Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2022:1274

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-07-2022
Datum publicatie
26-07-2022
Zaaknummer
200.296.775/01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vraag wie partij is bij de overeenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer hof: 200.296.775/01

Zaaknummer rechtbank: 6822115 / CV EXPL 18-13195

Arrest van 19 juli 2022

in de zaak van:

[appellant] ,

wonend in [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. T. Kocabas te Zoetermeer,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonend in [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. J.W.L. Vader te Alkmaar.

1 De zaak in het kort

1.1

[appellant] heeft bouwwerkzaamheden in de woning van [geïntimeerde] verricht, samen met anderen. Een deskundige heeft vastgesteld dat de werkzaamheden niet goed zijn uitgevoerd. [geïntimeerde] vordert daarom schadevergoeding van [appellant] . Volgens [appellant] is [geïntimeerde] bij hem aan het verkeerde adres. Hij stelt dat hij geen partij was bij de overeenkomst die [geïntimeerde] ten behoeve van de bouwwerkzaamheden heeft gesloten.

1.2

Het hof oordeelt, net zoals de rechtbank, dat [appellant] wel partij is bij de overeenkomst met [geïntimeerde] en dus aansprakelijk is voor de schade.

2 Procesverloop

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

- het dossier van de procedure bij de rechtbank Rotterdam;

- het eindvonnis van 26 maart 2021 (hierna: het vonnis);

- de dagvaarding in hoger beroep van 24 juni 2021 met grieven (met productie);

- de memorie van antwoord (met producties).

2.2

Op 9 juni 2022 heeft een zitting plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak tijdens de zitting mondeling toegelicht.

3 Feitelijke achtergrond

3.1

Tussen partijen staat onder meer het volgende vast.

3.2

[geïntimeerde] wilde buitenkozijnen en twee deuren in zijn woning laten plaatsen. Hij heeft in dat verband een offerte ontvangen van ‘ [voornaam appellant] Reparatie en onderhoudsbedrijf’ (hierna ook: [voornaam appellant] Reparatie). Bij de offerte zijn bouwtekeningen gevoegd. Op die bouwtekeningen staan stempels met de volgende tekst:

“ [betrokkene]

[voornaam appellant] Reparatie

Maasdijk (…)”

3.3

[geïntimeerde] heeft op 11 oktober 2016 mondeling opdracht gegeven voor de uitvoering van de geoffreerde werkzaamheden. Diezelfde dag heeft hij een voorschotfactuur ontvangen op naam van [voornaam appellant] Reparatie met het verzoek een voorschot over te maken op het bankrekeningnummer ten name van [voornaam appellant] Reparatie. [geïntimeerde] heeft deze factuur betaald.

3.4

[appellant] - die zich [voornaam appellant] noemde - was de contactpersoon van [voornaam appellant] Reparatie voor de uit te voeren werkzaamheden. [geïntimeerde] heeft van [appellant] een visitekaartje ontvangen met de volgende tekst:

“ [voornaam appellant] Reparatie en Onderhoudsbedrijf

Produkctie kozijnen

contacten: [initialen appellant] , [zoon appellant]

stucadoor, tegels, schilderen, etc.

(…)

[voornaam appellant - Reparatie] @hotmail.com

[website] ”

[initialen appellant] . Tomecki verwijst naar [appellant] en [zoon appellant] naar [zoon appellant] , de zoon van [appellant] .

3.5

[geïntimeerde] heeft op 4 december 2016 een e-mail gestuurd naar het e-mailadres [voornaam appellant - Reparatie] @hotmail.com en [appellant] daarin onder meer gevraagd om aanvullende werkzaamheden te verrichten. Vanaf datzelfde e-mailadres heeft [appellant] als volgt gereageerd:

“Beste Klant

mijn prijs voor dit werk

(…)

Wij Verzoeken u Vrindelijk om het totalbedrag (…) over te maken op bankrekening (…) T.n.v. [voornaam appellant - Reparatie] en Onderhoudsbedrijf

Gr.

[voornaam appellant] ”

[geïntimeerde] heeft [appellant] vervolgens per sms bericht: “Bedankt voor de prijs. Jullie hebben hierbij de opdracht (…).”

3.6

Bij brief van 19 september 2017 heeft de gemachtigde van [geïntimeerde] aan [appellant] geschreven:

“Geachte heer [voornaam appellant] Tomecki,

(…)

Op 4 december is er tussen u en [ [geïntimeerde] ] een overeenkomst tot stand gekomen. (…)

Helaas zijn de werkzaamheden nog niet juist nagekomen. (…)

Hierbij stel ik u in gebreke (…)”

[zoon appellant] heeft bij e-mail van 20 september 2017 op deze brief gereageerd. Hij heeft toen het standpunt ingenomen dat, kort gezegd, de werkzaamheden naar behoren zijn uitgevoerd.

3.7

In het register van de kamer van koophandel stond de onderneming ‘ [voornaam appellant] reparatie- en onderhoudsbedrijf MRO Personeelsdiensten’ destijds ingeschreven als eenmanszaak van [betrokkene] (hierna: [betrokkene] ).

3.8

[appellant] staat in het register van de kamer van koophandel onder meer ingeschreven als:

- eigenaar van de eenmanszaak ‘ [voornaam appellant] Vastgoed’ met als e-mailadres [voornaam appellant - Reparatie] @hotmail.com, in de periode van 7 januari 2016 tot 4 juli 2016;

- vennoot van de vennootschap onder firma [voornaam appellant] Vastgoed MV Incasso (hierna: de vof), sinds 1 juli 2016, samen met [zoon appellant] . Deze vof heeft de hiervoor genoemde eenmanszaak voortgezet;

- enig bestuurder van [voornaam appellant] Vastgoed Investment B.V. (sinds 23 mei 2017).

4 Vordering en de beslissing van de rechtbank

4.1

[geïntimeerde] heeft [appellant] en [betrokkene] gedagvaard en (na wijziging van eis) gevorderd, samengevat:

primair:

hoofdelijke veroordeling van [appellant] en [betrokkene] tot betaling van:

- een schadevergoeding van € 12.405,50,- vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 8 december 2017;

- een vergoeding van de expertisekosten van € 520,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 december 2017;

- de buitengerechtelijke incassokosten van € 767,44 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding;

- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente en nakosten.

[geïntimeerde] heeft deze vorderingen subsidiair ingesteld tegen (alleen) [appellant] en meer subsidiair tegen (alleen) [betrokkene] .

4.2

[geïntimeerde] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat [appellant] en [betrokkene] (kort gezegd) wanprestatie hebben gepleegd omdat de werkzaamheden niet naar behoren zijn uitgevoerd. [geïntimeerde] heeft [appellant] gedagvaard omdat hij er altijd vanuit is gegaan dat hij zaken deed met [appellant] ; [appellant] was zijn contactpersoon was en heeft de werkzaamheden uitgevoerd. Ook heeft [geïntimeerde] met [appellant] gecorrespondeerd over de gebreken.

[geïntimeerde] heeft daarnaast [betrokkene] gedagvaard omdat [betrokkene] staat ingeschreven als eigenaar van een onderneming met de handelsnaam ‘ [voornaam appellant] reparatie- en onderhoudsbedrijf’.

4.3

De rechtbank heeft, nadat zij partijen bij tussenvonnis van 5 april 2019 in de gelegenheid had gesteld zich daarover uit te laten, bij tussenvonnis van 21 juni 2019 een deskundige benoemd en hem vraag voorgelegd of de werkzaamheden correct zijn uitgevoerd. In het daarna uitgebrachte deskundigenrapport is geconcludeerd dat er gebreken zijn in het werk en is een inschatting gemaakt van de kosten van herstel. De rechtbank heeft de bevindingen van de deskundige vervolgens overgenomen maar heeft alleen de vordering tegen [appellant] toegewezen en wel tot het bedrag van € 7.589,44 (€ 6.302,- hoofdsom, € 520,- expertisekosten en € 767,44 buitengerechtelijke incassokosten), nog te vermeerderen met wettelijke rente. Ook is [appellant] veroordeeld tot betaling van het loon van de deskundige van € 3.000,-. De rechtbank heeft de vordering tegen [betrokkene] dus afgewezen.

5 Vordering in hoger beroep en bezwaren tegen het vonnis

5.1

[appellant] heeft hoger beroep ingesteld en vordert vernietiging van het vonnis, alsnog afwijzing van de vordering van [geïntimeerde] , veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van de expertisekosten en van de kosten van beide instanties. Hij voert met een niet genummerde grief het volgende aan (samengevat weergegeven):

[voornaam appellant] Reparatie staat op naam van [betrokkene] zodat niet [appellant] , maar [betrokkene] wederpartij is bij de overeenkomst met [geïntimeerde] . [appellant] kan daarom niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele wanprestatie. [appellant] was bij het werk betrokken als werknemer van [betrokkene] . [appellant] was contactpersoon omdat [betrokkene] geen Nederlands spreekt. De rechtbank is ten onrechte voorbij gegaan aan de stelling (die met een arbeidsovereenkomst en loonstrook is onderbouwd) dat [appellant] een werknemer van [betrokkene] is. [geïntimeerde] wist dat hij zaken deed met [betrokkene] en had dit ook kunnen weten door het handelsregister te raadplegen.

6 Beoordeling door het hof

6.1

In hoger beroep staat niet ter discussie dat de werkzaamheden die in de woning van [geïntimeerde] zijn uitgevoerd, gebrekkig zijn en ook niet dat [geïntimeerde] daardoor schade heeft geleden. Het gaat alleen nog om de vraag met wie [geïntimeerde] de overeenkomst ten aanzien van die werkzaamheden heeft gesloten.

6.2

Het hof stelt het volgende voorop.

Het antwoord op de vraag wie partij is bij een overeenkomst is afhankelijk van hetgeen partijen jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Tot de omstandigheden die in dit verband in aanmerking moeten worden genomen, behoort tevens de voor de wederpartij kenbare hoedanigheid en de context waarin partijen optraden. Ook gedragingen, verklaringen en andere omstandigheden, die hebben plaatsgevonden nadat de overeenkomst is gesloten, kunnen van belang zijn (o.a.: HR 29 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1615).

6.3

Het hof neemt het volgende in aanmerking. Zoals [geïntimeerde] heeft gesteld en [appellant] niet (voldoende gemotiveerd) heeft betwist, heeft [geïntimeerde] [appellant] benaderd voor het uitvoeren van werkzaamheden in zijn woning. [geïntimeerde] heeft vervolgens een offerte ontvangen op naam van [voornaam appellant] Reparatie en heeft zich daarmee mondeling akkoord verklaard. Ook heeft hij een (voorschot)factuur op naam van [voornaam appellant] Reparatie (met het bankrekeningnummer op naam van [voornaam appellant] Reparatie) betaald. Hoewel de overeenkomst met [geïntimeerde] dus op naam van [voornaam appellant] Reparatie is gesloten, heeft [geïntimeerde] uit de gedragingen en verklaringen van [appellant] mogen afleiden dat [voornaam appellant] Reparatie een handelsnaam was waaronder [appellant] een eenmanszaak dreef, en daarmee ook dat [appellant] zijn wederpartij was. [appellant] onderhield namens [voornaam appellant] Reparatie immers niet alleen de contacten met [geïntimeerde] - ook die over de financiële kwesties -, hij noemde zich bovendien ‘ [voornaam appellant] ’ en correspondeerde met [geïntimeerde] via het e-mailadres van zijn eenmanszaak: [voornaam appellant - Reparatie] @hotmail.com. De suggestie was daarmee dat [appellant] eigenaar was van [voornaam appellant] Reparatie. [appellant] gedroeg zich ook als eigenaar van [voornaam appellant] Reparatie door bij zijn prijsopgaaf namens [voornaam appellant] Reparatie te schrijven over “mijn” prijs (zie onder 3.5).

Ook nadat er discussie was ontstaan over gebreken in het werk is [appellant] de indruk blijven wekken dat hij de wederpartij was van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft in de correspondentie over de gebreken in het werk immers uitdrukkelijk gesteld dat tussen hem en [appellant] een overeenkomst tot stand is gekomen en [appellant] heeft dat toen niet betwist (zie onder 3.6). [appellant] heeft er slechts op gewezen dat zijn zoon Dominik die brief in opdracht van [betrokkene] heeft beantwoord maar dat neemt niet weg dat [appellant] - aan wie de brief was gericht - niet heeft weersproken dat hij de wederpartij was van [geïntimeerde] . [zoon appellant] en [betrokkene] hebben dat overigens ook niet weersproken.

6.4

Zelfs bij conclusie van antwoord en tijdens de eerste zitting in eerste aanleg heeft [appellant] niet betwist dat hij de wederpartij was van [geïntimeerde] . [appellant] heeft het verweer dat hij geen partij is bij de overeenkomst pas daarna ingenomen, en zodanig laat dat de rechtbank dat standpunt als tardief heeft verworpen. Het staat [appellant] op zichzelf vrij dit verweer in hoger beroep alsnog c.q. nogmaals te voeren. Dat laat echter onverlet dat het hof als een bij de beoordeling in acht te nemen omstandigheid in aanmerking kan nemen dat [appellant] zich zelfs nog tijdens de procedure in eerste aanleg jegens [geïntimeerde] als wederpartij is blijven gedragen.

6.5

[appellant] heeft gewezen op de omstandigheid dat [betrokkene] een van de personen is geweest die werkzaamheden in de woning van [geïntimeerde] heeft uitgevoerd en ook dat hij onderaannemers te werk heeft gesteld. Dat neemt echter niet weg dat [appellant] zich jegens Nedelof als wederpartij heeft gedragen. [appellant] heeft immers niets gesteld waaruit blijkt dat [geïntimeerde] wist of had kunnen weten wie de personen waren die in zijn woning werkzaamheden uitvoerden. Hij heeft meer in het bijzonder niet gesteld dat hij [betrokkene] - die geen Nederlands spreekt - aan [geïntimeerde] heeft voorgesteld als eigenaar van [voornaam appellant] Reparatie. Uit niets blijkt dat [geïntimeerde] [betrokkene] kende. De naam [betrokkene] kwam alleen voor in de stempels op de bouwtekeningen (zie onder 3.2). Uit die stempels volgt hooguit dat er een persoon genaamd [betrokkene] bij [voornaam appellant] Reparatie betrokken was, niet dat [betrokkene] daarvan de eigenaar was. De in de stempels voorkomende naam ‘ [voornaam appellant] Reparatie’ leek juist te slaan op ‘ [voornaam appellant] ’ [appellant] als eigenaar van [voornaam appellant] Reparatie.

6.6

[appellant] heeft verder aangevoerd dat [geïntimeerde] het register van de kamer van koophandel had kunnen raadplegen. Naar het oordeel van het hof kon van [geïntimeerde] als consument echter niet worden verwacht dat hij vóór het sluiten van de overeenkomst het handelsregister raadpleegde om na te gaan op wiens naam de onderneming ‘ [voornaam appellant] Reparatie en onderhoudsbedrijf’ was geregistreerd. Dat geldt in elk geval onder de hiervoor vermelde omstandigheden, die er voor [geïntimeerde] eenduidig op wezen dat [voornaam appellant] Reparatie van ‘ [voornaam appellant] ’ [appellant] was. Indien het niet de bedoeling was van [appellant] om zich als partij bij de overeenkomst te binden dan had hij dat aan [geïntimeerde] als consument duidelijk moeten maken.

6.7

Het hof is op grond van het voorgaande met de rechtbank van oordeel dat [geïntimeerde] uit de verklaringen en gedragingen van [appellant] en uit de hiervoor genoemde overige omstandigheden heeft mogen afleiden dat [appellant] zijn wederpartij was. [appellant] is daarom aan de overeenkomst gebonden en is aansprakelijk voor de gevolgen van de niet-nakoming daarvan.

6.8

Het hof gaat voorbij aan de stelling van [appellant] dat hij in loondienst was van [betrokkene] en aan de arbeidsovereenkomst en de uitdraai van Mijn UWV die [appellant] aan de deskundige in eerste aanleg heeft toegestuurd. Die stelling en stukken nemen niet weg dat [appellant] zich jegens [geïntimeerde] niet als werknemer maar als wederpartij heeft gedragen. De gestelde arbeidsovereenkomst van 20 uur per week sluit ook niet uit dat [appellant] naast zijn werk voor [betrokkene] werkzaamheden voor [geïntimeerde] heeft uitgevoerd in het kader van een eenmanszaak. Dat [appellant] de werkzaamheden voor [geïntimeerde] heeft verricht als werknemer van [betrokkene] valt overigens (zonder toelichting, die ontbreekt) moeilijk te rijmen met het feit dat [appellant] bestuurder is van een besloten vennootschap en vennoot van een vof die op haar website foto’s van het bij [geïntimeerde] uitgevoerde werk heeft geplaatst, zoals [geïntimeerde] heeft aangevoerd en [appellant] niet heeft bestreden. Die stelling laat zich bovendien moeilijk verenigen met het feit dat [appellant] met [geïntimeerde] heeft gecorrespondeerd via het e-mailadres [voornaam appellant - Reparatie] @hotmail.com, het e-mailadres van de eenmanszaak die [appellant] dreef (zie onder 3.8).

6.9

Aan het bewijsaanbod van [appellant] wordt voorbij gegaan. Voor zover dat al voldoende specifiek is, is het niet ter zake dienend.

7 Conclusie

7.1

De conclusie is dat de grief faalt. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep (waarbij wat betreft het salaris van de advocaat wordt uitgegaan van 2 punten × tarief I).

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 26 maart 2021;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 338,- aan griffierecht en € 1.574,- aan salaris van de advocaat;

- verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.E. Honée, P.H. Blok en F. van der Hoek en in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2022 in aanwezigheid van de griffier.