangezien afwezigheid van alle schuld gesteld noch gebleken is, moet worden geoordeeld dat de Inspecteur terecht een verzuimboete heeft opgelegd.

5.8.

Voor wat betreft de hoogte van de verzuimboete sluit het Hof zich aan bij het oordeel van de Rechtbank dat deze in de gegeven omstandigheden passend en geboden is. Het Hof maakt dit oordeel en de overwegingen die aan dat oordeel ten grondslag liggen tot de zijne.

Hoorplicht

5.9.

Indien, zoals hier het geval, vaststaat dat de hoorplicht is geschonden moet in beginsel terugwijzing naar de Inspecteur volgen. Terugwijzing is echter niet nodig indien belanghebbende door de schending van de hoorplicht niet is benadeeld. Hiervan is sprake als de belastingplichtige zijn bezwaren in beroep schriftelijk heeft kunnen uiteenzetten en mondeling heeft kunnen toelichten, mits omtrent de van belang zijnde feiten en de waardering daarvan tussen de inspecteur en de belastingplichtige (uiteindelijk) geen verschil van mening bestaat en het geschil betrekking heeft op een aangelegenheid waarbij de inspecteur geen beleidsvrijheid toekomt (vgl. o.a. HR 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7495, BNB 2003/267).

5.10.

Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende door de schending van de hoorplicht niet benadeeld. Naast de omstandigheid dat belanghebbende in beroep en hoger beroep ten volle in de gelegenheid is geweest om zijn bezwaren toe te lichten, bestaat omtrent de van belang zijnde feiten en de waardering daarvan tussen de Inspecteur en belanghebbende geen verschil van mening en heeft het geschil betrekking op een aangelegenheid waarbij de Inspecteur geen beleidsvrijheid heeft. Het geschil betreft immers in de kern de rechtsvraag of op de indiening van de aangifte de ontvangst- dan wel de gemitigeerde verzendtheorie van toepassing is. Dit brengt mee dat, anders dan belanghebbende betoogt, de Rechtbank terecht de uitspraak op bezwaar ten aanzien van de verzuimboete in stand heeft gelaten.

5.11.

Voor zover de Rechtbank de zaak heeft teruggewezen naar de Inspecteur om het bezwaar tegen de vermogensrendementsheffing te behandelen overeenkomstig de aanwijzing van de staatssecretaris van Financiën van 26 juni 2015, nr. BLKB2015/903M, Stcrt. 2015, 18400 geldt, zoals de Inspecteur ook ter zitting heeft verklaard, dat op 19 juli 2019 reeds een collectieve uitspraak op bezwaar is gedaan op de bezwaren tegen de vermogensrendementsheffing tot en met 2016. Deze collectieve uitspraak is vastgelegd in de Staatscourant van 19 juli 2019, 40085. In beginsel wordt in individuele gevallen geen uitspraak op bezwaar gedaan tenzij daarom expliciet wordt verzocht door een belanghebbende. Aangezien belanghebbende een dergelijk verzoek niet heeft gedaan, is de zaak ten onrechte teruggewezen naar de Inspecteur.

Slotsom

5.12.

Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten en griffierecht

6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

Het Gerechtshof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover daarin de Inspecteur wordt opgedragen het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV te behandelen overeenkomstig de aanwijzing van de staatssecretaris van Financiën van 26 juni 2015, nr. BLKB2015/903M, Stcrt. 2015, 18400; en

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige.

Deze uitspraak is vastgesteld door I. Reijngoud, H.A.J. Kroon en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier R. Wijkstra. De beslissing is op 5 juli 2022 in het openbaar uitgesproken. Wegens verhindering van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door raadsheer Zandhuis.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.