Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2021:934

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
06-04-2021
Datum publicatie
20-05-2021
Zaaknummer
200.282.756
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Voorlopige omgangsregeling in relatie tot een vordering strekkende tot een gebieds- en contactsverbod. Vordering ook in beroep afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.282.756/01

Zaaknummer rechtbank : C/10/599741 / KG ZA 20-585

arrest in kort geding van 6 april 2021

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. C.C. Sneper te Baarn,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. K. el Joghrafi te Rotterdam.

1 Zaak en arrest in het kort

1.1.

Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. Ze hebben samen drie kinderen, waarvan

twee minderjarigen: [de dochter] van 15 jaar en [de zoon] van 11 jaar. Op 23 mei 2019 heeft de rechtbank Rotterdam een contactregeling tussen de man en [de zoon] bepaald.

1.2.

De vrouw heeft bij de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam een gebieds- en contactverbod voor de man richting haar en de minderjarigen gevorderd. De man heeft (als tegeneis) gevorderd dat de voorzieningenrechter de vrouw gebiedt om de contactregeling na te komen en een dwangsom oplegt. De voorzieningenrechter heeft hierover in een vonnis van 30 juli 2020 met bovengenoemd zaaknummer (hierna: het bestreden vonnis) beslist. Daarbij is de vordering van de vrouw afgewezen en de vordering van de man deels toegewezen, in die zin dat is bepaald [de zoon] voorlopig drie uur per maand bij de man is.

1.3.

Het hof onderschrijft beide oordelen van de voorzieningenrechter en bekrachtigt daarom het bestreden vonnis. In dit arrest legt het hof uit waarom.

2 Procesverloop in hoger beroep

2.1.

De vrouw heeft op 27 augustus 2020 - en dus op tijd - hoger beroep ingesteld tegen het bestreden vonnis. In de dagvaarding in hoger beroep heeft de vrouw haar grieven (bezwaren) tegen het bestreden vonnis vermeld.

2.2.

De man heeft op 10 november 2020 een memorie van antwoord (een inhoudelijke reactie op de grieven) ingediend.

2.3.

Op verzoek van het hof heeft de vrouw het proces-verbaal van de zitting bij de voorzieningenrechter naar het hof verstuurd. Deze is ontvangen op 11 maart 2021.

2.4.

Het hof heeft geen zitting gehouden in deze zaak. De vrouw heeft gevraagd om te beslissen op basis van het dossier. Dat is dit arrest.

3 Feiten

3.1

Ook de volgende feiten zijn relevant voor een goed begrip van dit arrest.

3.2.

Op 18 december 2017 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De minderjarigen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw. Zij zijn op 8 april 2018 onder toezicht gesteld van [volgt naam] (hierna: de GI). De ondertoezichtstelling is verlengd tot en met 9 april 2020 en toen afgesloten.

3.3.

In de echtscheidingsprocedure heeft de rechtbank Rotterdam op 23 mei 2019 de volgende contactregeling tussen de man en [de zoon] vastgesteld:

- gedurende vier maanden: een weekend per maand van zaterdag 12.00 uur tot zondag 19.00 uur;

- indien de man gedurende vorenbedoelde vier maanden de afspraken correct is nagekomen, zulks ter beoordeling aan de GI, volgt een uitbreiding naar: een weekend per twee weken van zaterdag 12.00 tot zondag 19.00 uur,

- gedurende een deel van de vakanties en de feestdagen, tussen partijen en de GI in onderling overleg nader af te spreken.

3.4.

De rechtbank Rotterdam heeft ook op 23 mei 2019 het gezamenlijk gezag over de minderjarigen beëindigd en de vrouw belast met het eenhoofdig gezag over hen. Die beslissing is in hoger beroep bekrachtigd.

4 Geschil in hoger beroep

4.1.

De vrouw is het zowel met de afwijzing van haar vordering als de (gedeeltelijke) toewijzing van de vordering van de man niet eens. Zij vordert in hoger beroep dat het hof:

- het bestreden vonnis vernietigt;

- de vordering van de vrouw alsnog toewijst;

- de vordering van de man alsnog (geheel) afwijst;

- de proceskosten compenseert;

- dan wel een beslissing neemt die het hof juist acht.

4.2.

De man voert hiertegen verweer. Hij vordert dat het hof het bestreden vonnis bekrachtigt, kosten rechtens.

5 Beoordeling van het hoger beroep

Gebieds- en contactverbod

5.1.

Bij de beoordeling van de vordering van de vrouw stelt het hof het volgende juridisch kader voorop. Een gebieds- en contactverbod maakt inbreuk op grondrechten van de man. Deze inbreuk is alleen gerechtvaardigd wanneer van de man een reële dreiging uitgaat van onrechtmatig handelen tegenover de vrouw (en/of de minderjarigen). De vraag of de rechter in geval van een reële dreiging bedoeld verbod kan opleggen, moet de rechter beantwoorden op grond van alle relevante omstandigheden van het geval en met inachtneming van de daarbij betrokken belangen van partijen.

5.2.

De kernvraag is of wat de vrouw aanvoert en ook verder uit het dossier volgt voldoende (ernstig) is om een dergelijk verbod op te leggen. Net als de voorzieningenrechter vindt het hof dat dit niet voldoende (ernstig) is. Het hof legt dit hierna uit.

5.3.

De vrouw voert aan dat [de dochter] en [de zoon] zich niet veilig voelen bij de man omdat de man onvoorspelbaar is in zijn gedrag. Zij baseert dit (met name) op de stelling dat de man zonder haar toestemming op de scholen van [de dochter] en [de zoon] is verschenen. De voorzieningenrechter heeft hierover het volgende vastgesteld: “Wel staat vast dat de man afgelopen juni één, hooguit twee keer naar de school van de kinderen is geweest. [de zoon] heeft hij daarbij één keer gezien. [de dochter] heeft hij niet gezien.” De vrouw heeft tegen deze vaststelling geen bezwaar gericht. Het hof gaat daarom van de juistheid daarvan uit. Het hof vindt dat deze omstandigheid onvoldoende is om aan te nemen dat sprake is van een reële dreiging van onrechtmatig handelen door de man. De vrouw heeft nog aangevoerd dat het onvoorspelbare gedrag van de man “resulteert in onveilige situaties” (appeldagvaarding, 23). Welke onveilige situaties de vrouw bedoelt, heeft zij niet uitgelegd. De vrouw stelt ook nog dat de man woedeaanvallen heeft. De voorbeelden die zij geeft (bijvoorbeeld dat de buurvrouw van de man klaagt dat zij overlast ervaart van de conflicten tussen de man en zijn nieuwe partner) wijzen niet op een reële dreiging met onrechtmatig handelen van de man richting de vrouw en/of de minderjarigen. De vrouw heeft onder het kopje ‘emotieregulatie’ ook nog wat andere stellingen ingenomen. Maar ook deze heeft zij niet onderbouwd en/of ook deze wijzen niet op een situatie waarin sprake is van een reële dreiging van onrechtmatig handelen.

Nakoming contactregeling

5.4.

De vrouw komt ook op tegen de (gedeeltelijke) toewijzing van de vordering van de man tot nakoming van de contactregeling. Haar grief is gericht tegen de overweging in het bestreden vonnis dat beide partijen hebben aangegeven dat zij contact in het belang van [de zoon] vinden (appeldagvaarding, 27). Volgens de vrouw heeft zij weliswaar op de zitting bij de voorzieningenrechter verklaard dat het contact tussen [de zoon] en de man wel plaats zou moeten vinden, maar stemt zij alleen in met dit contact nadat de man behandeld is voor zijn emotie-regulatieproblematiek. Verder brengt de vrouw het volgende naar voren (appeldagvaarding, 9). Zij wil dat er gedurende de bodemprocedure over de contactregeling geen omgang wordt opgestart. [de zoon] wil op dit moment niet naar de man voor omgang en sinds maart 2020 is er geen omgang meer geweest. De man betwist dit; hij voert aan dat [de zoon] juist plezier had in het contact met de man en dat de regeling is gestopt door de coronacrisis.

5.5.

De vrouw lijkt ervan uit te gaan dat de toekenning van het verzoek van de vader in het bestreden vonnis alleen is gebaseerd op de instemming van de vrouw. Dat is niet juist. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat [de zoon] en de man vóór de uitbraak van corona in maart 2020 drie uur per maand contact hadden (bestreden vonnis, 5.2.). De voorzieningenrechter is vervolgens nagegaan of contact tussen de man en [de zoon] al dan niet in het belang van de minderjarige is (bestreden vonnis, 5.3.). Daarbij is aandacht besteed aan de verklaring van de vrouw op de zitting, maar ook aan andere omstandigheden die blijken uit het dossier. Zo heeft de voorzieningenrechter meegewogen dat niet is gebleken dat het eenmalig treffen tussen de man en [de zoon] bij de school van [de zoon] schadelijk is geweest voor hem. Vervolgens is geoordeeld dat (het herstel van) het contact tussen de man en [de zoon] in het belang van [de zoon] is.

5.6.

Daarnaast lijkt de vrouw ervan uit te gaan dat haar instemming is vereist voor contact tussen de man en [de zoon] . Ook dat is niet juist. De beschikking van 23 mei 2019 is een onherroepelijke uitspraak; de vrouw heeft hiertegen geen hoger beroep ingesteld en dat is ook niet meer mogelijk. Dit betekent dat de man deze beschikking in beginsel mag uitvoeren en dat de vrouw deze moet nakomen. Dat is alleen anders als sprake is van misbruik van bevoegdheid door de man. Dat is bijvoorbeeld het geval als er na de beschikking nieuwe feiten zijn voorgevallen (of blijken te bestaan), die maken dat nakoming zeer duidelijk een noodtoestand oplevert voor de vrouw of [de zoon] . Dit is wat de rechter moet toetsen. De voorlopige contactregeling in het bestreden vonnis is zeer beperkt in frequentie en tijdsduur (drie uur per maand) en sluit aan bij de regeling zoals die vóór maart 2020 feitelijk is uitgevoerd. Er zijn volgens het hof onvoldoende aanwijzingen dat het herstarten van deze regeling een noodtoestand zou opleveren voor [de zoon] en/of de vrouw. De enkele omstandigheid dat [de zoon] nu geen omgang wenst - als dit al juist is, want de man betwist dit - is onvoldoende (ernstig). Ook volgt uit het dossier niet dat er om andere redenen sprake zou zijn van misbruik van bevoegdheid.

Conclusie

5.7.

Er komt geen gebieds- en contactverbod voor de man. Er geldt een voorlopige contactregeling, waarbij [de zoon] en de man elkaar drie uur per maand zien. In de bodemprocedure - die partijen kennelijk voornemens zijn te starten - zal de rechter beoordelen welke regeling op de lange termijn in het belang is van [de zoon] .

Proceskosten

5.8.

Het hof mag op grond van de wet de proceskosten compenseren als partijen getrouwd zijn geweest (en het geschil daarmee te maken heeft). Dat betekent dat iedere partij de eigen proceskosten moet dragen. Het hof vindt dat in dit geval passend. Het hof zal daarom de proceskosten in hoger beroep compenseren, zoals de vrouw heeft gevorderd.

6 Beslissing

Het hof:

6.1.

bekrachtigt het bestreden vonnis;

6.2.

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

6.3.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.H.M. van der Heiden, A. Zonneveld en A.A.F. Donders en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. J.E.H.M. Pinckaers, rolraadsheer, op

6 april 2021 in aanwezigheid van de griffier.