Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2022:1250

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12-07-2022
Datum publicatie
22-07-2022
Zaaknummer
200.286.093/01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

aannemingsovereenkomst, oplevering door aanvaarding ex art. 7:758 lid 1 BW, herstelmogelijkheid ex art. 7:759 BW?, naleving art. 7:755 BW, betekening aan kantooradres advocaat, art. 353 lid 1 Rv bij wijziging van (reconventionele) eis in hoger beroep

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.286.093/01
Zaaknummer rechtbank : 7543197 / 19-4118

arrest van 12 juli 2022 (bij vervroeging)

in de zaak van

[appellant],

h.o.d.n. ABA Construction,

wonende in [woonplaats],

appellant,

tevens verweerder in het incident en in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: Aba,

advocaat: mr. P.H.J. Körver te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde],

wonende in [woonplaats],

geïntimeerde,

tevens eiseres in het incident en appellante in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J. Cortet te Utrecht.

De zaak in het kort

1.1

Aba heeft verbouwingswerkzaamheden verricht in en aan de woning van [geïntimeerde]. Daarvoor heeft hij drie offertes uitgebracht die door [geïntimeerde] voor akkoord zijn getekend. In deze procedure vordert hij betaling van het volgens hem nog openstaande bedrag.

1.2

De kantonrechter heeft alleen het bedrag toegewezen dat in de offertes 2 en 3 als btw in rekening is gebracht. Het hof oordeelt in dit arrest dat geen (andere) bedragen meer openstaan en dat partijen niks meer van elkaar te vorderen hebben.

Procesverloop

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

- het dossier van de procedure voor de kantonrechter in de rechtbank Den Haag, het tussen partijen gewezen tussenvonnis van 4 februari 2020 en eindvonnis van 26 mei 2020 (hierna ook: de (bestreden) vonnissen);

- de appeldagvaarding van 26 augustus 2020 van Aba;

- het tussenarrest van 12 januari 2021 waarin een mondelinge behandeling is gelast;

- het proces-verbaal van de enkelvoudige mondelinge behandeling op 19 maart 2021;

- de memorie van grieven van 1 juni 2021, met bijlagen;

- de memorie van antwoord tevens houdende een incident tot niet-ontvankelijkheid en een voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van 10 augustus 2021, met bijlagen;

- de conclusie van antwoord in het incident van 14 september 2021, met bijlage;

- de voor de zitting van 9 juni 2022 op voorhand door mr. Cortet ingezonden producties 18 en 19.

2.2

Op de zitting van het hof van 9 juni 2022 hebben partijen hun standpunten mondeling toegelicht. Mr. Körver heeft daarbij pleitnotities gebruikt, waarin hij tevens is ingegaan op het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep. Deze, door mr. Körver overgelegde, pleitnotities zijn nu ook onderdeel van het procesdossier.

Feitelijke achtergrond

3.1

Tussen partijen staat onder meer het volgende vast.

3.2

Aba heeft sinds 2007 een eigen aannemersbedrijf. Hij heeft voor de verbouwing/renovatie van de woning van [geïntimeerde] op 1 december 2017 een offerte, getiteld “indicatie 2”, uitgebracht. [geïntimeerde] heeft de offerte voor akkoord getekend. De offerte sluit op een totaalbedrag van € 19.955,32, inclusief btw (offerte 1). De betaalcondities luiden volgens de offerte:

21 % voor aanvang en bij opdracht (als aanbetaling)

49 % bij gereed zijn van 50 % van de werkzaamheden

30 % na oplevering van de bovengenoemde werkzaamheden”.

3.3

Op 19 mei 2018 heeft Aba een tweede offerte uitgebracht, getiteld “extrawerk 1”. Deze offerte sluit op een totaalbedrag van € 3.353,-, exclusief btw (offerte 2). Ook deze offerte is door [geïntimeerde] voor akkoord getekend.

3.4

Op 22 mei 2018 is Aba met de werkzaamheden aangevangen.

3.5

Op 28 mei 2018 heeft Aba een derde offerte uitgebracht, getiteld “extrawerk deel 2”. Deze offerte sluit op een totaalbedrag van € 5.149,76, inclusief btw, onder vermelding van € 4.256,- als het bedrag exclusief btw. Ook deze offerte is door [geïntimeerde] voor akkoord getekend (offerte 3).

3.6

[geïntimeerde] heeft de eerste twee termijnen van offerte 1 betaald. Daarnaast heeft zij Aba gedurende de loop van de werkzaamheden een bedrag van € 3.353,- respectievelijk van € 4.256,- (totaal derhalve € 7.609,-) contant betaald.

3.7

Partijen hebben op 26 juni 2018 het werk nagelopen aan de hand van offerte 1. Op de door Aba gehanteerde kopie staan achter de meeste werkzaamheden vinkjes geplaatst, maar bij zeventien onderdelen van de offerte is een minnetje, een vraagteken, een cirkeltje of een combinatie daarvan geplaatst. [geïntimeerde] heeft op haar kopie twaalf onderdelen van de offerte geel gearceerd, omdat zij vond dat die posten toen (nog) niet in orde waren. Bij het onder punt 7 onder G en H geoffreerde “schilderwerk” onder “Realiseren nieuwe trap” staat met de hand geschreven “geen kit en slordig geverfd!” en onder I “Realiseren nieuw badkamer” staat met de hand bijgeschreven “Deel zelf gedaan”, respectievelijk “zelf gedaan”.

3.8

Op 27 en/of 28 juni 2018 zijn in de woning nog enkele werkzaamheden verricht.

3.9

In een e-mail van 10 juli 2018 schreef [geïntimeerde] aan Aba onder meer:

Nu we in het huis zitten zien we heel veel dingen die NIET netjes zijn gedaan, ik zal er een paar opnoemen: vloer niet recht, dus hebben we zelf een vloer moeten leggen wat ons bijna Euro 1000 extra kost. stucwerk plafond is niet goed afgewerkt. Badkamer is niet goed gevoegd (half wel/niet) twee tegels hebben butsen, de drain was verstopt en ik moest een loodgieter laten komen omdat er een steen vast zat.

En er is nog zoveel meer (…) maar ik weiger het resterende bedrag te betalen omdat ik dit kwaliteit werk niet accepteer.

(…)

Ik ben zeer teleurgesteld in jullie want het werk dat jullie beloven is niet geleverd.”

3.10

Bij e-mail van 23 juli 2018 heeft Aba hierop als volgt gereageerd:

Op aanbeveling van onze rechtshulp en naar aanleiding van u email bericht van 10 jullie 2018 en volgens ons onderzoek en gesprek met alle werkers en ook met de heer [appellant]. Hiermee informeren wij u over alle details in volgende:

*(…) en het project is uitgevoerd.

*Toen het project werd opgeleverd, [... 1] met een andere werknemer was nog bezig met het werk van slaapkamer indelen en dakkapel afwerken. We hebben de elektra leidingen en radiator leiding voor alle kamers door getrokken en niet voor een nieuwe kamer. zie meerwerk Eerste verdieping - Electrawerk

(…)

*[appellant] legde uit dat het werk van de vloer aan de voorkamer duurt ca. 3 dagen. Het was voor 3 werkers. (…) Dit werk kan zeker niet voor 400 euro uitgevoerd worden.

(…)

*Wij hebben een offerte gegeven voor de nieuwe basis trap te realiseren, (…) De heer [appellant] heeft met uw partner over de extra kosten in Hornbach gesproken en daarna heeft hij telefonisch met u gesproken over extra kosten. Wij kunnen niet meer nog discussiëren.

*We hebben alle radiatorbuizen gerenoveerd, (…). Het kan een beetje water uitkomen van de oude buizen. Dit is normaal (…)

*op het einde van project de heer [... 1] zei dat de vloer is niet recht zijn. (…) Ze hebben aan de heer [... 1] verteld deze kromming werd veroorzaakt door aangeleverde underlaymentplat en deze kromming is niks. (…) Dus dat is niet fout van werk want ze hebben alle balken recht en waterpas geplaatst en uitstekend geleverd.

*(…)

*Hebt u in email gezegd dat twee tegels van badkamer niet goed gevoegd was. We sturen een werker om deze twee tegels te voegen. En het draaien is niet verstopt, daar moet afdekknopje binnen afvoer uithalen.

*Wij hebben het werk goed geleverd. (…)

*(…) Alle deze kosten hebben wij niet genomen in de offerte maar moeten wij wel berekening. U kunt een afspraak vragen met onze medewerker architect, projectleider, advocaat of boekhouder te bespreken. (…) de factuur van deze afspraak berekening wij apart op de basis van urenwerk en functie van medewerker.

(…)

Wij beschouwen hiermee dit project als afgesloten (…).”

3.11

Bij brief van 2 november 2018 heeft de advocaat van Aba [geïntimeerde] gesommeerd tot betaling van het onbetaald gebleven gedeelte van offerte 1 (laatste termijn van 30 %), vermeerderd met een bedrag van € 465,85 wegens twee sets ventilatie, en de beide openstaande bedragen van de offertes 2 en 3, in hoofdsom totaal € 15.650,04.

3.12

[geïntimeerde] heeft aan de sommatie geen gevolg gegeven.

De vorderingen van Aba en [geïntimeerde] en de beslissing van de kantonrechter

4.1

Aba heeft voor de kantonrechter gevorderd, samengevat, dat deze [geïntimeerde] veroordeelt tot betaling aan hem van de hoofdsom van € 15.734,44 (inclusief het bedrag van de wettelijke rente tot datum dagvaarding), alsmede tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.127,12 (inclusief btw), beide met de wettelijke rente, en tot veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

4.2

[geïntimeerde] heeft tegen de vordering verweer gevoerd en op haar beurt in reconventie gevorderd (1) dat de kantonrechter voor recht verklaart dat Aba tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichtingen tegenover haar, zodat hij gehouden is om haar schade te vergoeden en (2) dat de kantonrechter Aba wegens onverschuldigde betaling veroordeelt tot terugbetaling aan [geïntimeerde] van € 7.609,-.

4.3

In het bestreden tussenvonnis heeft de kantonrechter ten aanzien van offerte 1 overwogen dat de vordering tot betaling van de laatste termijn niet opeisbaar is. Volgens de kantonrechter is namelijk niet gebleken dat het werk (op 26, dan wel 28 juni 2018) is opgeleverd. Ten aanzien van de offertes 2 en 3 overwoog de kantonrechter dat zij ervan uitgaat dat de door [geïntimeerde] contant betaalde bedragen betrekking hebben op deze twee offertes, omdat deze bedragen exact overeenkomen met de offertebedragen zonder btw. [geïntimeerde] wordt in het vonnis toegelaten tot het bewijs dat zij met Aba was overeengekomen om deze offertes buiten de btw te betalen. Gelet op de beide contante betalingen ligt de tegenvordering van [geïntimeerde] tot terugbetaling wegens onverschuldigde betaling van € 7.609,- volgens de kantonrechter voor afwijzing gereed. Ook de tegenvordering tot schadevergoeding zal volgens de kantonrechter worden afgewezen, nu [geïntimeerde] voor de gestelde tekortkoming onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld.

4.4

In het eindvonnis heeft de kantonrechter vastgesteld dat [geïntimeerde] niet aan haar bewijsopdracht heeft voldaan en dat zij de btw-bedragen van de offertes 2 en 3 (€ 704,13 respectievelijk € 893,76) dus nog aan Aba moet betalen. [geïntimeerde] is in dit vonnis daarom veroordeeld tot betaling van € 1.597,89 met rente. Voor het overige wordt de vordering van Aba, met inbegrip van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten, afgewezen. De kantonrechter heeft de proceskosten van de procedure in conventie gecompenseerd. De tegenvordering van [geïntimeerde] is in het eindvonnis in haar geheel afgewezen. Daarbij is [geïntimeerde] veroordeeld in de kosten van de procedure in reconventie.

Vorderingen in hoger beroep en bezwaren tegen het vonnis

5.1

Aba is het niet eens met de vonnissen en is met vijf grieven, die alle zijn gericht tegen het tussenvonnis, in hoger beroep gekomen. Hij heeft, samengevat weergegeven, gevorderd dat dit vonnis wordt vernietigd en dat zijn vordering tot betaling van de hoofdsom van € 15.734,44 met rente alsnog wordt toegewezen, met afwijzing van de tegenvorderingen van [geïntimeerde].

5.2

[geïntimeerde] heeft de grieven bestreden en gevorderd dat de overeenkomst tussen partijen ex artikel 7:756 lid 1 BW gedeeltelijk wordt ontbonden en de vorderingen van Aba worden afgewezen. Zij heeft daarbij tevens een incident tot niet ontvankelijkheid opgeworpen omdat Aba de appeldagvaarding volgens haar aan het verkeerde adres heeft uitgebracht.

5.3

Daarnaast heeft [geïntimeerde], voor het geval het hof Aba niettegenstaande de onjuiste betekening van de appeldagvaarding toch ontvankelijk verklaart, één grief opgeworpen in voorwaardelijk incidenteel appel. Deze grief is gericht tegen de overweging in het tussenvonnis dat haar tegenvordering tot schadevergoeding zal worden afgewezen omdat zij niet aan haar stelplicht heeft voldaan. Zij heeft gevorderd dat het hof voor recht verklaart dat Aba tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichtingen jegens haar, zodat hij gehouden is om de daardoor geleden schade, voorlopig begroot op € 5.580,68 - op te maken bij staat - te vergoeden, met zijn veroordeling in de kosten van beide instanties, met wettelijke rente.

Beoordeling door het hof

Ontvankelijkheid in hoger beroep

6.1

Volgens [geïntimeerde] heeft Aba de appeldagvaarding aan het verkeerde adres uitgebracht. Zij meent dat uit het bepaalde in artikel 343 lid 1 Rv volgt dat een appeldagvaarding alleen aan het kantooradres van de advocaat kan worden betekend als de betrokkene in eerste aanleg aan dat kantooradres woonplaats heeft gekozen. [geïntimeerde] heeft, zo stelt zij, in eerste aanleg woonplaats gekozen aan het adres van Eerlijkmetrecht, terwijl betekening heeft plaatsgevonden aan een ander adres, namelijk het kantooradres van haar advocaat. Daarmee is de appeldagvaarding niet tijdig op een juist adres betekend, zodat Aba volgens [geïntimeerde] niet ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep.

6.2

Tussen partijen is niet in geschil dat de appeldagvaarding niet is uitgebracht aan het adres van Eerlijkmetrecht, maar aan het kantooradres van mr. Cortet. Evenmin is in geschil dat mr. Cortet zowel in eerste aanleg als in hoger beroep de belangen van [geïntimeerde] behartigt. De appeldagvaarding is daarmee op de juiste wijze conform het bepaalde in artikel 63 lid 1 Rv betekend aan het kantooradres van de advocaat bij wie [geïntimeerde] laatstelijk woonplaats heeft gekozen. Overigens is [geïntimeerde] door het feit dat de appeldagvaarding niet aan het adres van Eerlijkmetrecht is betekend ook niet onredelijk benadeeld. Integendeel, mr. Cortet heeft er overeenkomstig artikel 63 lid 1 Rv voor gezorgd dat de appeldagvaarding [geïntimeerde] (tijdig) heeft bereikt. De vordering in het incident tot niet-ontvankelijkverklaring moet daarom worden afgewezen.

Grieven

6.3

Partijen hebben geen grieven gericht tegen de afwijzing in het tussenvonnis van de vordering van [geïntimeerde] tot terugbetaling van € 7.609,- wegens onverschuldigde betaling, en evenmin tegen de in het eindvonnis afgewezen buitengerechtelijke incassokosten en toegewezen btw-bedragen over de offertes 2 en 3. Deze beslissingen staan daarmee vast en vormen voor het hof dus het uitgangspunt.

Laatste termijn offerte 1

6.4

De door Aba (ook) in hoger beroep gevorderde hoofdsom bestaat in de eerste plaats uit de laatste termijn van 30 % van offerte 1. Blijkens de offerte moet [geïntimeerde] die termijn betalen “na oplevering van de bovengenoemde werkzaamheden”. Aba heeft zich op het standpunt gesteld dat het werk op 26 juni 2018, althans op 28 juni 2018 (na verrichte herstelwerkzaamheden) is opgeleverd. [geïntimeerde] heeft betwist dat oplevering heeft plaatsgevonden.

6.5

Uit het bepaalde in artikel 7:758 lid 1 BW blijkt dat het werk als opgeleverd wordt beschouwd na de aanvaarding daarvan door de opdrachtgever. Het is het hof niet gebleken dat [geïntimeerde] het werk op enig moment na de gezamenlijke opname op 26 juni 2018 heeft aanvaard. Uit elk van de toen door partijen gehanteerde kopieën van offerte 1 blijkt dat tijdens de gezamenlijke opname op 26 juni 2018 aan het werk nog behoorlijk wat ‘losse eindjes’ zaten. Op 27 en/of 28 juni 2018 zijn in de woning nog enkele werkzaamheden verricht, maar gesteld noch gebleken is dat daarmee alle ‘losse eindjes’ waren opgelost, laat staan door [geïntimeerde] als oplossing waren aanvaard. Dat blijkt ook niet uit de door Aba in de memorie van grieven uitgeschreven telefoongesprekken die op 27 en 29 juni 2018 tussen hem en [geïntimeerde] of haar echtgenoot zijn gevoerd. De enkele omstandigheid dat [geïntimeerde] of haar echtgenoot in die gesprekken niet heeft weersproken dat het werk “bijna klaar is” of niet heeft geklaagd over de kwaliteit van het werk maakt zonder nadere, hier ontbrekende toelichting niet dat (Aba ervan mocht uitgaan dat) [geïntimeerde] het werk (stilzwijgend) als opgeleverd heeft aanvaard. Dat geldt temeer in het licht van het whatsapp bericht aan Aba van [geïntimeerde] van 26 juni 2018 waarin zij onder meer schrijft: “Beste [... 2], ik vind het onacceptabel dat je maar 1 persoon hebt werken bij ons!! Ik maak zelf allemaal extra kosten. (…) Nu hoor ik dat het nog een paar dagen gaat duren!! Er is nog veel werk en dat gaat niet lukken in twee dagen! (…) Alles in het huis is half gedaan. (…) Ik wil graag met je baas spreken (…).” Ook uit het e-mailbericht van [geïntimeerde] aan Aba van 10 juli 2018, dus nadat de door Aba gestelde herstelwerkzaamheden zouden zijn verricht, blijkt dat [geïntimeerde] op onderdelen (nog steeds) niet tevreden was over het werk. Zij heeft de werkzaamheden op dat moment dus evenmin als deugdelijk opgeleverd aanvaard. Dat Aba getuige zijn reactie van 23 juli 2018 anders dacht over de deugdelijkheid van het afgeleverde werk maakt niet dat [geïntimeerde] het werk heeft aanvaard. Aba biedt in zijn e-mail ook niet aan om het werk, of de eerder geconstateerde ‘losse eindjes’, nog eens door te lopen of om eventuele gebreken te (laten) herstellen. Hij is alleen bereid een werker te sturen om twee tegels te voegen, maar de kosten daarvan zal hij blijkens de e-mail apart in rekening brengen. Hij beschouwt het project als afgesloten. Nu niet blijkt dat [geïntimeerde] het werk op enig moment na de gezamenlijke opname op 26 juni 2018 heeft aanvaard, moet het ervoor worden gehouden dat (nog) geen oplevering ervan heeft plaatsgevonden. Aan de door de opdrachtgever na oplevering te bieden herstelmogelijkheid van artikel 7:759 BW wordt daarom niet toegekomen, nog daargelaten dat het bieden van een herstelmogelijkheid gelet op de weigerachtige houding van Aba in zijn brief van 23 juli 2018 zinloos zou zijn geweest. Het hof passeert het bewijsaanbod dat Aba in dit verband heeft gedaan, omdat Aba daarin geen feiten te bewijzen aanbiedt die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. De conclusie is al met al dat de laatste termijn van 30 % van offerte 1, bij gebrek aan een door [geïntimeerde] aanvaard opleveringsmoment, (nog) niet opeisbaar is geworden. Evenals de kantonrechter wijst het hof dit onderdeel van de vordering van Aba dan ook af.

6.6

[geïntimeerde] heeft in het principale appel van Aba, kennelijk als verweer, een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 7:756 lid 1 BW. Zij verzoekt het hof in dat verband om de met Aba gesloten aannemingsovereenkomst gedeeltelijk te ontbinden, omdat waarschijnlijk is geworden, en inmiddels ook wel vast staat, dat het werk niet op tijd of niet behoorlijk zal worden opgeleverd. Het hof komt aan een beoordeling van dit verzoek echter niet toe, omdat in hoger beroep niet voor het eerst een (nieuwe) eis in reconventie kan worden ingesteld (artikel 353 lid 1 Rv) en de goede procesorde, waaronder met name het feit dat Aba in dat geval een reactiemogelijkheid zou worden onthouden, zich ertegen verzet om een eventuele als wijziging van eis bedoelde vordering niet kenbaar (ook) in het kader van het incidentele hoger beroep in te stellen en toe te lichten.

Offertes 2 en 3

6.7

Het tweede deel van de door Aba gevorderde hoofdsom bestaat uit de som van de offertes 2 en 3, inclusief de verschuldigde btw. Volgens [geïntimeerde] zijn de beide offertes al (contant) betaald. Aba heeft niet betwist een bedrag van in totaal € 7.609,- contant te hebben ontvangen van [geïntimeerde], maar hij stelt dat die betaling ziet op ander meerwerk, dat niet in de offertes 2 en 3 staat genoemd. [geïntimeerde] heeft betwist dat sprake is geweest van meer of ander meerwerk dan de werkzaamheden die genoemd staan in de offertes 2 en 3. Gelet op de gemotiveerde betwisting van [geïntimeerde] had het op de weg van Aba gelegen om zijn stellingen op dit punt nader te concretiseren of met stukken te onderbouwen, hetgeen hij heeft nagelaten. Het hof gaat er daarom van uit dat geen ander of meer meerwerk tussen partijen is overeengekomen dan het meerwerk genoemd in de offertes 2 en 3. Aangezien de beide contante betalingen precies de bedragen betreffen die in deze offertes worden genoemd als verschuldigd exclusief btw, en [geïntimeerde], naar zij ter zitting van het hof onweersproken heeft verklaard, inmiddels ook de daarover verschuldigde btw heeft betaald als gevolg van het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis van 26 mei 2020, dient ook dit onderdeel van de vordering te worden afgewezen.

Kosten ventilatie kruipruimte

6.8

Blijft over het bedrag van € 465,85 als het laatste onderdeel van de door Aba gevorderde hoofdsom. Hij stelt dat dit bedrag ziet op de kosten van twee sets ventilatie voor de kruipruimte aan de achtergevel, die hij op verzoek van [geïntimeerde] heeft aangeschaft als extra materiaal. [geïntimeerde] heeft bestreden dat partijen een hoger bedrag zijn overeengekomen dan de som van de drie offertes en voorts dat vooraf overleg is gepleegd over het berekenen van eventuele (verdere) meerkosten. Aba heeft hier tegenover niet (onderbouwd) gesteld dat hij [geïntimeerde] tijdig heeft gewezen op de noodzaak van een prijsverhoging ten gevolge van het door hem aangeschafte extra materiaal, hetgeen met het oog op het bepaalde in artikel 7:755 BW wel had gemoeten. Dit bedrag kan daarom niet worden beschouwd als tussen partijen overeengekomen (extra) meerwerk en dient dus eveneens te worden afgewezen.

Conclusie vordering Aba

6.9

De conclusie uit het voorgaande is dat geen van de onderdelen van de door Aba gevorderde hoofdsom in aanmerking komt voor toewijzing. De tegen de afwijzing daarvan gerichte grieven van Aba falen.

Vordering [geïntimeerde]

6.10

[geïntimeerde] heeft in het kader van haar tegenvordering aangevoerd dat het werk van Aba gebrekkig was en dat Aba niet alle overeengekomen werkzaamheden heeft uitgevoerd. Zij heeft zich beroepen op wanprestatie en stelt dat Aba verplicht is om alle schade te vergoeden die zij dientengevolge heeft moeten lijden. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij verwezen naar haar whatsapp bericht van 26 juni 2018, haar e-mail van 10 juli 2018 en naar de door haar in het geding gebrachte foto’s. Daarnaast heeft zij zich het recht voorbehouden om een nader door een deskundige op te maken rapportage in het geding te brengen. Voorlopig begroot [geïntimeerde] haar schade op een bedrag van € 5.580,68.

6.11

Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] onvoldoende concreet heeft gesteld welke afgesproken werkzaamheden niet deugdelijk zijn verricht. Alleen in haar e-mail van 10 juli 2018 beklaagt [geïntimeerde] zich over een niet recht gelegde vloer, slecht afgewerkt stucwerk plafond, niet goed gevoegde badkamer, twee beschadigde tegels en een verstopte drain. Zij laat echter na toe te lichten in welk opzicht deze klachten in verband met hetgeen tussen partijen is overeengekomen aan Aba zijn toe te rekenen en welke schade zij bovenop het onbetaald gebleven gedeelte van offerte 1 als gevolg van deze tekortkomingen heeft geleden. Wat betreft het in dat opzicht in haar e-mail van 10 juli 2018 als enige genoemde, maar niet onderbouwde schadebedrag van € 1.000,- voor een nieuw gelegde vloer verzuimt [geïntimeerde] voorts om Aba op dat punt in gebreke te stellen, zodat Aba voor de vergoeding daarvan ook niet in verzuim is komen te verkeren. Nu [geïntimeerde] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld op welke onderdelen sprake is van door de wanprestatie van Aba veroorzaakte, en aan hem toe te rekenen schade, komt het hof niet toe aan de bewijsfase en is voor een door het hof te gelasten deskundigenbericht geen plaats. [geïntimeerde] had ter onderbouwing van haar stellingen zelf een deskundigenonderzoek kunnen laten verrichten en de resultaten daarvan in het geding kunnen brengen. Het uitblijven daarvan komt voor haar rekening. De kantonrechter heeft de vordering van [geïntimeerde] terecht afgewezen. De daartegen gerichte grief van [geïntimeerde] faalt.

Slotsom

6.12

Uit het voorgaande volgt dat de grieven van beide partijen falen. De bestreden vonnissen worden bekrachtigd en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen. Aba zal als de in zoverre in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het principale hoger beroep. Als de in zoverre in het ongelijk gestelde partij zal [geïntimeerde] worden veroordeeld in de proceskosten van het incident, alsmede in de tot op heden op nihil begrote proceskosten van het voorwaardelijk incidentele hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

in het incident:

- wijst de vordering tot niet-ontvankelijkverklaring af;

- veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van het incident, welke kosten aan de zijde van Aba tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 557,-;

in het principaal en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep:

- bekrachtigt de tussen partijen gewezen vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 4 februari 2020 en 26 mei 2020;

- veroordeelt Aba in de proceskosten van de procedure in het principale hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [geïntimeerde] tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 783,- aan griffierecht en op € 3.342,- aan kosten van de advocaat, met de bepaling dat deze bedragen moeten zijn betaald binnen veertien dagen na de betekening van dit arrest, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over deze bedragen zal zijn verschuldigd;

- veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van de procedure in het voorwaardelijk incidentele hoger beroep, welke kosten tot de dag van deze uitspraak worden begroot op nihil;

- wijst het in hoger beroep anders of meer gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.E.A.M. van Waesberghe, A.A. Muilwijk-Schaaij en

A.J. Swelheim en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 juli 2022, in aanwezigheid van de griffier.