Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:963

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-05-2021
Datum publicatie
27-05-2021
Zaaknummer
200.284.032/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ondanks de ernstig verstoorde verhouding tussen de ouders belast het hof, met verwijzing naar HR 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:533, de vader mede met het gezag over de minderjarige. Het hof beoogt daarmee een begin van gelijkwaardig ouderschap te bewerkstelligen. Daarbij zal niet helpen als de vader het mede aan hem toekennen van het gezag als een overwinning beschouwt en de moeder dit als een verlies opvat en zal blijven ervaren. Wel helpend zal kunnen zijn als partijen bereid zijn dit gedeelde gezag als een opdracht in het belang van de minderjarige te zien en als zij vanuit die positie gaan werken aan het herstel van hun relatie als ouders.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253c
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.284.032/01

rekestnummer rechtbank : FA RK 19-3243

zaaknummer rechtbank : C/09/572730

beschikking van de meervoudige kamer van 19 mei 2021

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat voorheen mr. M.E. Kreber te Zoetermeer, thans mr. G.F. van den Ende te Rotterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. C. Ekholm te Leiden.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[belanghebbende] ,

kantoorhoudende te [plaats] ,

in haar hoedanigheid van bijzondere curator over de hierna nader te noemen minderjarige,

hierna te noemen: de bijzondere curator.

In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming, regio Haaglanden,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag van 2 juli 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vader is op 30 september 2020 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.2

De moeder heeft op 20 november 2020 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een e-mailbericht van de zijde van de moeder van 29 maart 2021 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;

-een journaalbericht van de zijde van de vader van 2 april 2021 met bijlagen, ingekomen op 6 april 2021.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 9 april 2021 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de bijzondere curator;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

3
3. De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

De vader en de moeder hebben een affectieve relatie gehad tot oktober 2011.

3.3

Uit de moeder is geboren [naam minderjarige] (hierna te noemen: [de minderjarige] ), op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] .

3.4

De vader heeft [de minderjarige] op 14 juni 2019 erkend.

3.5

De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] belast.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, in zoverre met wijziging van de beschikking van de rechtbank Den Haag van 5 november 2019 en voor zover op dit moment van belang, bepaald dat [de minderjarige] bij de vader zal zijn:

  • -

    het weekend van 11-12 juli 2020 op zaterdag of zondag, in onderling overleg te bepalen, van 10.00 uur tot 16.00 uur;

  • -

    het weekend van 18-19 juli 2020 op zaterdag of zondag, in onderling over te bepalen, van 10.00 uur tot 19.00 uur (na het avondeten);

  • -

    het weekend van 1-2 augustus 2020 van zaterdag 10.00 uur tot zondag 10.00 uur (inclusief overnachting);

  • -

    het weekend van 15-16 augustus 2020 van zaterdag 10.00 uur tot zondag 19.00 uur (na het avondeten);

  • -

    met ingang van 29 augustus 2020 eenmaal in de twee weken een weekend van zaterdag 10.00 uur tot zondag 19.00 uur (na het avondeten);

waarbij geldt dat de ouder bij wie [de minderjarige] verblijft haar naar de andere ouder brengt, tenzij ouders in onderling overleg anders afspreken. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

4.2

De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen (naar het hof begrijpt: voor zover het de omgangsregeling en het ouderlijk gezag betreft) en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I.

  • -

    primair: het verzoek van de vader om hem mede met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] te belasten alsnog toe te wijzen;

  • -

    subsidiair: voornoemd verzoek niet af te wijzen alvorens een ouderschapsonderzoek te gelasten en pas na de uitkomsten van dat ouderschapsonderzoek te beslissen op dit verzoek;

  • -

    meer subsidiair: te beslissen zoals het hof in goede justitie juist en redelijk acht;

II. de door de vader in eerste aanleg verzochte reguliere weekendregeling alsnog toe te wijzen, inhoudende dat [de minderjarige] bij de vader verblijft in de weekenden in de oneven kalenderweken, vanaf vrijdagmiddag uit school tot zondagavond 20.00 uur, althans te beslissen zoals het hof in goede justitie juist en redelijk acht;

III. de door de vader in eerste aanleg verzochte verdeling van bijzondere dagen alsnog toe te wijzen, inhoudende dat [de minderjarige] bij de vader zal verblijven gedurende de helft van de (school)vakanties en de helft van de algemeen erkende feestdagen, een en ander in onderling overleg te bepalen, en op de verjaardag van de vader ( [datum] ) en de verjaardag van [de minderjarige] in de even kalenderjaren, althans te beslissen zoals het hof in goede justitie juist en redelijk acht;

kosten rechtens.

Ter zitting heeft de vader het hof verzocht om een omgangsregeling te bepalen zoals deze is neergelegd in het conceptrapport van de raad van 30 maart 2021.

4.3

De moeder verzoekt het hof:

I. de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, althans zijn
verzoeken af te wijzen en (het hof begrijpt) de bestreden beschikking te
bekrachtigen;

II. de vader te veroordelen in de proceskosten.

5 De motivering van de beslissing

Gezag

5.1

De vader heeft het hof verzocht hem mede met het ouderlijk gezag te belasten. De vader meent dat het in het belang van [de minderjarige] is dat de ouders in gelijke mate participeren in haar leven en dat zij een gelijkwaardig beeld van de ouders krijgt. Hij vreest dat zijn afstand tot [de minderjarige] door het eenhoofdig gezag van de moeder alleen maar groter zal worden.

De moeder is het daar niet mee eens. Volgens haar zijn partijen niet in staat om samen beslissingen te nemen in het belang van [de minderjarige] en ontstaan er alsmaar conflicten over praktische zaken. De toewijzing van het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag zou betekenen dat zij een stap terug moet doen, terwijl zij altijd de hoofdverzorger van [de minderjarige] is geweest, aldus de moeder.

5.2

In artikel 1:253c lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat – kort gezegd – dat een verzoek om gezamenlijk gezag wordt afgewezen als er een onaanvaardbaar risico is dat (door het gezamenlijk gezag) het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

5.3

Gelet op de voorgeschiedenis van partijen, is er veel voor te zeggen om de beslissing van de rechtbank (die het verzoek van de vader heeft afgewezen) te bekrachtigen en de gronden waar deze beslissing op berust over te nemen. Het hof heeft goed nagedacht en zal hierna uitleggen waarom het een andere beslissing zal nemen en de vader wel mede met het gezag zal belasten. Ook zonder dat er gezamenlijk gezag is, zit [de minderjarige] al klem tussen de ouders en is zij daarin verloren. De bijzondere curator ziet een uitgeblust meisje dat alle stress ziet en voelt. Enig zicht op verbetering is er niet. Deze vaststelling zou in beginsel moeten betekenen dat alleen de moeder met het gezag over de minderjarige belast zou moeten blijven. Het hof overweegt dat als uitgangspunt bij beslissingen als hier aan de orde geldt dat zoveel als mogelijk recht moet worden gedaan aan het belang van het kind. In deze situatie brengt eenhoofdig gezag het grote risico met zich dat de vader meer en meer uit het leven van [de minderjarige] wordt geweerd. Zoals de Hoge Raad in de beschikking van 27 maart 2020 (ECLI:NL:HR:2020:533) heeft overwogen, moet de rechter in een situatie als de onderhavige de ruimte hebben om in te schatten welke beslissing het belang van het kind vermoedelijk het minst zal schaden. Het hof schat in dat juist het mede toekennen van het gezag aan de vader ertoe zal bijdragen dat [de minderjarige] uit die voor haar vreselijke situatie komt. Zonder al te diep op de geschiedenis van partijen te willen ingaan en een oordeel te willen geven over de schuldvraag, constateert het hof dat de e-mailberichten tussen de ouders er niet om liegen en dat de bejegening van de moeder door de vader een schokkend beeld geeft. De vader heeft ter zitting bij het hof de erkenning geuit dat hij in het verleden verkeerd heeft gehandeld ten opzichte van de moeder. Van groot belang is dat de vader deze erkenning gestand blijft doen. Dit zou het prille begin kunnen zijn van verwerking van het verleden en verbetering van de relatie tussen de ouders op ouderniveau.

5.4

Het baart het hof bovendien zorgen dat de moeder ter zitting heeft verklaard dat zij geen vertrouwen in hulpverlening heeft. Het hof heeft de moeder bij monde van haar advocaat ter zitting goed gehoord, dat zij het verleden niet zo maar achter zich kan laten, zoals in het concept-raadsrapport is opgenomen dat zij dat zou moeten doen. Het hof heeft daar begrip voor. Dat neemt echter niet weg dat het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is dat de moeder daarin niet vast blijft zitten en dat haar houding, waarbij zij iedere hulpverlening afwijst, niet mag worden beloond. Het inzetten van passende hulpverlening – al dan niet in het kader van een nog door de raad te verzoeken ondertoezichtstelling – zou [de minderjarige] juist kunnen helpen om onbelast contact met beide ouders te hebben. De verhouding tussen de ouders zit muurvast. Zonder verandering zal de trieste constatering zijn dat [de minderjarige] daarmee haar verdere jeugd (en daarna) zal moeten (leren) leven. Waar eerder de verhouding tussen de ouders ongelijkwaardig was door de dominantie van de vader, is die dat op dit moment doordat de moeder alleen met het gezag belast is, zij de vader geen enkele ruimte wenst te geven en zij slechts mondjesmaat meewerkt aan de uitvoering van de door de rechtbank bepaalde zorgregeling. Het hof beoogt door de vader mede met het gezag te belasten een begin van gelijkwaardig ouderschap te bewerkstelligen. Daarbij zal niet helpen als de vader het mede aan hem toekennen van het gezag als een overwinning beschouwt en de moeder dit als een verlies opvat en zal blijven ervaren. Wel helpend zal kunnen zijn als partijen bereid zijn dit gedeelde gezag als een opdracht in het belang van [de minderjarige] te zien en als zij vanuit die positie gaan werken aan het herstel van hun relatie als ouders. Daarbij verwacht het hof van de vader dat hij zich bij de uitoefening van het gezagsrecht terughoudend en met respect voor de moeder zal opstellen en van de moeder dat zij de vader betrekt bij gezagskwesties.

5.5

Tot slot merkt het hof op dat gezamenlijk gezag betekent dat een jeugdbeschermer bevoegd is beide ouders bij de uitvoering van de waarschijnlijk op handen zijnde ondertoezichtstelling te betrekken en, zo nodig, ook aan de vader schriftelijke aanwijzingen (die de betreffende ouder verplicht is op te volgen) kan geven.

5.6

Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en de ouders voortaan met het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] belasten. Het subsidiaire verzoek van de vader en hetgeen partijen in dat kader naar voren hebben gebracht, behoeft daarom geen nadere bespreking.

Zorgregeling

5.7

Nu partijen gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] belast zullen worden, zal het hof in het hiernavolgende spreken over een zorgregeling in plaats van een omgangsregeling.

5.8

In artikel 1:253a BW is bepaald dat de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan onder meer omvatten een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechter dient bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht te nemen, wat er in een voorkomend geval toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de afweging van belangen.

5.9

Het hof zal het verzoek van de vader tot wijziging van de zorgregeling per onderwerp bespreken.

Reguliere weekendregeling

5.10

Ten aanzien van het verzoek van de vader om de zorgregeling al op vrijdagmiddag uit school te laten aanvangen, overweegt het hof als volgt. Hoewel het begrijpelijk is dat de vader graag meer tijd met [de minderjarige] wil doorbrengen in de weekenden, is het naar het oordeel van het hof belangrijk dat de huidige zorgregeling eerst goed gaat verlopen, voordat kan worden overgegaan tot een uitbreiding daarvan. In november 2020 heeft de moeder de contacten tussen de vader en [de minderjarige] stopgezet, waardoor er geruime tijd geen contact is geweest. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat, na bemiddeling van de raad, inmiddels weer drie contactmomenten hebben plaatsgevonden, waarvan twee weekenden volgens de huidige zorgregeling. Het hof acht het van belang dat de huidige regeling door partijen eerst consequent wordt nagekomen en dat [de minderjarige] daarin ook regelmaat ervaart. Daar komt bij dat er nog een bodemprocedure over de contactregeling bij de rechtbank loopt en dat het raadsrapport ten tijde van de zitting in hoger beroep nog niet definitief was. Het hof zal het verzoek van de vader daarom afwijzen en de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen. Het hof gaat er daarbij vanuit dat de overdrachtsmomenten via [naam] zullen blijven verlopen, zoals op dit moment ook het geval is. Indien een ondertoezichtstelling zal worden uitgesproken, kan binnen deze maatregel worden gekeken naar de mogelijkheden tot uitbreiding van de zorgregeling.

5.11

Verder heeft de vader het hof verzocht om de eindtijd van de weekendregeling te wijzigen naar 20.00 uur. Het hof zal dit verzoek eveneens afwijzen. Zoals ter zitting benoemd zou de toewijzing van dit verzoek tot gevolg hebben dat [de minderjarige] later dan nu het geval is, wordt teruggebracht bij de moeder. Gezien haar jonge leeftijd is het hof van oordeel dat zij om 20.00 uur al in bed hoort te liggen. Bovendien moet [de minderjarige] na het overdrachtsmoment de tijd krijgen om te acclimatiseren en is een latere eindtijd niet bevorderlijk voor haar leerontwikkeling. Wel zal het hof bepalen dat de vader er verantwoordelijk voor is dat [de minderjarige] op zondagavond tussen 18.00 uur en 19.00 uur bij de moeder zal zijn, zoals door zijn advocaat ter zitting is voorgesteld. Op deze manier wordt de vader meer ruimte geboden bij het terugbrengen van [de minderjarige] , waardoor verdere discussies tussen de ouders over het tijdstip van terugbrengen in de toekomst mogelijk worden voorkomen.

Verdeling van de vakanties en feestdagen

5.12

De vader voert aan dat de rechtbank ten onrechte niets heeft overwogen over zijn verzoek om de vakanties en feestdagen bij helfte te verdelen. Het hof ziet geen aanleiding om dit verzoek van de vader af te wijzen. Het is in het belang van [de minderjarige] dat zij regelmatig contact heeft met de vader. Bovendien heeft de moeder geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de door de vader verzochte verdeling van de vakanties en feestdagen. Zij geeft slechts aan waarom de rechtbank volgens haar niet is ingegaan op dit verzoek.

Hetzelfde geldt voor het verzoek van de vader om [de minderjarige] jaarlijks op zijn verjaardag ( [datum] ) bij hem te laten verblijven en in de even kalenderjaren eveneens op haar verjaardag ( [geboortedatum] ), zodat het hof ook dit verzoek zal toewijzen.

5.13

Ten aanzien van de verdeling van de vakanties en feestdagen bij helfte zal het hof bepalen dat de ouders deze verdeling in onderling overleg dienen te bepalen, conform het verzoek van de vader. Indien het de ouders niet lukt om tot overeenstemming te komen over de verdeling van de vakanties en feestdagen, dan heeft de vader de eerste keuze in de even jaren en de moeder in de oneven jaren. De ouder die de eerste keuze heeft, dient deze keuze uiterlijk op 31 december van het voorafgaande jaar aan de andere ouder kenbaar te maken.

Proceskosten

5.14

De moeder heeft verzocht de vader te veroordelen in de proceskosten (het hof begrijpt: de proceskosten in hoger beroep). Zij voert in dat verband aan dat de vader de zorgregeling nog geen maand kans van slagen heeft gegeven en dat zij door deze procedure wederom kosten heeft moeten maken. De vader had het raadsonderzoek kunnen afwachten en zelfstandige verzoeken kunnen doen in de bodemprocedure.

5.15

Het hof ziet geen aanleiding om de vader te veroordelen in de kosten van het hoger beroep. Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Ontslag bijzondere curator

5.16

Nu de bijzondere curator haar taak ex artikel 1:250 BW heeft vervuld, zal het hof de bijzondere curator ontslaan van haar werkzaamheden in deze procedure. Teneinde de bijzondere curator niet de mogelijkheid te onthouden van beroep in cassatie, dan wel van het optreden als belanghebbende in cassatie, zal het hof de bijzondere curator van haar taak ontslaan onder de voorwaarde dat geen beroep in cassatie zal zijn ingesteld binnen drie maanden na heden.

5.17

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking ten aanzien van de beslissing over het gezag en de zorgregeling, voor zover daarin is bepaald dat [de minderjarige] eenmaal in de twee weken op zondag tot 19.00 uur bij de vader is en voor zover het betreft de verdeling van de vakanties en feestdagen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de vader en de moeder het ouderlijk gezag over de minderjarige [naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] , voortaan gezamenlijk uitoefenen;

bepaalt dat de vader ervoor zorgt dat [de minderjarige] in de weekenden dat zij bij hem verblijft op zondag tussen 18.00 uur en 19.00 uur weer bij de moeder is;

bepaalt dat [de minderjarige] de helft van de schoolvakanties en de feestdagen bij de vader verblijft, een en ander in onderling overleg te bepalen, waarbij geldt dat – indien de ouders hierover niet tot overeenstemming kunnen komen - de vader de eerste keuze heeft in de even jaren en de moeder in de oneven jaren en de ouder die de eerste keuze heeft deze keuze uiterlijk op 31 december in het voorafgaande jaar aan de andere ouder kenbaar maakt;

bepaalt dat [de minderjarige] jaarlijks op [datum] (de verjaardag van de vader) en in de even jaren op [geboortedatum] (haar verjaardag) bij de vader verblijft;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

ontslaat de bijzondere curator [belanghebbende] van haar taak, voor zover geen beroep in cassatie zal worden ingesteld, binnen drie maanden na heden;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Den Haag, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het openbaar register;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.A. van Kempen, K.M. Braun en A.A.F. Donders, bijgestaan door mr. L.A.J. Brouwer als griffier en is op 19 mei 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.