Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:984

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
26-05-2021
Datum publicatie
07-06-2021
Zaaknummer
200.283.541/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Welke informatie dient aan de legitimaris te worden verstrekt om zijn legitieme rechten te kunnen berekenen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 4 78
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 26 mei 2021

Zaaknummer : 200.283.541/01

Zaaknummer rechtbank : 8422711 EJ Verz 20-74753

1. [appellante 1] ,

in deze vertegenwoordigd door [naam] , in haar hoedanigheid van gevolmachtigde van haar moeder mevrouw [appellante 1] ,

hierna te noemen: verzoekster sub 1,

wiens goederen inmiddels onder bewind zijn gesteld, waarbij de bewindvoerder heeft aangegeven de procedure niet te willen voortzetten, en

2. [appellante 2] ,

hierna te noemen: verzoekster sub 2,

hierna ook gezamenlijk te noemen: verzoekers,

beiden wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. J.M. Uittenhout te Amsterdam, die zich inmiddels als zodanig heeft onttrokken met betrekking tot verzoekster sub 1,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: verweerder,

advocaat mr. A.C. Kool te Amsterdam.

Als belanghebbende is opgeroepen:

[naam executeur] ,

handelend onder de naam [naam bedrijf] , gevestigd te [plaats] , in haar hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van [erflater] , overleden op [datum] 2015 te [plaats] , hierna te noemen: de executeur.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Verzoekers zijn op 21 september 2020 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 22 juni 2020 van de rechtbank Den Haag, sector kanton, hierna: de bestreden beschikking.

Verweerder heeft op 23 november 2020 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel ingediend.

Verzoekster sub 2 heeft op 5 februari 2021 een verweerschrift in het incidenteel appel ingediend. Daarin is medegedeeld dat het vermogen van verzoekster sub 1 onder bewind is gesteld en dat de bewindvoerder aan heeft gegeven de procedure namens verzoekster sub 1 niet voort te willen zetten.

Op 18 februari 2021 heeft verweerder een verzoek tot wijziging van het incidenteel appel ingediend.

Bij brief van 12 februari 2021 heeft de executeur medegedeeld geen gevolg te geven aan de oproep voor de zitting van 26 februari 2021 aangezien zij van mening is dat zij in haar hoedanigheid van executeur voldoende en juiste gegevens heeft verstrekt en zij haar zienswijze reeds voldoende duidelijk heeft gemaakt.

Bij het hof zijn de volgende stukken ingediend:

- op 17 februari 2021 van de zijde van verzoekster sub 2 een V-formulier van diezelfde dag met bijlagen;

De zaak is op 26 februari 2021 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- verzoekster sub 2, bijgestaan door haar advocaat;

- verweerder, bijgestaan door zijn advocaat.

Verzoekster sub 1 is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De bewindvoerder van verzoekster sub 1, [naam bewindvoerder] van de Stichting CAV bleek, nadat de griffie van het hof heeft geprobeerd hem telefonisch te bereiken, verhinderd te zijn om ter zitting te verschijnen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is verweerder niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tegen de executeur. Voorts zijn verzoekers (verweersters sub 1 en 2 in eerste aanleg) geboden inzage en afschrift van alle bescheiden te verstrekken die verweerder nodig heeft om zijn legitieme portie te kunnen berekenen, een en ander op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag, met een maximum van € 10.000,-, voor elke dag of gedeelte van een dag dat zij in gebreke blijven aan de beslissing te voldoen.

Tevens zijn verzoekers veroordeeld in de kosten van de procedure, begroot op € 263,-, waaronder een bedrag van € 180,-, als het aan de gemachtigde van verweerder toekomende salaris.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is het inzagerecht ex artikel 4:78 van het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW.

2. Verzoekers verzoeken de bestreden beschikking te vernietigen, behoudens de niet-ontvankelijkheid verklaring met betrekking tot de executeur en, opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat verweerder niet-ontvankelijk is in zijn verzoeken jegens verzoekster sub 2, zijn verzoeken alsnog af te wijzen en hem te veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties.

3. Verweerder bestrijdt het beroep en verzoekt het beroep van verzoekers af te wijzen, althans hen daarin niet-ontvankelijk te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

In incidenteel appel verzoekt verweerder, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, verzoekers te veroordelen binnen een termijn van twee weken na een door het hof te geven beschikking, aan hem de volgende documenten te verstrekken:

  • -

    alle onderbouwende stukken van de boedelbeschrijving;

  • -

    lijst met alle roerende zaken van hun beide ouders, waaronder de inboedel, sieraden en auto;

  • -

    bankafschriften:

1. [bankrekeningnummer 1] : volgnummer 1 van 2015;

2. [bankrekeningnummer 2] : afschriften over de periode 1 – 28 januari 2015;

3. [bankrekeningnummer 3] : afschriften 1 – 28 januari 2015 en alle overige ontbrekende afschriften,

een en ander op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 10.000,- voor elke dag of gedeelte van een dag dat zij in gebreke blijven aan de beschikking van het hof te voldoen.

Voorts verzoekt verweerder verzoekers te veroordelen in de kosten van de procedure in incidenteel appel, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening.

4. In het gewijzigde incidenteel appel verzoekt verweerder, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, binnen een termijn van twee weken na een door het hof te geven beschikking, aan hem de volgende documenten (bankafschriften) te verstrekken:

ABN AMRO bank

ABN [nummer 1]

ABN [nummer 2]

ABN [nummer 3] ,

over de periode 1 januari 2010 tot de datum van opheffing van deze rekeningen;

ING bank

ING bank [nummer 4] ,

over de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010, een en ander op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 10.000,- voor elke dag of gedeelte van een dag dat verzoekers in gebreke blijven aan de beschikking van het hof te voldoen.

Voorts verzoekt verweerder verzoekers te veroordelen in de kosten van de procedure in incidenteel appel, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening.

5. Verzoeker sub 2 heeft geen bezwaar gemaakt tegen de verandering van het incidentele verzoek aan de zijde van verweerder.

6. Verzoekster sub 2 verzoekt in het verweerschrift op het incidenteel appel van verweerder zijn incidenteel appel af te wijzen dan wel niet ontvankelijk te verklaren met veroordeling van verweerder in de kosten van het geding.

7. Verzoekers stellen dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven omdat de rechtbank hun verweer in eerste aanleg niet heeft ontvangen en derhalve geen kennis heeft genomen van hun standpunten. Voorts stellen verzoekers dat verweerder jegens verzoekster sub 2 niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden in zijn verzoeken. Zij voeren daartoe aan dat de vader van partijen in zijn testament titel 3 afdeling 1 van boek 4 BW van toepassing heeft verklaard op de verdeling van zijn nalatenschap. Gelet hierop heeft verzoekster sub 1 van rechtswege alle goederen van de nalatenschap verkregen en heeft verzoekster sub 2 slechts een niet-opeisbare vordering op haar moeder. Verweerder heeft op grond van artikel 4:80 BW een vordering op verzoekster sub 1 en niet op verzoekster sub 2.

8. Volgens verzoekers heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat verzoekster sub 1 niet heeft voldaan aan haar verplichting om alle informatie te verstrekken die nodig is voor het berekenen van de legitieme portie van verweerder. Er is door de executeur een deugdelijke boedelbeschrijving opgesteld en nadere informatie verstrekt naar aanleiding van verzoeken van verweerder en zijn zus. Naar de mening van verzoekers heeft verzoekster sub 1 daarmee voldaan aan de omvang van de informatieplicht.

9. De executeur heeft het vermogen van erflater beschreven op de sterfdatum en inzicht verschaft over de schenkingen die zijn gedaan door erflater aan onder meer zijn afstammelingen (waaronder verweerder). Verzoekers betwisten dat verzoekster sub 1 (en destijds de executeur) gehouden is om volledig inzicht te verschaffen in de financiële huishouding van wijlen haar man en haarzelf. Naast de door de executeur verschafte informatie waaronder de nodige bankafschriften en andere bewijsstukken heeft verzoekster sub 2 nog op 30 januari 2020 alle gevraagde aangiftes Inkomstenbelasting aan de gemachtigde van verweerder verzonden. Bovendien heeft zij als gevolmachtigde van verzoekster sub 1 nog een aantal bankafschriften aan verweerder verzonden voor zover die voorhanden waren.

10. Tot slot stellen verzoekers dat het verzoek van verweerder om een afschrift van alle bescheiden te verstrekken die hij nodig heeft om zijn legitieme portie te berekenen op grond van artikel 4:78 BW niet toewijsbaar is omdat hij zijn verzoek niet nader heeft gespecificeerd. Aangezien al een aantal stukken is verstrekt is niet duidelijk welke stukken verweerder nog verlangt, noch staat in het dictum vermeld om welke stukken het zou gaan, zodat niet kan worden vastgesteld of verzoekster sub 1 zich aan het gebod heeft gehouden, nog daargelaten dat het verzoek van verweerder moet worden beschouwd als een ‘fishing expedition’.

11. Door verweerder is onder meer aangevoerd dat de bewindvoerder van verzoekster sub 1 verweer dient te voeren. Verweerder betwist dat verzoeksters voldoende informatie hebben verschaft. Voor de vraag wat verstaan moet worden onder voldoende informatie verwijst verweerder naar een uitspraak van de rechtbank Overijssel van 7 januari 2020 (ECLI:NL:RBOVE:2020:1065). In die uitspraak komt naar voren dat de informatieplicht jegens de legitimaris ruim is en dat verzoekster sub 2 al veel eerder de bankafschriften had moeten verschaffen.

12. In haar verweerschrift in incidenteel appel erkent verzoekster sub 2 dat de bewindvoerder de formele partij is nu het vermogen van haar moeder onder bewind is gesteld en dat de bewindvoerder heeft aangegeven de procedure niet voort te willen zetten.

13. Het hof oordeelt als volgt. Fouten die in eerste aanleg zijn gemaakt kunnen in hoger beroep worden hersteld. Het feit dat verzoekers in eerste aanleg geen verweer hebben gevoerd doet er dus niet aan af dat zij dit alsnog kunnen doen in appel.

14. Kern van het tussen partijen bestaande geschil is of aan verweerder voldoende informatie is verstrekt om zijn legitieme portie te kunnen berekenen. Een legitimaris die niet erfgenaam is, kan tegenover de erfgenamen en met het beheer der nalatenschap belaste executeurs aanspraak maken op inzage en afschrift van alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme portie behoeft. Onder de informatieplicht vallen onder meer in het verleden gedane giften aangezien die de omvang van de legitieme portie kunnen beïnvloeden. De informatieplicht gaat echter niet zo ver dat de legitimaris inzicht dient te worden verschaft over het vermogensverloop van erflater over de jaren voorafgaande aan zijn overlijden, het hof verwijst naar zijn eerdere uitspraak van 18 juni 2019 (ECLI:NL:GHDHA:2019:1869). Erflater en zijn echtgenote zijn jegens de erfgenamen geen rekening en verantwoording schuldig omtrent hun levensstijl. Het is aan erflater en zijn echtgenote om bij leven zelf te beschikken over hun vermogen.

15. Het hof is van oordeel dat aan verweerder meer dan voldoende informatie is verstrekt om zijn legitieme rechten te kunnen berekenen. Aan verweerder is verstrekt een akte vaststelling erfdelen alsmede een boedelbeschrijving. Bij brief van 30 september 2015 is eveneens de navolgende informatie verstrekt:

  1. kopie van het testament van erflater;

  2. overzicht van de gedane schenkingen;

  3. kopie aangifte erfbelasting

  4. omschrijving ING rekening

  5. aangifte Inkomstenbelasting 2013 en 2014

  6. specificatie begrafeniskosten en verzekeringsdekking

  7. overzicht huidige bestemming onroerende zaken.

Door verweerder wordt erkend dat hij van verzoekers heeft verkregen de aangiftes Inkomstenbelasting van zijn ouders over de jaren 2010 tot en met 2015. Het is een algemeen bekend gegeven dat banken zelfstandig aan de fiscus doorgeven wat de stand van de bankrekening is. Verweerder heeft dus kunnen vaststellen wat het verloop is geweest van het vermogen, waarbij het hof nogmaals overweegt dat erflater en verzoekster sub 1 geen rekening en verantwoording behoeven af te leggen met betrekking tot hun levensstijl. Uit randnummer 26 van het verweer van verweerder volgt dat hij eveneens een groot aantal bankschriften van verzoekers heeft verkregen.

16. Gezien het hof hiervoor heeft overwogen dient het verzoek van verweerder alsnog te worden afgewezen.

17. Het hof ziet geen reden, zoals door verzoeksters is verzocht, om verweerder te veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep. Evenmin ziet het hof reden, zoals door verweerder is verzocht, om verzoeksters te veroordelen in de kosten van het beroep in incidenteel appel.

Zoals gebruikelijk in zaken van familierechtelijke aard zal het hof de kosten van het geding in hoger beroep compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw beschikkende:

wijst het inleidende verzoek van verweerder alsnog af;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.M. Warnaar, A.N. Labohm en A.S. Mertens-de Jong, bijgestaan door A.J. Suderée als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 mei 2021.