Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:946

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-05-2021
Datum publicatie
25-05-2021
Zaaknummer
200.278.376/01 en 200.279.090/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2020:2633, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Samenloop kinderalimentatie en partneralimentatie en het forfaitaire systeem

Het hof gaat in op de samenloop van kinderalimentatie en partneralimentatie. Het hof verwijst naar een onderzoek van de Universiteit van Groningen (alimentatie van nu) inzake het hanteren van twee rekensystemen voor kinderalimentatie en partneralimentatie. Het hof gaat bij het hanteren van het forfaitaire rekensysteem uit van de beschikking van Hoge Raad van 16 april 2021. Voorts verwijst het hof naar Hoge Raad 4 december 2015 Hoge Raad:2015:3479. Het forfaitaire rekensysteem dient te passen binnen het wettelijke kader en het door partijen gevoerde debat. Door het hof wordt de behoefte van de vrouw per onderwerp besproken nu partijen niet zijn uitgegaan van de hofnorm.

De informatieverplichting 1:83 BW

Het hof geeft in de beschikking aan de kaders van de informatieplicht inzake artikel 1:83 BW. Het hof verwijst daarbij naar de uitspraak van de Hoge Raad van 3 december 1971 NJ 1972/338.

Peildatum.

Peildatum voor de omvang en samenstelling van de wettelijke gemeenschap van goederen is de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. De peildatum voor schulden is ook datum indiening verzoekschrift tot echtscheiding.

Samenloop van voorlopige voorzieningen en art 1: 81 BW, 1:82 BW en 1: 84 BW.

Het hof is van oordeel dat de bij beschikking voorlopige voorzieningen vastgestelde kinderalimentatie en partneralimentatie in de plaats treedt van art 1:81 BW, 1:82 BW en 1:84 BW.

Als de alimentatieplichtige naast de verschuldigde bij voorlopige voorzieningen vastgestelde bedragen nog andere kosten van de huishouding betaalt mocht de vrouw erop vertrouwen dat de man voldeed aan zijn verplichting in de zin van art 1:81 BW en 1:82 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2021-0134
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

zaaknummers : 200.278.376/01 en 200.279.090/01

zaaknummers rechtbank : C/09/571697 en C/09/575810

beschikking van de meervoudige kamer van 19 mei 2021

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. L. Roumen te Leidschendam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. D. Vurdelja te 's-Gravenhage.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag van 19 maart 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna: de bestreden beschikking.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De man is op 18 mei 2020 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.2

De vrouw heeft op 13 augustus 2020 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

2.3

De man heeft op 19 oktober 2020 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

2.4

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

  • -

    op 1 juli 2020 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;

  • -

    op 18 december 2020 een V-formulier van 17 december 2020 met bijlagen,

van de zijde van de vrouw:

- op 23 december 2020 een V-formulier van 22 december 2020 met bijlagen.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 8 januari 2021 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Mr. Roumen heeft ter zitting een pleitnotitie overgelegd.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

Partijen zijn gehuwd op [datum] 1998 te [stad] , Zuid-Afrika.

3.3

Zij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind: [naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] , Groot Brittannië, hierna: de minderjarige. De minderjarige verblijft bij de vrouw.

3.4

Het huwelijk van partijen is op 15 juli 2020 ontbonden door echtscheiding.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

Voorts is, voor zover hier van belang, bepaald dat:

- de minderjarige de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw;

- dat de man aan de vrouw, met ingang van 2 augustus 2019, een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige van € 670,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

- dat de man aan de vrouw, met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, een partneralimentatie van € 4.601,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Daarnaast is de verdeling van de huwelijksgemeenschap vastgesteld, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, waarbij is bepaald dat:

1. de saldi op de bij partijen bekende bankrekeningen op de peildatum, 8 april 2019, bij helfte worden verdeeld, waarbij de gezamenlijke rekeningen worden opgeheven en de rekeningen welke op naam van de man dan wel de vrouw aan de man respectievelijk de vrouw worden toebedeeld;

2. voor zover de auto van het merk Ford nog een waarde vertegenwoordigt, deze te gelde dient te worden gemaakt en de opbrengst bij helfte wordt verdeeld;

3. het saldo op de zakelijke bankrekening van de man op de peildatum, 8 april 2019, bij helfte wordt verdeeld, waarbij de rekening aan de man wordt toebedeeld.

Voorts is vastgesteld dat in de onderlinge verhouding tussen partijen, ieder van hen voor de helft dient bij te dragen in de bij partijen bekende schulden, waarbij als peildatum voor de vaststelling van de hoogte van de schulden de datum indiening van het verzoekschrift geldt, met uitzondering van de schulden waarop de man reeds heeft afgelost na de beschikking in de voorlopige voorzieningenprocedure (Defam, de ABN Amro (credit card) en de belastingdienst voor het jaar 2017), hiervoor geldt als peildatum de datum van de bestreden beschikking.

Daarnaast is bepaald dat de vrouw aan de man dient te vergoeden € 392,94 ter zake van regionale en gemeentelijke belastingen alsmede € 91,55 ter zake van waterkosten, uit hoofde van een vergoedingsrecht.

4.2

De man verzoekt het hof om, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking partieel te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

- Te bepalen dat de behoefte van de vrouw maximaal € 1.625 bedraagt;

- Te bepalen dat de door de vrouw verzochte bijdrage in de kosten van het levensonderhoud op nihil vastgesteld moet worden, omdat de vrouw redelijkerwijs zelf kan voorzien in haar kosten van het levensonderhoud dan wel subsidiair af te wijzen wegens gebrek aan draagkracht dan wel meer subsidiair vast te stellen op een in goede justitie te bepalen bedrag, rekening houdende met de door het hof vast te stellen draagkracht en de verdiencapaciteit van de vrouw;

- Te bepalen dat de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige primair op nihil wordt bepaald, subsidiair op € 332;

- Te bepalen dat aan de vrouw de huurovereenkomst van de echtelijke woning aan de [adres] te [plaats] aan de vrouw toe te delen primair vanaf de datum van de indiening van het aanvullend verzoekschrift, subsidiair de datum van de beschikking;

- Te bepalen dat ook voor de schulden bij Defam, de ABN Amro (creditcard) en de Belastingdienst voor het jaar 2017 als peildatum voor de omvang en de waarde 8 april 2019 heeft te gelden.

- Primair te gelasten dat de vrouw rekening en verantwoording aflegt over de bestedingen die verricht zijn met de Zuid Afrikaans bankrekening met nr. [bankrekeningnummer] en subsidiair - in het geval geen bewijs overlegt van de beëindiging van deze bankrekening- deze rekening toe te delen aan de man, zonder verplichting de helft van de waarde op de peildatum te vergoeden.

- Te bepalen dat de vrouw in het kader van de vergoedingsrechten aan de man een bedrag ad € 824,69 en € 455,38 dient te vergoeden en daarnaast primair een bedrag van € 737,46 dan wel subsidiair € 368,73.

4.3

De vrouw verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

in appèl

I. het beroep van de man af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, behalve voor het deel ten aanzien van het bepaalde dat ieder der partijen voor de helft dient bij te dragen in de bij partijen bekende schulden en ter zake de vergoedingsrechten die de vrouw aan de man dient te betalen.

In het incident

I. de beschikking van de rechtbank ten dele te vernietigen, zo nodig met verbetering en aanvulling van gronden, voor zover de rechtbank heeft bepaald dat ieder der partijen voor de helft dient bij te dragen in de bij partijen bekende schulden en te bepalen dat ieder der partijen zijn eigen bezittingen en schulden behoudt zonder verdere verrekening, onder de verplichting dat de door hem/haar aangegane schulden als eigen schuld te voldoen;

II. de beschikking van de rechtbank ten dele te vernietigen, zo nodig met verbetering en aanvulling van gronden, voor zover de rechtbank heeft bepaald dat de vrouw aan de man dient te vergoeden € 392,94 ter zake van regionale en gemeentelijke belastingen alsmede € 91,94 ter zake van waterkosten, uit hoofde van een vergoedingsrecht en het verzoek van de man ter zake de vergoedingskosten, af te wijzen;

III. de beschikking van de rechtbank ten dele te vernietigen, zo nodig met verbeteringen aanvulling van gronden en te bepalen dat de man conform artikel 843a Rv inzage dient te geven in de bankrekeningen die op zijn naam staan over de periode van januari 2017 tot heden.

5 De motivering van de beslissing

Samenloop kinderalimentatie en partneralimentatie en het forfaitaire rekensysteem.

5.1

Het hof overweegt als volgt. In de onderhavige zaak is er sprake van een samenloop van kinderalimentatie en partneralimentatie. De kinderalimentatie wordt sinds 2013 in beginsel vastgesteld op basis een forfaitair systeem mits dit in het specifieke geval past binnen de wettelijke normen van behoefte en draagkracht. De AG is in zijn conclusie van 12 februari 2021 (ECLI:NL:PHR:2021:138) uitvoerig ingegaan op het hanteren van een forfaitair systeem bij het berekenen van kinderalimentatie. De AG en de Hoge Raad zijn niet eenduidig met betrekking tot, het al dan niet kunnen hanteren van een forfaitaire woonlast, inzake de berekening van kinderalimentatie. De AG heeft onder meer overwogen: “Ook de zwaarwegende belangen van het kind brengen in de situatie dat uitsluitend als gevolg van het in aanmerking nemen van hogere forfaitaire woonlasten niet in de behoefte van het kind is voldaan niet bij voorbaat mee dat de werkelijke woonlasten in aanmerking zouden moeten worden genomen. Een wijzigingsbestendige, voorspelbare alimentatie kan eveneens in het belang van het kind zijn, omdat daarmee strijd tussen de ouders en/of verzorgers zou kunnen worden voorkomen. In uitzonderlijke omstandigheden zou het kunnen voorkomen dat het gebruik van forfaitaire lasten in strijd zou zijn met de wettelijke maatstaven bijvoorbeeld indien een aanzienlijk tekort in de behoefte van het kind zou bestaan en dit tekort tot een naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid voor het kind onaanvaardbare situatie leidt.” De Hoge Raad heeft op 16 april 2021 (ECLI:NL:HR:2021:586) een richtlijn gegeven waaraan de rechter het forfaitaire rekensysteem dient te toetsen. De Hoge Raad overweegt expliciet: ”Op zichzelf is het hanteren van forfaitaire woonlast niet in strijd met de wettelijke maatstaven. Het dient bovendien de voorspelbaarheid en rechtszekerheid en voorkomt dat elke verandering van de woonsituatie aanleiding geeft tot een verzoek tot wijziging van de alimentatie. De rechter zal echter, indien met de aldus berekende draagkracht niet geheel in de behoefte van het kind of de kinderen kan worden voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van de betrokken ouder duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het bedrag dat volgt uit de toepassing van het forfait, steeds dienen na te gaan of de draagkracht van die ouder, berekend met inachtneming van de werkelijke woonlasten, zou leiden tot een hogere onderhoudsbijdrage. Indien dit het geval is, dient de rechter ofwel deze hogere bijdrage op te leggen, ofwel te motiveren waarom hij daartoe, gelet op de verdere omstandigheden van het geval, geen aanleiding ziet.” Op basis van de door de Hoge Raad geformuleerde richtlijnen zal het hof toetsen of de forfaitaire berekening van de kinderalimentatie nog past binnen het wettelijk stelsel inzake behoefte en draagkracht alsmede het door partijen gevoerde debat. Tevens zal het hof de forfaitaire berekening zelfstandig toetsen aan het wettelijk kader nu het kinderalimentatie betreft (Hof Den Bosch 6 augustus 2020 GHSHE:2020:2524: De plicht van de ouders om voor hun kinderen te zorgen wordt gezien als een onderwerp van openbare orde, waarbij het aan de rechter is om zelfstandig te beoordelen of de afspraken die de ouders hebben gemaakt voldoen aan de wettelijke maatstaven, Hoge Raad 1 november 2019 Hoge Raad:2019:1689: De contractsvrijheid van ouders bij afspraken over kinderalimentatie wordt begrensd door de dwingendrechtelijke regel dat kinderalimentatie moet voldoen aan de wettelijke maatstaven. De rechter oordeelt over de afspraken tussen de ouders zelfstandig met inachtneming van de wettelijke maatstaven, zonder gebonden te zijn aan hetgeen de ouders onderling over kinderalimentatie zijn overeengekomen). Op basis van artikel 1:400 BW toets het hof eerst de kinderalimentatie en vervolgens de partneralimentatie. In de visie van het hof volgt uit de richtlijn van 16 april 2021 van de Hoge Raad met betrekking tot de berekening van kinderalimentatie dat het maatwerk blijft. Het hof verwijst eveneens naar de uitspraak van de Hoge Raad van 4 december 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3479).

Kinderalimentatie

5.2

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van de rechtbank van 16 mei 2019 is een kinderalimentatie vastgesteld van € 678,- per maand. In de bestreden beschikking is overwogen dat de ingangsdatum van de kinderalimentatie is de datum van de bestreden beschikking. In het dictum van de bestreden beschikking is evenwel bepaald dat de ingangsdatum van de kinderalimentatie is 2 augustus 2019. Het hof gaat voor de vaststelling van de kinderalimentatie uit van de datum van de bestreden beschikking (19 maart 2020) en beschouwt hetgeen in het dictum van de bestreden beschikking staat als een kennelijke verschrijving. Voor de duur van de procedure was de man namelijk op basis van de beschikking voorlopige voorzieningen al onderhoudsplichtig.

Behoefte van de minderjarige

5.3

De behoefte van de minderjarige is tussen partijen in hoger beroep in geschil.

De rechtbank heeft die behoefte vastgesteld op een bedrag van € 670,- per maand. De rechtbank heeft bij de berekening van de behoefte van de minderjarige aansluiting gezocht bij de beschikking voorlopige voorzieningen, waarin aan de zijde van de man is uitgegaan van een netto besteedbaar inkomen (nbi) van € 7.604,- per maand, omdat de man in de procedure in de bodemzaak naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inzicht had gegeven in zijn inkomen.

5.4

De man heeft daartegen een aantal grieven aangevoerd. Hij stelt zich op het standpunt dat het door de rechtbank gehanteerde inkomen te hoog en niet representatief voor een heel jaar is, omdat de man als zelfstandige te maken heeft met een fluctuerend inkomen en voorts met kosten. De man is daarom van mening dat uitgegaan moet worden van een gemiddeld netto besteedbaar inkomen over de periode 2017-2019, zijnde € 4.126,- per maand. Hij verwijst daarvoor naar de aangiften inkomstenbelasting over die periode. Aan de hand van de toepasselijke tabel en de leeftijd van de minderjarige bedraagt de behoefte van de minderjarige dan € 435,- per maand, aldus de man.

5.5

De vrouw is van mening dat de rechtbank de behoefte van de minderjarige op de juiste wijze heeft berekend. Ook in hoge beroep heeft de man volgens de vrouw onvoldoende inzage gegeven in zijn inkomen.

5.6

Het hof stelt vast dat beide partijen op basis van een forfaitaire wijze de behoefte van de minderjarige wensen vast te stellen. Beide partijen wensen uit te gaan van het netto besteedbaar inkomen. Partijen verschillen echter van mening met betrekking tot de hoogte van het netto besteedbaar inkomen. Het hof is van oordeel dat de man zijn inkomen genoegzaam heeft onderbouwd door middel van het overleggen van verificatoire bescheiden, te weten: de aangifte inkomstenbelasting 2017 (met aanslag), de aangifte inkomstenbelasting 2018 (met aanslag) en de (concept) aangifte inkomstenbelasting 2019.

Uit de respectieve aangiften volgt een fiscale winst uit onderneming van:

  • -

    € 99.942,- in 2017;

  • -

    € 124.238,- in 2018;

  • -

    € 60.314,- in 2019.

5.7

Gezien het feit dat het inkomen van de man (winst uit onderneming) per jaar wisselt acht het hof het in het kader van de berekening van de behoefte redelijk om uit te gaan van de gemiddelde winst over de jaren 2017, 2018 en 2019. Gelet hierop becijfert het hof de (gemiddelde) winst uit onderneming van de man op (afgerond) € 95.000,- per jaar.

5.8

Rekening houdende met de zelfstandigenaftrek, de mkb-winstvrijstelling en de op de man van toepassing zijnde fiscaliteiten, begroot het hof in redelijkheid het netto besteedbaar inkomen van de man op een bedrag van € 5.202,- per maand.

5.9

Aan de hand van de toepasselijke tabel en de leeftijd van de minderjarige stelt het hof de behoefte van de minderjarige vast op een bedrag van afgerond € 570,- per maand. De hoogte van voormeld bedrag acht het hof passend om te voorzien in de behoefte van de minderjarige daarbij rekening houdend met de bedragen die de vrouw nog verkrijgt van overheidswege.

Draagkracht

5.10

Vervolgens dient te worden beoordeeld in welke verhouding de behoefte van de minderjarige tussen de ouders moet worden verdeeld.

Draagkracht man

5.11

Tussen partijen is het huidige inkomen van de man in geschil.

5.12

Het hof zal voor de berekening van de draagkracht van de man voor de kinderalimentatie de man beschouwen als binnenlands belastingplichtig voor de inkomstenbelasting en houdt enkel rekening met belastingheffing in Nederland. De man werkt weliswaar voor een (groot) deel vanuit Frankrijk, maar staat naar eigen zeggen niet (meer) in Frankrijk als ingezetene ingeschreven. De onderneming van de man is gevestigd in Nederland en de man staat inmiddels ook (weer) ingeschreven in Nederland.

5.13

Het hof leidt uit de door de man overgelegde stukken en zijn ter zitting daarop gegeven toelichting af dat het inkomen van de man in de jaren 2017 tot en met 2019 varieerde tussen de € 60.000,- en de € 124.000,- bruto per jaar. De man heeft ter zitting aangegeven dat het reëel is om te uit gaan van een inkomen van ongeveer € 108.000,- bruto per jaar. Hij heeft zich daarbij mede gebaseerd op een gemiddelde op basis van de door hem overgelegde facturen van € 11.925,- per maand, minus BTW en bedrijfskosten, resulterende in een bedrag van € 8.921,- bruto per maand, hetgeen op jaarbasis neerkomt op € 108.000,-. Het hof stelt vast dat dit ook (ongeveer) het bruto inkomen is waarop hij voornemens is een arbeidsongeschiktheidsverzekering af te sluiten. Het hof sluit bij dit inkomen aan en gaat er gezien de tendens in het inkomen van de man ook vanuit dat dit bestendig zal zijn. Om die reden gaat het hof voorbij aan de stelling van de man dat zijn ‘huidige’ opdracht eindigt op 19 januari 2021 en dat hij ten tijde van de mondelinge behandeling nog geen zicht had op een nieuwe opdracht.

5.14

Uit de aangehechte en door de griffier gewaarmerkte draagkrachtberekening blijkt dat de man op basis van voormeld inkomen van € 108.000,- bruto per jaar een netto besteedbaar inkomen voor kinderalimentatie heeft van € 5.803,- per maand. Met ingang van 1 januari 2021 houdt het hof rekening met de premie vanwege een arbeidsongeschiktheidsverzekering van de man van € 530,- per maand, dat is op jaarbasis € 6.360,-. Deze premie zal het bruto inkomen en daarmee de belastingdruk verminderen maar moet wel aan de verzekeringsmaatschappij worden betaald hetgeen de draagkracht van de man negatief beïnvloedt. Dit resulteert in een besteedbaar inkomen van € 71.798,- per jaar en derhalve € 5.983,- per maand zoals blijkt uit regel 120 van de aangehechte draagkrachtberekening.

Extra lasten kinderalimentatie: Schulden

5.15

Verder voert de man aan dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met zijn schulden. De man is van mening dat rekening moet worden gehouden met een bedrag aan aflossing schulden van totaal € 2.544,- per maand.

5.16

De vrouw betwist het bestaan van de door de man gestelde schulden, althans zij betwist dat deze schulden van invloed zijn op de draagkracht van de man.

5.17

Het hof overweegt als volgt. Uit vaste rechtspraak volgt dat bij de bepaling van de draagkracht uitgangspunt is dat alle schulden van de onderhoudsplichtige van invloed zijn, onverschillig of zij zijn ontstaan voor of na het tijdstip waarop de onderhoudsplicht is komen vast te staan. Wel kan er reden zijn aan bepaalde schulden voor die draagkracht geen of minder gewicht toe te kennen. In dit verband valt te denken aan schulden die na het vaststellen van de onderhoudsplicht onnodig werden aangegaan, of aan schulden ten aanzien waarvan de onderhoudsplichtige de mogelijkheid heeft zich te bevrijden of een regeling te treffen.

5.18

Het hof houdt geen rekening met de aflossing op een schuld bij ABN Amro, nu het hof, gezien het nog openstaande bedrag per mei 2020 van € 871,08 en de maandelijkse termijn van € 204,04 (inclusief rente) verwacht dat de man die op korte termijn geheel zal hebben afgelost. Ook met de schuld aan de boekhouder met een saldo per mei 2020 van € 900,- en een maandelijkse termijn van € 250,- (inclusief rente) houdt het om diezelfde reden geen rekening.

5.19

Met de schuld aan de moeder van de man houdt het hof evenmin rekening. Het hof overweegt daartoe dat de man op de vraag van het hof ter zitting waarom die schuld niet in de aangifte inkomstenbelasting 2017 was opgenomen, naar het oordeel van het hof geen afdoende antwoord heeft kunnen geven. Het hof is bovendien van oordeel dat de man, in het licht bezien van de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende heeft onderbouwd dat het hier om een reële schuld gaat.

5.20

Het hof houdt wel rekening met de schuld aan Defam, met een nog openstaand saldo van € 15.161,63 per mei 2020. De man heeft deze schuld met onderliggende bescheiden onderbouwd en het hof niet heeft kunnen vaststellen dat het hier om een vermijdbare en/of verwijtbare schuld gaat. Het hof houdt derhalve rekening met een aflossingsverplichting van € 200,- per maand.

5.21

Het hof houdt ook rekening met de schuld aan de belastingdienst over de jaren 2017 en 2018 van € 24.305,- en de schuld over 2019, door de man geschat op € 9.000,-. Het hof acht dit een reële, niet verwijtbare schuld. Het hof houdt aldus rekening met de door de man gestelde aflossingsverplichting van totaal € 1.500,- per maand. Hierbij merkt het hof op dat ter zitting ter sprake is gekomen dat deze aflossingsverplichting na twee jaar zal eindigen maar nu er in deze zaak meer financiële gegevens zijn die in de toekomst vermoedelijk zullen wijzigen, zoals met name ook het inkomen van de man, acht het hof het in deze zaak niet passend om nu reeds voor de toekomst een herberekening te maken. Als er sprake is van een wijziging van omstandigheden is het aan partijen om dit, bij voorkeur, in onderling overleg dan wel desnoods in het kader van een alimentatieprocedure aan de orde te stellen.

5.22

Het hof ziet geen grond andere bedragen als extra last in de draagkrachtformule te moeten opnemen.

5.23

Het voorgaande betekent dat aan de zijde van de man het draagkrachtloos inkomen voor 2020 wordt vastgesteld op 30% van het netto besteedbaar inkomen terzake van forfaitaire woonlasten vermeerderd met een bedrag van € 975,- aan overige lasten en € 1.700,- per maand aan aflossing schulden en dat van het bedrag, dat van het netto besteedbaar inkomen resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen, 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie. Op grond van voornoemde draagkrachtformule (2020) berekent het hof de draagkracht van de man op 70% x [5.803 – (0,3 x 5.803,- + 975 + 1.700)] = € 972,- per maand. De man heeft dus voldoende draagkracht om vanaf datum bestreden beschikking de kinderalimentatie van € 570,- te voldoen. Op dit bedrag zal het hof een zorgkorting in mindering brengen van 5% zijnde € 28,50, nu het hof dit redelijk acht. De man dient dan in beginsel te voldoen de somma van € 541,50 per maand tot aan 31 december 2020.

5.24

Per 1 januari 2021 verandert de financiële situatie voor de man aangezien het hof rekening gaat houden met een arbeidsongeschiktheidsverzekering. Zoals het hof hiervoor al heeft overwogen worden het netto inkomen en de belastingdruk voor de man minder indien hij een premie vanwege de arbeidsongeschiktheidsverzekering betaalt. Echter de uitgaande geldstroom zijnde de betaling van de premie aan de verzekeringsmaatschappij neemt toe. In de formule neemt het hof de premies afzonderlijk op. De draagkrachtformule (2021) ziet er dan als volgt uit: 70% x [ 5.983 – ( 0,3 x 5.983 + 1.000 + 1.700 + 530)] = € 670,-per maand. De man heeft dus voldoende draagkracht om vanaf datum bestreden beschikking de kinderalimentatie van € 570,- te voldoen. Op dit bedrag zal het hof een zorgkorting in mindering brengen van 5% zijnde € 28,50, nu het hof dit redelijk acht. De man dient dan ook na 1 januari 2021 te voldoen de somma van € 541,50 per maand.

Draagkracht vrouw

5.25

Volgens de man dient aan de vrouw een verdiencapaciteit te worden toegedicht, zodat zij een bijdrage kan leveren in de behoefte van de minderjarige.

5.26

De vrouw stelt daartegenover dat zij een achterstandspositie heeft op de Nederlandse arbeidsmarkt, omdat zij sinds 2008 niet meer heeft gewerkt en zij in Zuid-Afrika is opgeleid. Ook de leeftijd van de vrouw speelt haar parten bij het vinden van een baan, aldus de vrouw.

5.27

Het hof oordeelt als volgt. De vrouw beschikt op dit moment niet over eigen inkomsten. Ook het inkomen dat het hof de vrouw in het kader van de partneralimentatie fictief toerekent, aangezien zij haar baan zelf heeft opgezegd is onvoldoende om een bijdrage te leveren in de kosten van de minderjarige. Ook heeft het hof niet kunnen vaststellen dat de vrouw over vermogen beschikt waaruit zij een bijdrage zou kunnen voldoen voor de kinderalimentatie. Nu de vrouw onvoldoende inkomen en vermogen heeft om in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien kan van haar niet worden verlangd dat zij een bijdrage levert in de kosten van de minderjarige. Het hof is zich er terdege van bewust dat op basis van artikel 1:392 BW elke ouder onderhoudsplichtig is jegens de minderjarige. Echter in dit specifieke geval acht het hof het redelijk en billijk dat bij de berekening van ieders aandeel in de behoefte van de minderjarige enkel de draagkracht van de man wordt meegenomen.

Partneralimentatie

De ingangsdatum van de partneralimentatie

5.28

Het huwelijk van partijen is geëindigd per 15 juli 2020. Niet in geschil dat de verplichting van de man om bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw per die datum aanvangt.

Behoefte en behoeftigheid vrouw

5.29

Partijen zijn het niet eens over de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw en de mate waarin zij daarin door middel van eigen inkomsten kan voorzien.

5.30

De man voert het volgende aan. De rechtbank heeft ten onrechte de behoefte van de vrouw volgens de zogenaamde hofformule vastgesteld. De vrouw heeft nagelaten haar feitelijke behoefte met verificatoire bescheiden te onderbouwen. De behoefte van de vrouw bedraagt volgens de man in ieder geval niet meer dan € 1.625,- per maand.

5.31

Het hof overweegt als volgt. Bij de bepaling van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder de hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven van partijen tijdens het huwelijk, waarin een aanwijzing kan worden gevonden voor de mate van welstand waarin zij hebben geleefd, en zoveel mogelijk met concrete gegevens betreffende de reële of met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde (HR 19 december 2003, nr. R03/040HR, ECLI:NL:HR:2003:AM2379 en Hoge Raad 3 september 2010, nr. 09/03637, ECLI:NL:HR:2010:BM7050).

5.32

Ter staving van de huwelijksgerelateerde behoefte heeft de vrouw als productie 9 bij haar brief van 22 december 2020 een behoeftelijst overgelegd. Daarin heeft zij haar behoefte begroot op totaal € 4.657,- netto per maand, waarbij zij naar eigen zeggen nog geen rekening heeft gehouden met de kosten van vakanties van € 200,- per maand en de kosten van sparen - door de vrouw niet nader begroot. De man heeft die lijst gemotiveerd bestreden. De behoeftelijst is ter zitting integraal besproken.

5.33

Het hof overweegt als volgt.

a. Ten aanzien van de post ‘groceries’: rekening houdende met een reëel bedrag voor de kosten van voeding, begroot het hof deze post in redelijkheid op € 175,- per week, derhalve afgerond € 760,- per maand.

b. Ten aanzien van de posten ‘cleaning house’ en ‘window cleaning’: de vrouw heeft naar het oordeel van het hof ten aanzien van deze kosten niet aangetoond dat zij die tijdens het huwelijk gewend was te maken noch dat zij die kosten thans noodzakelijkerwijs moet maken. Het hof houdt daarom geen rekening met deze kosten.

c. Ten aanzien van de post ‘Rental’: het hof acht het redelijk om ter zake van de huur rekening te houden met het door de vrouw opgevoerde bedrag van € 1.575,- per maand, nu zij deze kosten ook daadwerkelijk maakt.

d. Ten aanzien van de posten ‘Water’: het hof stelt vast dat de vrouw haar huishouden deelt met drie andere personen, zodat het hof de door de vrouw opgevoerde kosten van € 88,58 per maand zal delen door vier. Het hof houdt aldus rekening met een bedrag van € 22,25 per maand.

e. Ten aanzien van de post en ‘Gas and Electric’: teruggerekend naar een eenpersoonshuishouden, stelt het hof deze kosten in redelijkheid vast op € 150,- per maand.

f. Ten aanzien van de post ‘Ziggo’ en ‘OV Travel’: de man heeft deze kosten ter zitting erkend, zodat het hof rekening houdt met een bedrag van € 61,45 per maand (Ziggo) en een bedrag van € 40 ,- per maand (OV Travel).

g. Ten aanzien van post ‘Gemeente taxes’: de vrouw heeft ter zitting toegelicht dat het gaat om de rioolheffing/waterschapsbelasting van € 82,95 per maand. De man heeft die kosten niet gemotiveerd weersproken, zodat het hof daarmee rekening houdt.

h. Ten aanzien van de posten ‘Shoes’ en ‘Clothing’: het hof acht de door de vrouw opgevoerde kosten van € 50,- per maand (voor schoenen) en € 150,- per maand (voor kleding) gezien de welstand van partijen tijdens het huwelijk niet onredelijk hoog en zal daarmee rekening houden.

i. Ten aanzien van de post ‘VGZ Zorg’: de man heeft de hoogte van de premie als zodanig niet weersproken, zodat het hof daarmee rekening houdt, zijnde een bedrag van € 119,- per maand. Het hof overweegt daarbij nog dat de eventuele aanspraak van de vrouw op toeslagen - waar de man op heeft gewezen – gelet op het karakter daarvan, bij het bepalen van de behoefte van de vrouw buiten beschouwing dient te blijven.

j. Ten aanzien van de post ‘Vodafone’: de man heeft deze post niet betwist, zodat het hof daarmee rekening houdt, zijnde € 13,- per maand.

k. Ten aanzien van de post ‘Regionale belastinggroep’: het hof acht deze post, door de vrouw gesteld op € 51,92 per maand, aan de hoge kant en stelt die in redelijkheid vast op € 30,- per maand.

l. Ten aanzien van de post ‘Belastingdienst’: naar het oordeel kunnen deze kosten - door de vrouw gesteld op € 83,- per maand - niet onder de behoefte van de vrouw geschaard worden, zodat het hof die buiten beschouwing laat.

m. Ten aanzien van post ‘Inboedelverzekering’: het hof acht een bedrag van € 25,- per maand reëler dan het door de vrouw gestelde en door de man betwiste bedrag van € 120,- per maand.

n. Ten aanzien van de post ‘Gardening’: de vrouw heeft deze kosten van € 30,- per maand naar het oordeel van het hof niet aangetoond. Het hof daarmee geen rekening.

o. Ten aanzien van de post ‘eating out’: het hof begroot deze kosten in redelijkheid op € 100,- per maand.

p. Ter zitting heeft de vrouw nog een aanvullende post vakanties van € 200,- per maand opgevoerd. Het komt het hof redelijk voor dat de vrouw in staat wordt gesteld (tenminste) eens per jaar op vakantie te gaan en een bezoek te brengen aan haar familie in Zuid-Afrika.

5.34

Gelet op voornoemde uitgaven becijfert het hof de totale netto behoefte van de vrouw op afgerond € 3.379,- netto per maand.

5.35

Hetgeen partijen verdeeld houdt is het antwoord op de vraag of de vrouw zich voldoende inspant om in haar eigen levensonderhoud te voorzien.

5.36

Het hof oordeelt als volgt. De vrouw heeft een [soort opleiding] mbo-opleiding in Zuid-Afrika afgerond, gevolgd door een High School programma. Zij heeft een lang arbeidsverleden in Zuid-Afrika gehad. In 2008 is de vrouw gestopt met werken om voor de drie kinderen van partijen te zorgen. De vrouw spreekt Engels en begrijpt Nederlands. De twee oudste kinderen van partijen zijn inmiddels volwassen. In 2020 heeft de vrouw een baan gehad, maar zij heeft die onlangs opgezegd, omdat die haar niet beviel. Het feit dat de vrouw haar baan opzegt omdat die baan haar niet beviel komt voor haar rekening en risico. Ook van de alimentatiegerechtigde kan in redelijkheid worden verlangd dat zij zich volledig inspant om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Bij de berekening van haar verdiencapaciteit houdt het hof dan ook vanaf de ingangsdatum van de partneralimentatie rekening met inkomen van de vrouw gelijk aan 75% van het minimumloon voor een alleenstaande vanaf 21 jaar. Dit inkomen bedraagt per 1 juli 2020 € 1.680,- bruto per maand, 75 % daarvan is € 1.260,- en (afgerond) € 1.360,- bruto per maand, inclusief vakantietoeslag. Dit komt neer op een netto inkomen van € 1.280,- per maand.

5.37

Rekening houdend met deze verdiencapaciteit is de resterende behoefte € 2.099,- netto per maand. Het hof stelt vast dat de vrouw in ieder geval behoefte heeft aan de bruto bijdrage die de man in staat is te betalen, zoals hieronder aan de orde komt. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 7 juli 2017 (ECLI:NL: HR:2017:1273) is het hof van oordeel dat het KGB een overheidsbijdrage van aanvullende aard is, waarvan het karakter meebrengt dat bij de berekening van partneralimentatie het KGB buiten beschouwing moet worden gelaten, zowel bij de behoefte, de draagkracht alsook bij een eventuele jusvergelijking.

Twee rekensystemen kinderalimentatie en partneralimentatie alsmede de draagkracht van man in het kader van de partneralimentatie.

5.38

Uit onderzoek van de Universiteit van Groningen volgt dat het bestaan van twee rekensystemen, voor partneralimentatie en voor kinderalimentatie maatschappelijk bezien op onbegrip stuit omdat beide systemen kunnen leiden tot onevenwichtige en niet op elkaar afgestemde resultaten (Alimentatie van nu, blz. 244 Boom 2021). Voorts volgt uit het onderzoek van de Universiteit van Groningen dat kinderalimentatie alom wordt geaccepteerd. Gezien voormelde maatschappelijke ontwikkelingen acht het hof het passend om binnen het wettelijke systeem dat bij de weging van lasten die in mindering moeten worden gebracht op de draagkracht van de alimentatieplichtige een onderscheid te maken tussen kinderalimentatie en partneralimentatie.

Op basis van de forfaitaire berekening kinderalimentatie kan de man volledig voorzien in het levensonderhoud van de minderjarige. Het inkomen wat het hof aan de vrouw toerekent is onvoldoende om in haar eigen levensonderhoud te voorzien laat staan dat zij nog enige bijdrage kan voldoen in de kosten van de minderjarige. Het hof gaat er bij de berekening van de draagkracht van de man vanuit dat hij de volledige kinderalimentatie voor zijn rekening neemt.

A. Inkomen van de man

Voor het inkomen van de man verwijst het hof naar hetgeen het daarover in kader van de kinderalimentatie heeft overwogen.

B. Lasten van de man

woonlast

5.39

Tussen partijen is de eigen woonlast van de man in geschil. De man stelt dat hij voor zijn werk flexibel moet zijn, omdat hij ook in het buitenland een opdracht kan hebben en daarom alleen woonruimte voor een korte duur huurt, hetgeen van invloed is op de huurprijs, die op dit moment € 1.962,- per maand bedraagt. Met betrekking tot de woonlasten acht het hof het in dit geval - waarin de woonlast van de man relatief hoog is en de woonsituatie van de man flexibel- redelijk om als uitgangspunt te kiezen de woonlast zoals het hof die in het kader van de forfaitaire berekening van de kinderalimentatie heeft meegenomen. Een dergelijke woonlast vindt het hof ook passend in het kader van de berekening van de partneralimentatie.

Ziektekosten

5.40

Het hof acht het redelijk rekening te houden met de navolgende maandelijkse lasten:

- € 191,14 in totaal aan basispremie ZVW en aanvullende premie ZVW, zoals volgt uit de door de man overgelegde polisbrief (bijlage 10 bij voormeld V-formulier van 17 december 2020);

- € 31,- aan verplicht eigen risico, minus € 39,-, zijnde het in het normbedrag Participatiewet begrepen nominale deel premie ZVW voor een alleenstaande.

Schulden

5.41

Net als bij de kinderalimentatie houdt het hof ook hier rekening met een maandelijkse aflossing op de schulden van de man van € 1.700,- per maand.

Advocaatkosten en herinrichtingskosten

5.42

Conform de Tremanormen houdt het hof rekening met het door de man opgevoerde bedrag van € 114,- per maand aan advocaatkosten nu de man ook de betreffende betalingsbewijzen heeft overgelegd. De door de man opgevoerde post herinrichtingskosten laat het hof buiten beschouwing. Ook aan de zijde van de vrouw bestaan dergelijke kosten nu ook zij gaat verhuizen terwijl deze kosten niet in haar behoeftelijst zijn opgevoerd en meegenomen.

Pensioenvoorziening/arbeidsongeschiktheidsverzekering

5.43

Het hof acht het redelijk dat de man, als zelfstandig ondernemer, reserveert voor zijn oudedag. De man heeft als bijlage 11 bij voormeld V-formulier van 17 december 2020 een aanvraag voor het sparen van een aanvullend pensioen overgelegd, waarbij de maandelijkse inleg is bepaald op € 1.000,- per maand. Naar maatschappelijke normen bezien is het redelijk dat de man voor zichzelf een oudedagsvoorziening gaat treffen. Gezien het inkomen van de man acht het hof een dergelijke premie redelijk. Het hof is zich ervan bewust dat bij de berekening van de draagkracht in het kader van de kinderalimentatie geen rekening is gehouden met deze post. Het hof acht zulks redelijk aangezien de pensioenverzekering nog niet een bestaande verplichting is en kinderalimentatie maatschappelijk bezien een zeer hoge prioriteit heeft. Bij de berekening van de kinderalimentatie heeft het hof rekening gehouden met de premie vanwege de af te sluiten arbeidsongeschiktheidsverzekering. In het kader van de berekening van de draagkracht van de man met betrekking tot partneralimentatie houdt het hof eveneens rekening met de hiervoor vermelde premie arbeidsongeschiktheidsverzekering en wel vanaf 1 januari 2021.

5.44

Het hof houdt voorts rekening met de hiervoor berekende bijdrage van de man in de kosten van de minderjarige van € 570,- per maand.

5.45

Rekening houdend met het te realiseren fiscaal voordeel, heeft de man draagkracht om met ingang van 15 juli 2020 een partneralimentatie van € 298,- per maand te betalen. Met ingang van 1 januari 2021 laat de draagkracht van de man geen partneralimentatie toe. Het hof zal de partneralimentatie met ingang van die datum op nihil stellen. De door het hof gemaakte draagkrachtberekeningen zijn aangehecht aan deze beschikking.

De terugbetalingsverplichting

5.46

Volgens vaste rechtspraak geldt dat de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken, dient te beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Het hof constateert dat de rechtbank hogere bedragen voor kinder- en partneralimentatie heeft vastgesteld dan het hof zal doen. Voor zover de beslissing van het hof ertoe leidt dat de vrouw eventueel tot heden te veel ontvangen kinder- en partneralimentatie als onverschuldigd betaald aan de man zou moeten terugbetalen, is het hof van oordeel dat, gezien het consumptief karakter van de bijdragen, de vrouw, mede gelet op haar financiële situatie - de vrouw beschikt niet over een substantieel vermogen - niet tot terugbetaling gehouden is.

Verdeling

5.47

Uit de bestreden beschikking volgt dat de rechtbank met betrekking tot het huwelijksvermogensrecht van partijen is uitgegaan van het Nederlandse recht. Partijen hebben hiertegen geen grief gericht dus het hof zal met betrekking tot het huwelijksvermogensrecht van partijen eveneens uit gaan van het Nederlandse recht. De huwelijksgemeenschap is ontbonden op het moment van indiening van het verzoek tot echtscheiding, zijnde 8 april 2019. Dit is de peildatum voor de samenstelling en omvang van de ontbonden huwelijksgemeenschap.

5.48

In hoger beroep verschillen partijen nog van mening over een aantal posten.

Bankrekening Zuid-Afrika

5.49

De man wenst dat de vrouw rekening en verantwoording aflegt met betrekking tot de bankrekening in Zuid-Afrika. Door de vrouw is verweer gevoerd. Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:83 BW verschaffen de echtgenoten elkaar desgevraagd inlichtingen over het door hen gevoerde bestuur en over de stand van hun goederen en schulden. Deze informatieplicht is in de wet opgenomen bij de herziening van het huwelijksvermogensrecht in 1992. De informatieplicht is gebaseerd op een uitspraak van de Hoge Raad 3 december 1971 NJ 1972/338. Met de verplaatsing van de informatieplicht naar titel 6, wordt deze dwingendrechtelijk opgelegd aan alle echtgenoten. De informatieplicht in artikel 1:83 BW omvat niet alleen de goederen en schulden van de gemeenschap, maar ook de privégoederen en schulden. Naar het oordeel van het hof brengt de verruiming van de informatieplicht niet met zich mede dat echtgenoten gehouden zijn tot het afleggen van rekening en verantwoording. De aard van het huwelijk verzet zich daartegen. De vrouw is naar het oordeel van het hof alleen verplicht aan de man inlichtingen te verstrekken met betrekking tot de stand van de bankrekening op de peildatum van de ontbinding van de gemeenschap. Het hof zal het verzoek van de man afwijzen.

Huurrecht van de echtelijke woning

5.50

Partijen zijn het erover eens dat het huurrecht enkel op naam van de vrouw moet komen en dat ze dit in onderling overleg zullen regelen. Het hof zal het verzoek van de man afwijzen.

Peildatum van een aantal schulden

5.51

De man is van mening dat de rechtbank ten onrechte een andere peildatum heeft gehanteerd wat betreft de schulden bij Defam, ABN Amro (credit card) en de belastingdienst voor het jaar 2017.

5.52

Ook de vrouw heeft een grief gericht tegen de wijze waarop de rechtbank de schulden in de verdeling heeft betrokken. De vrouw acht het niet redelijk dat zij meedeelt in de schulden van de man.

5.53

Het hof overweegt als volgt. De rechter kan geen schulden verdelen aangezien een schuld geen goed is in de zin van de wet en voor de overgang van schulden de medewerking nodig is van de crediteur. Het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend op 8 april 2019. Met betrekking tot de draagplicht voor schulden geldt artikel 1:100 BW zoals per 1 januari 2018 is aangepast. Artikel 1:100 lid 2 BW luidt als volgt: Voor zover bij ontbinding van de gemeenschap de goederen der gemeenschap niet toereikend (cursief hof) zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, worden deze gedragen door beide echtgenoten ieder voor een gelijk deel, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid anders voortvloeit. Het hof vermoedt dat er sprake is van een negatieve boedel, echter het hof heeft onvoldoende gegevens om dit ook daadwerkelijk te kunnen vaststellen. Gezien de aard van de schulden is er in beginsel geen grond om af te wijken van een gelijke draagplicht. Ten overvloede wijst het hof op artikel 1:102 BW. Als de schuld aan de zijde van de man in de gemeenschap is gevallen ontstaat aan de zijde van de vrouw een wettelijke aansprakelijkheid, met dien verstande dat daarvoor slechts kan worden uitgewonnen hetgeen de vrouw in het kader van de verdeling heeft gekregen, het gaat in artikel 1:102 BW om de externe aansprakelijkheid.

5.54

Door de vrouw is nog aangevoerd dat bij de berekening van de draagkracht – inzake alimentatie bij voorlopige voorzieningen - van de man nog rekening is gehouden met het feit dat de man gemeenschapsschulden betaalt. Het hof acht het methodisch niet juist om het leerstuk van de verdeling te vermengen met het leerstuk van alimentatie. Als de man partneralimentatie betaalt heeft dit een fiscaal effect op zijn positie alsmede op de positie van de vrouw. De verdeling van een gemeenschap heeft in beginsel geen fiscaal effect. Als de man uit eigen middelen een gemeenschapsschuld voor meer dan 50% betaalt ontstaat er een regresvordering op de vrouw. Dit betreft een netto bedrag en wordt dus niet belast. Het is aan partijen om tijdens de voorlopige voorzieningen of bij de ontbinding van de huwelijksgemeenschap duidelijke afspraken te maken met betrekking tot de aflossing van gemeenschapsschulden na datum ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Als partijen dit niet doen komt dit voor hun eigen rekening en risico. In het kader van de verdeling gaat het hof dus uit van de schulden per datum ontbinding van de gemeenschap en dat is in deze zaak 8 april 2019. Op voormelde datum ontstaat er een gestolde gemeenschap.

Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt dan ook vernietigen en het verzoek van de man (alsnog) toewijzen. Het verzoek van de vrouw om te komen tot een andere draagplicht dan bij helfte, zal het hof afwijzen.

Vergoedingsrechten?

5.55

De man is van mening dat de rechtbank ten onrechte het verzoek van de man om vast te stellen dat hij ter zake van de posten: VGZ, Vodafone, Spotify en Ziggo een vergoedingsrecht heeft op de vrouw, heeft afgewezen.

5.56

Ook de vrouw richt een grief tegen de wijze waarop de rechtbank een vergoedingsrecht ten laste van de vrouw (ten aanzien van de regionale belastingen en de waterkosten) heeft vastgesteld.

5.57

Het hof overweegt als volgt. Naar het oordeel van het hof geeft de man niet aan wat de grondslag is van zijn vordering en of deze vordering past binnen het stelsel van artikel 827 Rv. Dit geldt eveneens voor de incidentele vordering van de vrouw. Op basis van artikel 25 Rv dient de rechter de rechtsgronden aan te vullen. Het huwelijk van partijen is op 15 juli 2020 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in het register van de burgerlijke stand. Tot aan voormelde datum blijft titel 6 boek 1 BW van toepassing. Het hof verwijst naar artikel 1:81 BW, artikel 1:82 BW en artikel 1:84 BW. Echtgenoten zijn elkander getrouwheid, hulp en bijstand verschuldigd. Zij zijn verplicht elkaar het nodige te verschaffen (artikel 1:81 BW) Echtgenoten zijn jegens elkaar verplicht de tot het gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen en op te voeden en de kosten van die verzorging en opvoeding te dragen (artikel 1:82 BW). Ingevolge artikel 1:84 BW (kosten der huishouding) komen de kosten van de huishouding, daaronder begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, ten laste van het gemene inkomen van de echtgenoten en, voor zover dit ontoereikend is, ten laste van hun eigen inkomens in evenredigheid daarvan; voor zover de inkomens ontoereikend zijn, komen deze kosten ten laste van het gemene vermogen en, voor zover ook dit ontoereikend is, ten laste van de eigen vermogens naar evenredigheid daarvan.

5.58

In het onderhavige geval is op 16 mei 2019 een voorlopige voorziening vastgesteld. In het kader van deze voorlopige voorziening is aan de vrouw een partneralimentatie toegekend van

€ 1.148,- per maand en een kinderalimentatie van € 678,- per maand. Naar het oordeel van het hof dient de vrouw uit de bij voorlopige voorzieningen toegekende bedragen haar kosten van levensonderhoud en die van de kinderen te voldoen. Het hof is van oordeel dat de beschikking voorlopige voorzieningen in de plaats treedt van artikel 1:84 BW. Het had echter op de weg van de man gelegen om bij voorlopige voorzieningen duidelijke afspraken te maken met betrekking tot de kosten die hij in zijn visie ten behoeve van zijn gezin heeft voldaan naast de alimentatie. Nu hij dit niet heeft gedaan komt dit voor zijn rekening en risico, de vrouw mocht erop vertrouwen dat de man de thans door hem gevorderde bedragen ten behoeve van zijn verplichting uit hoofde van artikel 1:81 BW en artikel 1:82 BW heeft voldaan.

5.59

De vrouw heeft in randnummer 71 van haar verweer aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vrouw aan hem moet terug betalen een bedrag van € 392,94 ter zake regionale belasting en € 91,94 ter zake waterkosten. In randnummer 72 voert de vrouw nog aan dat de man wist dat de vrouw niet kon rondkomen van de alimentatie. Ook hier geldt dat de man heeft betaald en hij geen duidelijke afspraken met de vrouw heeft gemaakt over het terug betalen van de bedragen. Naar het oordeel van het hof mocht de vrouw erop vertrouwen dat de man voldeed aan zijn verplichtingen in de zin van artikel 1:81 BW. De grief van de vrouw treft dus doel. Het hof zal de bestreden beschikking op dit onderdeel vernietigen.

Artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

5.60

De vrouw stelt dat de rechtbank haar verzoek op grond van artikel 843a Rv ten onrechte heeft afgewezen.

5.61

Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 843a lid 1 Rv kan degene die daarbij een rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij partij is, van degene die deze bescheiden ter zijner beschikking of onder zijn berusting heeft.

5.62

Zoals het hof hiervoor al heeft overwogen geldt tussen de echtgenoten alleen een informatieverplichting in de zin van artikel 1:83 BW Ook voor de man geldt slechts dat hij informatie dient te verstrekken met betrekking tot de banksaldi op de peildatum van de ontbinding van de gemeenschap. De grief van de vrouw treft geen doel.

5.63

Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principale en incidentele hoger beroep:

vernietigt de bestreden beschikking, voor zover deze beslissing de daarin vastgestelde uitkeringen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige en in het levensonderhoud van de vrouw betreft, alsmede ten aanzien van de peildatum voor de vaststelling van de schuld aan Defam, ABN Amro (credit card) en de belastingdienst voor het jaar 2017 en het door de rechtbank vastgestelde vergoedingsrecht en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 19 maart 2020 € 541,50 per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige zal verstrekken;

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 15 juli 2020 € 298,- per maand als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud zal betalen;

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van 1 januari 2021 op nihil;

bepaalt dat de vrouw niet gehouden is tot terugbetaling van de door haar tot heden eventueel teveel ontvangen kinder- en partneralimentatie;

bepaalt dat ook voor de schulden bij Defam, ABN Amro (creditcard) en de Belastingdienst voor de peildatum van de omvang van de schuld uitgegaan dient te worden van de datum indiening verzoekschrift tot echtscheiding;

wijst hetgeen de man heeft verzocht ten aanzien van de posten die de vrouw aan hem moet terugbetalen (een bedrag van € 392,94 terzake regionale belasting en € 91,94 terzake waterkosten) af;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, A. Zonneveld en J.B. Backhuijs, bijgestaan door mr. A. Wijtzes als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 mei 2021.